Erfelijke aandoeningen

Medische encyclopedie

Aandoeningen als gevolg van een erfelijke afwijking in één of meer genen

Genen geven de cellen instructies voor de aanmaak van enzymen en andere eiwitten die het lichaam nodig heeft om te groeien en te functioneren. Een genetisch defect kan lichte, matige of zelfs fatale gevolgen hebben, of geen gevolgen, afhankelijk van de taak van het eiwit waarvoor het gen de code bevat. Bekende aandoeningen zoals diabetes mellitus en astma hangen samen met erfelijke factoren, maar worden ook beïnvloed door leefomgeving en leefwijze.

Duizenden aandoeningen zijn het gevolg van afwijkingen in afzonderlijke genen, maar deze aandoeningen zijn zeer zeldzaam. Tot de bekendste horen hemofilie A en hemofilie B (zie Hemofilie A en B), cystische fibrose, sikkelcelziekte en thalassemie. Ongeveer één op de honderd baby’s komt ter wereld met een aandoening veroorzaakt door één afwijkend gen.

In sommige gemeenschappen is het aantal mensen met een bepaalde erfelijke aandoening bijzonder hoog. Het afwijkende gen dat verantwoordelijk is voor de ziekte van Tay-Sachs, komt bijvoorbeeld vaker voor onder Asjkenazische Joden; het afwijkende gen voor thalassemie komt vooral voor bij mensen uit mediterrane landen.

Sommige erfelijke aandoeningen worden al direct na de geboorte of in de eerste levensmaanden zichtbaar, andere pas als de patiënt volwassen is. Dit is bijvoorbeeld het geval met de ziekte van Huntington.

Naar boven

De oorzaken

Bij de meeste erfelijke aandoeningen heeft de betrokkene één of meer gendefecten in alle lichaamscellen, vanaf de eerste ontwikkelingsfasen van het embryo. Voor de aanwezigheid van afwijkende genen worden twee mogelijke redenen genoemd. Ten eerste kan het defecte gen van ouder op kind zijn doorgegeven. Of er ontstaat tijdens de meiose, het delingsproces waardoor zich ei- en zaadcellen vormen, een afwijking in een normaal gen (mutatie). In dat geval treden erfelijke aandoeningen spontaan op, zonder voorgeschiedenis in de familie.

Naar boven

Typen afwijkingen

Genen komen voor in paren; van elk is één gen afkomstig van de moeder en één van de vader. Ze kunnen dominant of recessief zijn. Dominante genen onderdrukken het effect van de genen die recessief zijn. Genen liggen op de 22 chromosoomparen die ook wel autosomen worden genoemd, en op de X- en Y-chromosomen (geslachtschromosomen), vooral het X-chromosoom. Aandoeningen die door één gen worden veroorzaakt, worden ingedeeld naar het patroon van erfelijkheid: autosomaal dominant, autosomaal recessief of X-chromosomaal. Bovendien worden veel aandoeningen veroorzaakt door een wisselwerking tussen genen, omgevingsfactoren en leefwijze: multifactoriële aandoeningen.

Autosomaal dominante aandoeningen

Bij deze aandoeningen hoeft men van slechts één ouder een afwijkend gen te erven om het ziektebeeld te ontwikkelen. Het normale gen van de andere ouder kan het effect van het dominante gen niet onderdrukken. Als iemand een autosomaal dominante aandoening heeft, heeft elk van zijn of haar kinderen een kans van 50 procent om het afwijkende gen te erven en de aandoening te krijgen. Een van de bekendste aandoeningen die dit erfelijkheidspatroon volgt, is familiaire hypercholesterolemie (zie Erfelijke hyperlipoproteïnemie). Mensen met deze aandoening hebben een hoge cholesterolspiegel en een verhoogde kans op hart- en vaatziekten. Ongeveer één op de vijfhonderd mensen heeft deze erfelijke aandoening.

Autosomaal dominante aandoening
In dit voorbeeld heeft een van de ouders één abnormaal gen en de andere ouder twee normale genen. Hun kinderen hebben een kans van vijftig procent om het afwijkende gen te erven en de ziekte te krijgen.
Autosomaal dominante aandoening
  1. Abnormaal gen
  2. Zieke ouder
  3. Gezonde ouder
  4. Normaal gen
  5. Gezonde kinderen
  6. Zieke kinderen

Autosomaal recessieve aandoeningen

Om een autosomaal recessieve aandoening te krijgen moet men twee kopieën van een afwijkend gen erven, één van elke ouder. Iemand die van één ouder een defect gen en van de andere ouder een normaal gen erft, is drager van de ziekte. De drager krijgt de ziekte niet zelf, maar kan het afwijkende gen doorgeven aan zijn of haar kinderen. Omdat genen van beide ouders nodig zijn om het ziektebeeld te veroorzaken, komen autosomaal recessieve aandoeningen zelden voor. Het bekendste voorbeeld van een dergelijke erfelijke aandoening onder blanke inwoners van Europa en Noord-Amerika is cystische fibrose (taaislijmziekte). Ongeveer één op de dertig mensen is drager van de ziekte. De kans dat twee drager-ouders samen kinderen krijgen is één op negenhonderd, en omdat slechts één op de vier kinderen twee defecte genen krijgt, twee op de vier drager zijn en één op de vier normale genen heeft, komt cystische fibrose voor bij ongeveer één op de 3600 mensen. Een bekende autosomaal recessieve aandoening onder mensen van Afrikaanse afkomst is sikkelcelziekte. Ongeveer één op de tien mensen is drager, terwijl ongeveer één op de vierhonderd de ziekte krijgt.

Autosomaal recessieve erfelijkheid
In dit voorbeeld hebben beide ouders het abnormale gen zonder ziek te zijn. Hun kinderen kunnen normaal zijn (25 procent), drager (50 procent) of ziek (25 procent).
Autosomaal recessieve erfelijkheid
  1. Normaal gen
  2. Drager ouders
  3. Abnormaal gen
  4. Ziek kind
  5. Drager kind
  6. Drager kind
  7. Normaal kind

X-chromosomale recessieve aandoeningen

Bij aandoeningen van dit type, bijvoorbeeld hemofilie, ligt het defecte gen op het X-chromosoom. Vrouwen met slechts één defect gen zijn draagster, maar hebben zelf meestal geen symptomen, omdat in vrijwel alle gevallen het tweede X-chromosoom een normaal gen heeft dat het effect van het abnormale gen maskeert. Ze kunnen het abnormale gen echter doorgeven aan hun kinderen. Omdat elk kind één X-chromosoom van de moeder erft, is de kans dat een kind van een draagster het abnormale gen erft 50 procent. Elke jongen die het abnormale gen erft, wordt hemofiliepatiënt, omdat hij geen tweede X-chromosoom heeft. Elk meisje dat het abnormale gen erft, is draagster, omdat het normale X-chromosoom dat ze van haar vader erft het abnormale gen maskeert. Een (mannelijke) hemofiliepatiënt geeft het defecte gen door aan al zijn dochters, maar niet aan zijn zoons.

X-chromosomale recessieve erfelijkheid
In dit voorbeeld is de moeder draagster van het abnormale gen op het X-chromosoom, maar zelf niet ziek. De zoons hebben een kans van vijftig procent dat ze ziek zullen worden, de dochters een kans van vijftig procent dat ze draagster zijn.
X-chromosomale recessieve erfelijkheid
  1. Abnormaal X-chromosoom
  2. Draagster moeder
  3. Normaal X-chromosoom
  4. Gezonde vader
  5. Normaal Y-chromosoom
  6. Gezonde dochter en zoon
  7. Zieke zoon
  8. Draagster dochter

Multifactoriële aandoeningen

Verschillende aandoeningen, bijvoorbeeld astma, komen in sommige families vaker voor dan in andere, zonder dat één bepaald gen verantwoordelijk lijkt te zijn. In dat geval wordt de ziekte waarschijnlijk veroorzaakt door een samenspel van genetische factoren, terwijl ook de leefomgeving en leefwijze een rol kunnen spelen. Van sommige aandoeningen is bekend dat ze samenhangen met een groep eiwitten in het immuunsysteem, de HLA’s. Deze eiwitten bepalen welk weefseltype iemand heeft. Het HLA-systeem is erfelijk, maar ieder mens heeft een unieke combinatie van HLA’s. Bepaalde HLA’s kunnen de gevoeligheid voor ziekten als spondylosis ankylopoietica en systemische lupus erythematosus vergroten.

Naar boven

Wat kunt u doen?

De feitelijke oorzaak kan niet worden behandeld, hoewel intensief onderzoek wordt gedaan naar gentherapie, waarbij abnormale genen worden vervangen door normale. Vaak kunnen de symptomen van erfelijke ziekten wel met succes worden behandeld. Hemofiliepatiënten, die het voor de bloedstolling belangrijke eiwit factor VIII niet zelf kunnen produceren, worden behandeld met regelmatige injecties van het ontbrekende eiwit. Verder is in de afgelopen twintig jaar een betere behandeling ontwikkeld voor cystische fibrose, waaronder fysiotherapie en antibiotica, zodat de patiënten een hogere levensverwachting hebben gekregen. Andere ziekten die door één defect gen worden veroorzaakt, zoals de ziekte van Huntington, kunnen echter niet worden behandeld.

Naar boven

Is het te voorkomen?

Mensen die een bloedverwant met een erfelijke ziekte hebben, kunnen zich soms laten onderzoeken op de aanwezigheid van het abnormale gen (Genetisch onderzoek). De tests beperken zich echter tot erfelijke ziekten waarvoor het abnormale gen is geïdentificeerd, zoals cystische fibrose en sikkelcelziekte. Wanneer de incidentie van een erfelijke ziekte extreem hoog is, zoals de ziekte van Tay-Sachs onder Asjkenazische Joden, kan de hele gemeenschap zich laten onderzoeken. Potentiële ouders die afkomstig zijn uit een familie waarin erfelijke ziekten voorkomen, kunnen voor een erfelijkheidsadvies worden verwezen (zie de bladzijde hiernaast)voordat ze besluiten een kind te verwekken, of prenatale diagnostiek op erfelijke afwijkingen bij het ongeboren kind laten doen.

Naar boven

Erfelijke aandoeningen

Autosomaal dominante aandoeningen

Achrondroplasie

Een aandoening van het skelet die leidt tot dwerggroei en abnormale proporties

Ziekte van Huntington

Een hersenaandoening die bij volwassenen abnormale bewegingen en dementie veroorzaakt

Erfelijke hyperlipoproteïnemie

Verhoogde spiegel van lipiden in het bloed, waarvan familiaire hypercholesterolemie de meest voorkomende vorm is

Syndroom van Marfan

Een zeldzame bindweefselaandoening van het skelet, het hart en de ogen

Neurofibromatose

Een aandoening waarbij zich op de zenuwen bindweefselgezwellen vormen

Polycysteuze nierziekte (bij volw.)

Een aandoening waarbij met vocht gevulde cysten het normale nierweefsel verdringen

Porfyrie

Een aandoening waarbij zich in het lichaam porfyrinen ophopen, stoffen die psychische en lichamelijke afwijkingen veroorzaken

Ziekte van Willebrand

Afwijking van de bloedstolling door het ontbreken van een stollingsfactor in het bloed

Autosomaal recessieve aandoeningen

Albinisme

Gebrek aan het pigment melanine, dat de huid, haren en ogen hun kleur geeft

Cystische fibrose

Vorming van abnormaal dik slijm, veroorzaakt spijsverterings- en ademhalingsmoeilijkheden

Galactosemie

Onvermogen tot het afbreken van een bepaalde suiker, die zich in het bloed ophoopt

Hemochromatose

Een aandoening waarbij in sommige organen te veel ijzer wordt afgezet

Fenylketonurie

Gebrek aan een enzym dat nodig is om een essentieel eiwit uit het voedsel af te breken

Polycysteuze nierziekte (bij kind.)

Een aandoening waarbij met vocht gevulde cysten het normale nierweefsel verdringen, meestal vanaf de geboorte

Retinitis pigmentosa

Progressieve degeneratie van het netvlies, het lichtgevoelige vlies achter in het oog, leidend tot blindheid

Sikkelcelziekte

Bloedziekte waarbij rode bloedcellen een abnormale vorm krijgen en de bloedstroom in het vaatstelsel belemmerd wordt

Ziekte van Tay-Sachs

Ernstige aandoening waarbij zich in de hersenen schadelijke stoffen ophopen

Thalassemie

Bloedziekte die leidt tot ernstige bloedarmoede vanwege de productie van een afwijkende hemoglobine, die zuurstof vervoert

Chromosomale aandoeningen

Kleurenblindheid

Onvermogen om bepaalde kleuren van elkaar te onderscheiden

Fragiel-X-syndroom

Aandoening die gepaard gaat met een verstandelijke handicap en lichamelijke kenmerken

Hemofilie A en Hemofilie B

Aandoening waarbij bepaalde stollingsfactoren in het bloed ontbreken

Spierdystrofie

Aandoening die progressieve zwakte en verschrompeling van de spieren veroorzaakt

Naar boven

Risicofactoren

Naar boven

Andere artikelen over genetische aandoeningen

Naar boven

Tekst: © Dorling Kindersley Ltd., 2003
Afbeelding(en): © Dorling Kindersley Ltd., 2003
Vertaling en bewerking: © Kosmos-Z&K Uitgevers b.v., 2006