Wat is atriumfibrilleren?
Het atrium is een deel van het hart. In het hart zitten vier holtes. De twee bovenste holtes noemen we boezems (atria) en de twee onderste holtes kamers (ventrikels). Tussen de boezems en kamers in zitten hartkleppen. Het bloed stroomt het hart binnen via de boezems en wordt vervolgens door de kamers naar buiten gepompt. Atriumfibrilleren betekent letterlijk 'trillen van de hartboezem'.
Wanneer u zich inspant, klopt uw hart sneller dan wanneer u rustig in een stoel zit. Soms klopt het hart te snel of onregelmatig. Dan kan er sprake zijn van een hartritmestoornis. Atriumfibrilleren is zo’n hartritmestoornis, waarbij het hart onregelmatig en meestal ook sneller klopt.
naar boven
Kans op een bloedstolsel en beroerte
Atriumfibrilleren duurt vaak maar een of twee dagen. Bij sommige mensen duurt het langer dan twee dagen of komt het steeds terug. Het bloed in het hart kan dan wat trager gaan stromen. Er is hierbij een kleine kans dat er in het hart bloedstolsels ontstaan. We noemen dit trombose.
Soms kan een stolsel vanuit het hart in een bloedvat in de hersenen terechtkomen. Het stolsel loopt dan vast in een bloedvat en sluit het af. Daardoor komt er geen bloed meer in een gedeelte van uw hersenen en krijgt u een beroerte.
naar boven
Bloedverdunners
Als atriumfibrilleren langer dan twee dagen aanhoudt of steeds terugkomt, dan krijgt u bloedverdunners. Dit zijn medicijnen die zorgen dat uw bloed minder stolbaar is. Uw bloed blijft dun. Hoe dunner uw bloed, des te kleiner is de kans dat er een bloedstolsel ontstaat. Daarmee wordt de kans op een beroerte ook kleiner.
Er zijn twee soorten bloedverdunners:
-
bloedplaatjesremmers;
-
stollingsremmers.
Stollingsremmers zijn beter in staat om een stolsel te voorkomen, maar hebben meer bijwerkingen dan bloedplaatsjesremmers. Is de kans dat u een beroerte krijgt heel klein, dan krijgt u een bloedplaatjesremmer. Is de kans op een beroerte groter, dan krijgt u een stollingsremmer en dus wat meer bijwerkingen.
naar boven
Bloedplaatjesremmers: acetylsalicylzuur/carbasalaatcalcium (Ascal) en clopidrogel (Plavix)
Met een medicijn dat de bloedplaatjes remt, verkleint u de kans op een stolsel. De bloedplaatjesremmers zijn gemakkelijk in het gebruik. U slikt steeds dezelfde hoeveelheid. Hoe dun uw bloed is hoeft niet te worden gecontroleerd.
Bloedplaatjesremmers hebben ook bijwerkingen. Acetylsalicylzuur/carbasalaatcalcium kan maagklachten geven. Clopidrogel geeft soms hoofdpijn. Door bloedplaatjesremmers blijven wondjes langer bloeden en ontstaan er gemakkelijker blauwe plekken. U kunt bijvoorbeeld eerder een bloeding in uw oogwit, een bloedneus, een bloedende aambei of een darmbloeding krijgen.
naar boven
Stollingsremmers: cumarines zoals acenocoumarol (Sintrom) of fenprocoumon (Marcoumar)
Als u met een stollingsremmer (cumarine) begint, wordt uw bloed in een paar dagen dunner. Daardoor heeft u minder kans op een stolsel.
Als u te veel stollingsremmers slikt kan uw bloed zelfs te dun worden waardoor u meer kans heeft op een bloeding. Daarom moet bij stollingsremmers steeds gecontroleerd worden of het bloed wel dun genoeg is en of het niet te dun is.
U begint de eerste dag met 4 of 6 tabletten. Daarna neemt u geleidelijk minder pillen (zie schema).
|
dag
|
acenocoumarol 1 mg
|
fenprocoumon 3 mg
|
| eerste dag |
6 mg (6 tabletten) |
12 mg (4 tabletten) |
| tweede dag |
4 mg (4 tabletten) |
6 mg (2 tabletten) |
| derde dag |
2 mg (2 tabletten) |
3 mg (1 tablet) |
Neem de tabletten elke avond in. Noteer direct na het innemen op de doseringskaart dat u de tabletten ingenomen hebt. De trombosedienst vertelt u hoeveel tabletten u na de derde dag in moet nemen.
Stollingsremmers hebben ook bijwerkingen. Door stollingsremmers blijven wondjes langer bloeden en ontstaan er gemakkelijker blauwe plekken. U krijgt bijvoorbeeld eerder een bloeding in uw oogwit, een bloedneus, een bloedende aambei of een darmbloeding.
Zorg dat u steeds de afgesproken hoeveelheid tabletten inneemt. Als u te weinig tabletten neemt heeft u meer kans op een bloedstolsel. Als u te veel tabletten neemt, heeft u meer kans op een bloeding.
naar boven
Hoe dun is uw bloed?
Als u bloedplaatjesremmers gebruikt is controle van uw bloed niet nodig. Bij een eventuele operatie moet u vooraf altijd vragen of u met de bloedplaatjesremmer moet stoppen. Vraag dan ook hoeveel dagen van te voren u moet stoppen.
Als u stollingsremmers gebruikt, moet regelmatig gecontroleerd worden hoe dun uw bloed is. De trombosedienst controleert uw INR (International Normalized Ratio). Het INR-getal geeft de snelheid aan waarmee uw bloed stolt. Als u geen bloedverdunners gebruikt is uw INR 1,0. Hoe dunner uw bloed is, hoe langer het duurt voor uw bloed stolt, hoe hoger de INR. Bij iemand met atriumfibilleren wordt meestal geprobeerd om de INR tussen de 2,0 en 3,0 te krijgen. Boven de 4,0 is uw bloed te dun en kunt u extra gemakkelijk een bloeding of blauwe plek krijgen.
De stolbaarheid van uw bloed (het INR-getal) verandert gemakkelijk. Daarom wordt uw bloed regelmatig gecontroleerd. Zo nodig wordt de hoeveelheid stollingsremmer aangepast. Na ieder bezoek aan de trombosedienst krijgt u een kaartje waarop staat hoeveel tabletten u de komende week/weken moet slikken. Het aantal tabletten kan per avond verschillen. Neem de tabletten altijd ’s avonds in. Als bij controle blijkt dat uw bloed te dun is, dan kan de trombosedienst u nog voor de avond bellen om het afgesproken aantal tabletten aan te passen.
naar boven
Neem contact op met de trombosedienst
Neem contact op met de trombosedienst om te overleggen:
-
als u bent vergeten uw tabletten in te nemen;
-
als u binnen 2 uur na inname van de tabletten heeft overgegeven;
-
als u koorts of diarree heeft;
-
als u nieuwe medicijnen gaat gebruiken, bijvoorbeeld antibiotica of pijnstillers zoals diclofenac, ibuprofen of naproxen (ook als u medicijnen zelf bij de drogist of apotheek koopt);
-
als u gaat stoppen met een medicijn;
-
als u merkt dat u erg gemakkelijk bloedt of veel blauwe plekken krijgt;
-
als u een operatie moet ondergaan.
Soms moet de hoeveelheid stollingsremmer dan worden aangepast of uw bloed sneller gecontroleerd. Voor een operatie moeten de bloedverdunners tijdelijk worden gestopt.
Bent u eenmaal gewend aan stollingsremmers, dan kunt u eventueel leren om zelf de dikte van uw bloed te controleren. U geeft dan de INR zelf door aan de trombosedienst. Daarna krijgt u advies hoeveel tabletten u de komende weken moet innemen.
naar boven
Andere medicijnen
Bij atriumfibrilleren krijgt u naast de bloedverdunners meestal ook medicijnen die ervoor zorgen dat uw hart minder snel klopt. Met die medicijnen kunt u zich ook beter inspannen.
naar boven
Hoe gaat het verder?
Wanneer u voor atriumfibrilleren bloedverdunners krijgt, is de kans groot dat u deze levenslang moet blijven slikken.
Neem direct contact op met de praktijk als u bloed bij de urine ziet of als u gitzwarte ontlasting heeft. Meestal moet de hoeveelheid stollingsremmer dan worden aangepast of (tijdelijk) gestopt. Soms is een vitamine-K-injectie nodig om de bloeding te stoppen.
naar boven
Heeft u nog vragen?
Als u na het lezen van deze brief nog vragen heeft, kunt u daar bij een volgend contact op terugkomen.
naar boven
Wat is atriumfibrilleren?
Het atrium is een deel van het hart. In het hart zitten vier holtes. De twee bovenste holtes noemen we boezems (atria) en de twee onderste holtes kamers (ventrikels). Tussen de boezems en kamers in zitten hartkleppen. Het bloed stroomt het hart binnen via de boezems en wordt vervolgens door de kamers naar buiten gepompt. Atriumfibrilleren betekent letterlijk 'trillen van de hartboezem'.
Het hart klopt volgens een bepaald ritme, als u rustig zit meestal ongeveer 60 tot 80 slagen per minuut. Wanneer u zich inspant, klopt uw hart sneller. Klopt uw hart te snel of onregelmatig, dan kan er sprake zijn van een hartritmestoornis. Atriumfibrilleren is zo’n hartritmestoornis, waarbij het hart onregelmatig en meestal ook sneller klopt. Vaak meer dan 100 slagen per minuut, terwijl u zich niet eens inspant.
naar boven
Wat zijn de verschijnselen?
Sommige mensen voelen hun hart onregelmatig of snel kloppen. Dit kan wat onrust geven en beangstigend zijn. U voelt zich misschien snel moe, bijvoorbeeld bij lichamelijke inspanning, of u bent kortademig. U kunt duizelig worden of u krijgt een licht gevoel in het hoofd. Er zijn ook mensen die niet merken dat ze atriumfibrilleren hebben. Atriumfibrilleren kan binnen twee dagen vanzelf overgaan.
Bij sommige mensen duurt het langer of komt het steeds terug. Er kunnen dan bloedstolsels in het hart ontstaan. Die stolsels kunnen naar uw hersenen stromen en daar een bloedvat afsluiten waardoor u een beroerte krijgt.
naar boven
Adviezen
Als bijvoorbeeld stress, koffie, alcohol of drugs het atriumfibrilleren hebben uitgelokt, dan is het verstandig deze factoren te beperken of te vermijden. Een gezonde leefstijl met gezonde voeding en voldoende lichaamsbeweging kan hierbij helpen.
naar boven
Medicijnen
Als atriumfibrilleren lang aanhoudt of steeds terugkomt, krijgt u eventueel medicijnen om te zorgen dat uw hart minder snel klopt:
Bètablokkers zorgen ervoor dat uw hart wat langzamer gaat kloppen. Uw hart gaat iets minder snel pompen en daardoor wordt uw bloeddruk ook lager.
Mogelijke bijwerkingen van bètablokkers zijn moeheid, koude handen en voeten, en heel soms erectiestoornissen. Mensen met astma kunnen er benauwd van worden. Doordat uw hart minder snel klopt voelt u zich rustiger.
Als u veel last heeft van de bijwerkingen van een bètablokker, dan kunt u in plaats daarvan een calciumantagonist gebruiken. Ook bij calcium-antagonisten gaat het hart iets minder snel kloppen. U voelt zich daardoor rustiger. Uw bloedvaten gaan wijder open staan. Daardoor neemt de druk in de bloedvaten af en wordt uw bloeddruk lager. Mogelijke bijwerkingen zijn hoofdpijn, maagdarmklachten en dikke enkels.
Als de klachten met een bètablokker of een calciumantagonist niet weggaan, dan kunt u er digoxine bij krijgen. Ook digoxine zorgt ervoor dat uw hart minder snel gaat kloppen. Tegelijk geeft digoxine het hart meer kracht zodat het per hartslag meer bloed kan doorpompen. Als u misselijk wordt, gaat braken of hoofdpijn krijgt, dan slikt u waarschijnlijk te veel digoxine. Bel dan de praktijk. Dan kijken we of de hoeveelheid medicijn omlaag kan.
Door bètablokkers, calciumantagonisten en digoxine kunnen de klachten verminderen en kunt u zich beter inspannen. Zonder overleg is het niet verstandig om deze medicijnen te minderen of te stoppen. Bel de praktijk als u problemen heeft met de medicijnen.
Als atriumfibrilleren langer dan twee dagen aanhoudt of terugkomt, dan krijgt u bloedverdunners. Dit zijn medicijnen die zorgen dat uw bloed minder stolbaar is. Uw bloed blijft dun. Hoe dunner uw bloed, des te kleiner is de kans dat er een bloedstolsel ontstaat. Daarmee verkleint ook de kans op een beroerte. Er zijn twee groepen bloedverdunners:
We bespreken welke medicijnen u krijgt en hoe u ze moet gebruiken.
naar boven
Hoe gaat het verder?
Vaak worden de medicijnen stap voor stap opgebouwd. U komt een week nadat u met de medicijnen bent begonnen terug naar de praktijk. We controleren dan uw hartslag en uw bloeddruk. We bekijken of u eventueel een ander medicijn moet gebruiken of dat u er een middel bij moet innemen.
naar boven
Heeft u nog vragen?
Als u na het lezen van deze brief nog vragen heeft, kunt u daar bij een volgend contact op terugkomen.
naar boven