U gebruikt een verouderde webbrowser, wij raden u aan over te schakelen naar een van onderstaande moderne internetbrowsers.

Revalidatie

Artikelen over revalidatie

Medische encyclopedie

Elke revalidatietherapie is gericht op specifieke aspecten van het revalidatieprogramma

Arbeidstherapie

De arbeidstherapeut traint met de patiënt functionele vaardigheden in een specifieke, ambachtelijke setting. Meestal gaat het hierbij om hout- of metaalbewerking. De patiënt is dan bezig met zagen, schuren, hameren, vijlen, enzovoort. Terwijl hij iets maakt, worden zijn spieren en gewrichten getraind.

Bezigheidstherapie

De bezigheidstherapeut leert de patiënt ook zijn ‘vrije tijd’ zinvol te gebruiken door hobbytraining. Vaak weten patiënten niet wat ze moeten aanvangen met de tijd die overblijft omdat ze bepaalde zaken, die ze voor de ziekte of het ongeval deden (werken, sporten, tuinieren, klussen, hobby’s), niet meer of niet meer op dezelfde manier kunnen doen. De bezigheidstherapeut leert hun dan andere dingen te doen of denkt mee over hulpmiddelen en voorzieningen waardoor het weer mogelijk wordt bepaalde zaken uit te voeren.

Ergotherapie

De ergotherapeut leert de patiënt (opnieuw) alle vaardigheden betreffende de zelfverzorging en de dagelijkse handelingen in de meest uitgebreide zin, de zogenoemde ADL-vaardigheden (= Activiteiten van het Dagelijks Leven). Daarnaast zal de ergotherapeut advies geven over allerlei aanpassingen en voorzieningen, van rolstoelen tot aanpassingen in huis, en zo nodig de patiënt trainen in het gebruik van deze aanpassingen en voorzieningen. Desgewenst kan de ergotherapeut ook bij de patiënt thuis komen kijken om te zien hoe de patiënt zich in zijn eigen omgeving weet te redden, wat er aan hulpmiddelen en voorzieningen nodig is en hoe die in of aan het huis kunnen worden geplaatst.

Fysiotherapie

De fysiotherapeut zal proberen de mobiliteit van het houdings- en bewegingsapparaat van de patiënt te optimaliseren door het toepassen van bewegingstherapie. In speciale gevallen kan die therapie worden ondersteund door speciale therapievormen, zoals warmte- en/of koudebehandeling (met paraffine of ijs) of ultrageluid, gericht op vermindering van de pijn. Een andere methode om pijn te verminderen is het gebruik van elektrische stroom die via elektroden op speciale punten op het lichaam wordt toegediend. Deze methode heet transcutane zenuwstimulatie, omdat de elektrische stroom door de huid gaat (transcutaan) en via de speciale punten de zenuwbanen stimuleert. Soms is het beter de bewegingstherapie in water te geven, omdat water de bewegingen dempt en zorgt voor een meer natuurlijk bewegingspatroon. Men spreekt dan van hydrotherapie.

Looprek
De keuze van het hulpmiddel bij het lopen, hangt af van het soort en de mate van functiebeperking. Een ergotherapeut geeft begeleiding bij het toepassen en de keuze van de hulpmiddelen.
Looprek
  1. REK: Dit rek is van aluminium, zodat het wel stevig is maar niet zwaar
  2. WIELEN: Een looprek met wielen (rollator) is nuttig voor iemand die te zwak is om het op te tillen

Logopedie

De logopedist zal proberen de communicatiemogelijkheden van op dit gebied gehandicapte patiënten te optimaliseren. Communicatieproblemen komen nog wel eens voor bij patiënten die een beschadiging aan de hersenen hebben opgelopen (bijvoorbeeld bij een CVA of een hersenkneuzing). Er zijn daarbij twee mogelijkheden. Soms is het spraak- en taalbegrip wel goed, maar heeft patiënt problemen met het uitspreken van woorden, hij stottert of hakkelt of kan bepaalde klanken niet goed maken. Dan spreekt men van dysartrie. In andere gevallen is er sprake van een gestoorde spraakmogelijkheid en kan patiënt geen woorden meer uitspreken, hoewel hij ze wel kan bedenken. Hij begrijpt dan wel wat iemand tegen hem zegt, maar kan geen zinnig antwoord geven. Men spreekt dan van motorische afasie. Als iemand niet meer begrijpt wat er wordt gezegd en ook geen zinnig antwoord meer kan geven, is er sprake van een gemengde afasie. De logopedist zal proberen de patiënt het spraak- en taalbegrip weer bij te brengen. Dat vergt veel oefenen en heel veel geduld. Mocht het niet succesvol zijn, dan kunnen bepaalde spraakhulpmiddelen worden uitgeprobeerd om toch te kunnen communiceren. Omdat de logopedist zo veel kennis heeft van de spieren van mond en keelholte, is hij ook de eerst aangewezene om te worden ingeschakeld bij slikproblemen.

Maatschappelijk werk

De maatschappelijk werkende zal de patiënt begeleiden, zowel voor materiële als niet-materiële zaken die samenhangen met het ziektebeeld. In de begeleiding voor materiële zaken werkt de maatschappelijk werkende vaak samen met de ergotherapeut inzake aanpassingen en voorzieningen. Daarbij neemt de ergotherapeut het technische deel voor zijn rekening en de maatschappelijk werkende het deel dat over machtigingen en regelgeving gaat. Ook kan de maatschappelijk werkende bemiddelen tussen patiënt en bijvoorbeeld gemeente of woningbouwverenigingen als het over betaling van allerlei voorzieningen gaat. Ook in de begeleiding in immateriële zin is er een overlapping tussen het werk van de maatschappelijk werkende en dat van de psycholoog. Meestal bestaan plaatselijke afspraken over wie welk deel van de begeleiding voor zijn rekening neemt.

Orthopedagogie

De orthopedagoog heeft zijn of haar werkterrein in de kinderrevalidatie, waar hij een begeleidende rol vervult voor patiënt en diens ouders. Binnen het team van behandelaars zal hij vaak aangeven wat de beste benaderwijze van patiënt is in bepaalde situaties. Hij kan ook adviseren over het onderwijs voor patiënt.

Psychologie

De psycholoog heeft een begeleidende taak voor de patiënt en diens omgeving. Die begeleiding vindt vooral plaats op het gebied van immateriële zaken. Daarnaast kan de psycholoog een patiënt testen op diens verstandelijke vermogens, met name wat geheugenfunctie, leerbaarheid en trainbaarheid betreft. Psychologen kunnen ook de overige therapeuten van advies dienen over hoe in bepaalde situaties te handelen of hoe met patiënten met specifieke problemen om te gaan.

Sporttherapie

De sporttherapeut neemt meestal een specifiek deel van de fysieke training van de patiënt voor zijn of haar rekening. Dat kan bijvoorbeeld de rolstoeltraining zijn, maar ook meer op sport georiënteerde zaken, zoals rolstoeltennis, zitvolleybal, atletiek of skiën voor gehandicapten.

Aan de hand van het revalidatieprogramma wordt de patiënt vaak meermalen per week behandeld door een of meer van de bovengenoemde therapeuten. Daarbij moet ervoor worden gezorgd dat de therapieën elkaar niet tegenwerken en dat geen zaken worden geoefend die later geen nut voor de patiënt blijken te hebben.

Medische encyclopedie

Samenwerking van verschillende therapievormen met als doel de optimale revalidatie van de patiënt te bereiken

De coördinatie van de diverse therapieën in het revalidatieteam is van het grootste belang. Onder leiding van de revalidatiearts komen daarom, meestal wekelijks, de verpleegkundigen en de therapeuten die een bepaalde patiënt behandelen bij elkaar om de vorderingen van de patiënt te bespreken. Aan de hand van de resultaten wordt tijdens zo’n bespreking het revalidatieprogramma zo nodig bijgesteld, uitgebreid of ingekrompen, tot het optimale programma is bereikt. De patiënt wordt dan optimaal behandeld tot de revalidatiedoelen zijn bereikt.

Tijdens de behandeling vinden ook periodieke controles op het spreekuur van de revalidatiearts plaats, waarbij de resultaten van de behandeling worden besproken. De patiënt kan zijn eventuele wensen kenbaar maken en de revalidatiearts kan er alsnog voor zorgen dat die wensen worden gehonoreerd.

Technische hulpmiddelen

De revalidatiearts kan ook met technici van buiten het team samenwerken om een patiënt te helpen. Dat betreft dan een orthopedisch instrumentmaker of een orthopedisch schoenmaker. Een orthopedisch instrumentmaker maakt beugels, prothesen en korsetten. Meestal is er een gemeenschappelijk spreekuur van de revalidatiearts en de instrumentmaker die samen de patiënten zien die een dergelijk hulpmiddel nodig hebben. In onderling overleg met de patiënt wordt dan het juiste hulpmiddel gekozen. Zodra dit hulpmiddel is vervaardigd, komt de patiënt op dit gemeenschappelijk spreekuur terug en wordt bekeken of het juiste hulpmiddel is gemaakt en of het de hulp biedt die nodig is.

Voor de orthopedisch schoenmaker geldt hetzelfde. Ook deze heeft vaak een gemeenschappelijk spreekuur met de revalidatiearts waarop in onderling overleg wordt vastgesteld welke schoenaanpassing de patiënt nodig heeft. Ook in dat geval komt de patiënt op het spreekuur terug als de schoenen ‘in de pas’ klaar zijn.

Behandelprotocollen

Ook in de revalidatiegeneeskunde bestaan behandelprotocollen en -richtlijnen, die als leidraad voor de op te stellen revalidatieprogramma’s dienen. De aard en omvang van het terrein dat de revalidatiegeneeskunde bestrijkt, maakt het echter onmogelijk alles in richtlijnen vast te leggen. De revalidatiearts zal namelijk bij het opstellen van het revalidatieprogramma rekening moeten houden met de individuele wensen van de patiënt en daarnaast met diens omstandigheden. Het maakt nogal verschil of iemand alleen woont of samenwoont met een partner die nog gezond is en de patiënt zo nodig de helpende hand kan bieden. In dit laatste geval zal de behandeling vaak sneller poliklinisch kunnen plaatsvinden en zijn misschien minder aanpassingen en voorzieningen nodig, wat de duur van de klinische revalidatiebehandeling kan bekorten.

Verdere informatie over revalidatiegeneeskunde is te vinden op de site van de Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen: vra.artsennet.nl. Daar zijn ook veel links te vinden naar andere sites op het gebied van handicap en revalidatie. Op de site van Revalidatie Nederland (www.revalidatie.nl) zijn de adressen van de revalidatiecentra in Nederland te vinden.

Oefentherapie Cesar en Mensendieck zijn methoden die gericht zijn op de behandeling en voorkoming van klachten die het gevolg zijn van een onjuist houdings- en bewegingspatroon, al dan niet veroorzaakt door een bepaalde afwijking of ziekte. Bijvoorbeeld voor mensen die hun rug hebben overbelast door verkeerd tillen of verwaarlozing van hun buikspieren. De basisgedachte van deze therapieën is dat mensen hun verkeerde houding afleren en nieuwe goede houdings- en bewegingsgewoonten aanleren.

Medische encyclopedie

Inzicht krijgen in de algehele geestelijke en lichamelijke conditie van de patiënt om een revalidatieprogramma vast te kunnen stellen

De revalidatiegeneeskundige behandeling begint met een bezoek van de patiënt aan het spreekuur van de revalidatiearts in een ziekenhuis of revalidatiecentrum of met een consult door de revalidatiearts op een verpleegafdeling in een ziekenhuis. De revalidatiearts wordt bij zo’n consult door de eerste behandelaar van de patiënt (meestal een neuroloog, internist, chirurg of orthopeed) gevraagd om de patiënt mee te beoordelen op de specifieke revalidatiegeneeskundige aspecten. Hierbij kan de ontslagbestemming, dat wil zeggen waar gaat de patiënt naar toe als hij uit het ziekenhuis wordt ontslagen, een belangrijke rol spelen.

Bij zo’n eerste consult krijgt de revalidatiearts niet alleen te maken met de boven al genoemde ziektebeelden, maar ook met klachten van pijn en bewegingsbeperking in tal van gewrichten en spieren, bijvoorbeeld nekklachten, rugklachten, schouderklachten, heupklachten en knieklachten, maar ook bijvoorbeeld tenniselleboog, enkelverstuiking en pols-, hand- en voetklachten. Na het afnemen van de revalidatieanamnese, waarin naast het ziektebeeld ook de zelfverzorging, de woonomstandigheden, het gezin, het werk, het vervoer en het psychisch welbevinden aan de orde komen, volgt een uitgebreid lichamelijk onderzoek. Hierbij ligt de nadruk op de beweeglijkheid van de gewrichten en de werking van de spieren, pezen en zenuwen. Dit onderzoek kan worden aangevuld met bloedonderzoek en met het maken van röntgenfoto’s of het gebruik van andere beeldvormende technieken (echografie, CT-scan, MRI). Ook kan gebruik worden gemaakt van andere specifieke onderzoeken, zoals EEG en EMG.

De revalidatiearts kan met al deze gegevens inzicht krijgen in de problemen van de patiënt en in zijn of haar mate van functioneren, zowel fysiek, psychisch als maatschappelijk.

Revalidatiedoelen en behandelplan

De revalidatiearts, die de problemen van de patiënt in kaart heeft gebracht en een indruk heeft gekregen van zijn fysiek, psychisch en maatschappelijk functioneren, gaat, samen met de patiënt, de revalidatiedoelen opstellen. Daarbij speelt de uitgangswaarde – dat wil zeggen hoe de patiënt voor de ziekte of het ongeval functioneerde – een belangrijke rol. Natuurlijk wordt ook rekening gehouden met eventuele wensen van de patiënt over veranderingen die zullen optreden omdat hij door de opgelopen beperkingen niet meer zo kan functioneren als voorheen.

Omdat de revalidatiedoelen de totale patiënt betreffen, zijn er revalidatiedoelen mogelijk op het gebied van het lichamelijk functioneren, de zelfverzorging, de communicatie, het maatschappelijk en het psychisch functioneren. Aan de hand van de revalidatiedoelen wordt het revalidatieprogramma opgesteld. Eigenlijk is dat programma een voortdurend antwoord op de steeds terugkerende vraag: op welke manier en met behulp van welke soort therapie kan het behandeldoel worden bereikt? Zo ontstaat een programma waarin de revalidatiearts aangeeft welke therapeutische discipline moet worden ingeschakeld bij de revalidatiegeneeskundige behandeling van de patiënt en wat de betreffende therapeut moet doen.

De revalidatiegeneeskundige behandeling is dus geen solistische bezigheid van een revalidatiearts, maar het werk van een revalidatieteam. Zo’n revalidatieteam kan, naast de revalidatiearts, bestaan uit verpleegkundigen en diverse therapeuten, zoals arbeidstherapeuten, bezigheidstherapeuten, ergotherapeuten, fysiotherapeuten, logopedisten, maatschappelijk werkenden, psychologen/orthopedagogen en sporttherapeuten. Aan de hand van het revalidatieprogramma wordt per patiënt vastgesteld welke disciplines in zijn behandelteam nodig zijn.

Medische encyclopedie

Een revalidatiegeneeskundige behandeling wordt gegeven bij problemen die het gevolg zijn van afwijkingen aan het houdings- en bewegingsapparaat of de besturingsmechanismen daarvan. De behandeling heeft als doel de patiënt zo zelfstandig mogelijk verder te laten leven.

Deze behandeling vindt vaak plaats tijdens de herstelperiode na een ziekte of letsel of bij een afwijking die al sinds de geboorte bestaat. De revalidatiegeneeskundige behandeling begint meestal tijdens de opname in het ziekenhuis en wordt daarna voortgezet in een revalidatiecentrum of poliklinisch in het ziekenhuis. Ook kunnen patiënten door bijvoorbeeld de huisarts of door een andere specialist rechtstreeks naar de revalidatiearts worden verwezen voor revalidatiegeneeskundige diagnostiek en behandeling.

Revalidatiegeneeskundige behandeling wordt vaak gegeven bij bijvoorbeeld CVA, MS, spierziekten, dwarslaesie, verlammingen, amputaties, hersenkneuzing, reumatoïde artritis, brandwonden, na een ongeval of bij ontwikkelingsstoornissen bij kinderen en verder bij pijn en bewegingsbeperking in spieren en gewrichten.

Hulp bij herstel
Revalidatietechnieken zijn beschikbaar voor het verminderen van pijn, het versnellen van het genezingsproces en het herwinnen van zelfstandigheid na letsel of ziekte.
Hulp bij herstel

U bevindt zich hier: