Bloedonderzoek

Artikelen over bloedonderzoek

Zwangerschap en bloedonderzoek

Patiëntenbrief

Bloedonderzoek in het begin van de zwangerschap

Aan het begin van uw zwangerschap wordt er bloed afgenomen voor onderzoek. Er wordt gecontroleerd of u geen bloedarmoede heeft. Een aantal kenmerken van uw bloed wordt bepaald (bloedgroep en rhesus-D-factor). We kijken of u bepaalde infecties heeft doorgemaakt en of u antistoffen in uw bloed heeft die schadelijk kunnen zijn voor de baby. Door uw bloed te onderzoeken kunnen we tijdig maatregelen nemen om eventuele nadelige gevolgen voor het kind te voorkomen. Er wordt alleen bloed afgenomen met uw toestemming. Wanneer u eventueel bepaalde onderdelen van het bloedonderzoek niet wilt laten doen, dan kunt u dat aangeven. De uitslag van het onderzoek krijgt u tijdens het volgend spreekuurbezoek, tenzij dit anders met u is afgesproken.

naar boven

Wat wordt er bij elke zwangere in het bloed onderzocht?

Hemoglobinegehalte

Hemoglobine (Hb) is de kleurstof van de rode bloedcellen. Hemoglobine bevat ijzer. Tijdens de zwangerschap kan het hemoglobinegehalte (en ijzer) van uw bloed dalen. Als het hemoglobinegehalte te laag is, spreken we van bloedarmoede. U krijgt dan meestal ijzertabletten.

Bloedgroep

Er wordt bekeken welke bloedgroep u heeft: A, B, AB of O. Bij de bevalling verliest elke vrouw bloed, de een wat meer dan de ander. De kans is klein dat u extra bloed nodig heeft via een bloedtransfusie. In dat geval wordt altijd eerst gecontroleerd of het transfusiebloed wel goed bij uw eigen bloed past.

Rhesus-D-factor

De rhesus-D-factor is een natuurlijke stof die bij vier op de vijf mensen in het bloed zit. Dit is erfelijk bepaald. Iemand met die factor in het bloed noemen we ‘rhesus-D-positief’. Heeft u die factor niet, dan bent u ‘rhesus-D-negatief’ en is het volgende van belang:

Tijdens de zwangerschap en de bevalling kan er wat bloed van de baby in uw eigen bloed terechtkomen. Dat is geen probleem als uw kind ook rhesus-D-negatief is. Maar als uw baby rhesus-D-positief is, kan uw bloed antistoffen tegen het bloed van uw baby gaan maken. In dat geval kunnen er bij (deze of) een volgende zwangerschap met een rhesus-D-positieve baby problemen ontstaan. Die antistoffen kunnen via de navelstreng in het bloed van uw (volgende) baby komen en het bloed afbreken. De (volgende) baby kan hierdoor bloedarmoede krijgen. ,In de dertigste week van uw zwangerschap wordt uw bloed opnieuw onderzochtop antistoffen tegen het bloed van uw baby. Een paar dagen later krijgt u een injectie die ervoor zorgt dat uw bloed minder of geen antistoffen aanmaakt.

Na de bevalling wordt ook het bloed van uw baby onderzocht. Als hij of zij inderdaad rhesus-D-positief is, krijgt u weer een injectie die de vorming van antistoffen tegenhoudt. Dit geeft, zoals gezegd, bescherming tegen afbraak van het babybloed bij een eventuele volgende zwangerschap.

Andere antistoffen

Voor alle zwangeren geldt dat er bij een eerdere zwangerschap of bij een bloedtransfusie ook andere antistoffen kunnen zijn aangemaakt. Deze antistoffen kunnen de gezondheid van de baby benadelen: de kans bestaat dat ze via de navelstreng het bloed van de baby bereiken en afbreken. Indien deze antistoffen in het begin van de zwangerschap in uw bloed zijn gevonden, wordt uw bloed verder onderzocht tot duidelijk is welke dit precies zijn.

Hepatitis-B

Hepatitis B is een infectieziekte van de lever. Het wordt veroorzaakt door het hepatitis-B-virus. Veel mensen worden er ziek van (geelzucht, koorts), sommige mensen merken niet dat ze de infectie hebben. Na de infectie blijven sommigen het hepatitis-B-virus bij zich dragen. We noemen hen ‘drager’. Ze zijn niet ziek maar wel besmettelijk voor anderen. Wanneer een draagster van het virus zwanger is, ondervindt de baby geen schade tijdens de zwangerschap. Wel kan de baby bij de geboorte besmet raken met het hepatitis-B-virus en ook een leverontsteking krijgen. Daarom wordt uw bloed in het begin van de zwangerschap nagekeken. Bent u draagster van het hepatitis B virus, dan krijgt uw baby binnen twee uur na de geboorte een injectie met hepatitis-B-immunoglobuline. Dit middel zorgt er voor dat de baby niet ziek wordt.

Lues (syfilis)

Lues is een seksueel overdraagbare aandoening (een soa), veroorzaakt door een bacterie. Het is een infectie die lange tijd onopgemerkt kan blijven. In het begin van de zwangerschap kan de bacterie nog niet in het bloed van de baby terechtkomen, later wel. Daarom is het van belang dat lues tijdig wordt ontdekt. Zo nodig krijgt u medicijnen (antibiotica). Daarna is uw baby veilig.

HIV

HIV is een virus dat de ziekte aids veroorzaakt. HIV kan worden overgedragen via besmet bloed (bijvoorbeeld door gemeenschappelijk gebruik van naalden) of door onveilig te vrijen met iemand die met HIV is besmet.

HIV-besmetting kan met bloedonderzoek worden vastgesteld. In het zeldzame geval dat een moeder is besmet met HIV, kan de baby tijdens de bevalling of via borstvoeding ook besmet raken. Om dat te voorkomen is het zinvol om aan het begin van de zwangerschap een HIV-test te doen. We kunnen de kans op besmetting van de baby verkleinen door een moeder met HIV al tijdens de zwangerschap medicijnen te geven. Verder kunnen maatregelen als een keizersnede en het niet geven van borstvoeding, besmetting van de baby eventueel voorkomen.

naar boven

Wat wordt er bij sommige zwangeren in het bloed onderzocht?

Rodehond

Het rodehond-virus kan tijdens de zwangerschap afwijkingen bij de baby geven. Wanneer u vroeger rodehond heeft gehad of er tegen bent ingeënt (vrouwen die na 1964 zijn geboren), dan heeft u antistoffen en is uw baby veilig. Uw bloed hoeft dan niet op rode hond te worden onderzocht. Weet u niet zeker of u rodehond heeft gehad of hiertegen bent ingeënt, dan kan uw bloed worden onderzocht. Als blijkt dat u de antistoffen niet heeft, dan is het verstandig om uit de buurt te blijven van kinderen (of volwassenen) die mogelijk rodehond hebben (koorts, vlekjes). Na de bevalling kunt u zich alsnog laten inenten. Bij een eventuele volgende zwangerschap bent u dan veilig.

naar boven

Hoe gaat het verder?

Wanneer uw bloed goed is, zijn er verder geen maatregelen nodig. Soms wordt gedurende de verdere zwangerschap het bloed nog af en toe gecontroleerd op hemoglobine.

naar boven

Heeft u nog vragen?

Als u na het lezen van deze brief nog vragen heeft, kunt u daar bij een volgend contact op terugkomen.

naar boven

Medische encyclopedie

De meeste chemische analyses op bloed en urine worden door een apparaat uitgevoerd dat een hele reeks stoffen kan meten. Bij de meeste chemische testen van bloed worden eerst alle bloedcellen verwijderd en wordt het overgebleven plasma geanalyseerd. Het monster wordt met een chemische stof gemengd, waardoor de kleur afhankelijk van de hoeveelheid van de stof in het monster verandert. Het apparaat meet dan de kleurintensiteit.

Het onderzoek
Men plaatst verschillende buisjes met een monster samen in het apparaat. Van ieder monster wordt een heel klein beetje in een dun buisje gezogen en gemengd met een kleurstof. Door de mengsels wordt licht gestraald dat aan de andere kant wordt geanalyseerd.
Het onderzoek
  1. Monitor
  2. Uitdraai van de resultaten
  3. Kleurensensor
  4. Monster
  5. Analist

Medische encyclopedie

Kleine hoeveelheden bloed die kunnen worden getest op een groot aantal aandoeningen

Het afnemen van een buisje bloed (een bloedmonster) is een veelgebruikte medische procedure en wordt vaak uitgevoerd voor het stellen van een diagnose. Uit verschillende bloedbepalingen, zoals de lever- of nierfunctie, kan de arts uw algemene gezondheidstoestand afleiden. Ook kan hij hiermee zoeken naar risicofactoren die met ziekten verband houden. Zo kan bijvoorbeeld uw cholesterolgehalte worden bepaald, dat een risicofactor is voor atherosclerose (vernauwingen van de bloedvaten).

Enkele eenvoudige testen, zoals het meten van het bloedsuikergehalte, kunnen in het huisartsenlaboratorium worden uitgevoerd. Ingewikkeldere bepalingen worden in een ziekenhuislaboratorium gedaan. Hier kan worden gekeken naar micro-organismen en kan genetisch onderzoek worden uitgevoerd. Ook kan worden gekeken naar de verschillende soorten en aantallen bloedcellen en hun functie.

Bloed kan uit verschillende bloedvaten worden afgenomen: uit aders, uit haarvaten, en onder bijzondere omstandigheden uit een slagader. De plaats waar dit gebeurt, hangt af van de benodigde hoeveelheid en het doel van de test. Bloed wordt meestal afgenomen door een arts, een verpleegkundige of een medewerker van het laboratorium. In sommige omstandigheden kan het nodig zijn dat u bij uzelf een beetje bloed afneemt. Zo kunnen mensen met diabetes mellitus leren hoe ze thuis met een druppel bloed uit een vingerprik hun suikerspiegel kunnen bepalen.

Bloed uit een ader

De meeste bloedmonsters worden uit een ader afgenomen met een holle naald die verbonden is met een buis, zakje of injectiespuit die vacuüm wordt getrokken. Meestal wordt de ader aan de binnenkant van de elleboog gebruikt (zie Het afnemen van een bloedmonster), bij kleine kinderen vaak een ader in de hand of voet. Hierbij kan een plaatselijk verdovende spray worden gebruikt om de pijn te verzachten. Voor de meeste testen zijn maar enkele milliliters bloed nodig, van baby’s en kleine kinderen meestal nog minder.

Bloed uit een haarvat

Als slechts een of twee druppeltjes bloed nodig zijn, kan met een steriel mesje, een lancet, een gaatje worden geprikt in een vingertop, of in de hiel bij een baby. Hieruit kan een druppeltje bloed worden geperst.

Bloed uit een slagader

Als de hoeveelheden zuurstof en kooldioxide in het bloed moeten worden gemeten, die op de ernst van een longziekte kunnen duiden, wordt een bloedmonster afgenomen van een slagader in de pols of lies (zie Het meten van gassen in het bloed). Deze procedure wordt gewoonlijk door een arts uitgevoerd. Hierbij kan plaatselijke verdoving worden toegepast.

Medische encyclopedie

Bloedmonsters kunnen worden gebruikt om een groot aantal aandoeningen op te sporen. Bij volwassenen wordt het bloed gewoonlijk uit een ader aan de binnenkant van de elleboog afgenomen. Het bloed wordt met behulp van een holle naald opgezogen en in een of meer buisjes opgevangen, afhankelijk van de uit te voeren testen. Daarvoor wordt het bloed gewoonlijk naar een laboratorium gestuurd. Als het bloed is afgenomen, moet de ader worden dichtgedrukt om bloeden te voorkomen.

De procedure
De huid boven de ader wordt schoongemaakt. Dan wordt een holle naald in de ader geprikt en bloed afgezogen in een vacuüm buisje.
De procedure
  1. TOURNIQUET: Rond de arm boven de ader wordt een tourniquet aangebracht waardoor de ader opzwelt
  2. SPUIT: Het bloed wordt afgezogen in een vacuüm buisje

IN DE ADER

In de ader
  1. Huid
  2. Vetweefsel
  3. Naald
  4. Ader
  5. Spier
  6. Aderwand

Medische encyclopedie

Het meten van een groot aantal stoffen in een bloedmonster om het functioneren van organen of stelsels te beoordelen

De cellen van de organen wisselen met het bloed voedingsstoffen, afvalstoffen en allerlei andere moleculen uit waarmee ze in contact staan met hun omgeving. Als cellen en organen niet goed functioneren, kunnen in de hoeveelheden hiervan afwijkingen ontstaan. Met bloedonderzoek kan men dit opsporen; men bepaalt de hoeveelheid van bepaalde eiwitten, enzymen, zouten (natrium, kalium, calcium, enzovoort), vetten, vitaminen en hormonen in het bloed, waaruit men vervolgens kan opmaken welke cellen niet normaal functioneren. Deze testen worden in het laboratorium meestal machinaal uitgevoerd (Analyse van bloed en urine). Meestal worden meerdere testen tegelijk aangevraagd omdat een enkele test vaak te weinig informatie geeft, maar uit de combinatie van gegevens kan worden afgeleid waar de storing zit.

Redenen voor het onderzoek

Soms doet men bloedonderzoek als onderdeel van een algemeen onderzoek of als de huisarts of specialist bepaalde symptomen laat onderzoeken. Men doet ze om afwijkende hoeveelheden van bepaalde stoffen op te sporen, waardoor men een diagnose kan bevestigen of het verloop van een behandeling kan nagaan.

De soorten testen

In het bloed zitten vele honderden chemische stoffen die in het laboratorium kunnen worden bepaald, maar heel vaak wordt screenend onderzoek gedaan naar lever- en nierfunctie en naar de vetstofwisseling (cholesterol) en wordt het schildklierhormoon bepaald. De geautomatiseerde testen zijn gebaseerd op kleurreacties: de te bepalen stof wordt gebonden aan een kleurstof, waardoor deze van kleur verandert. De hoeveelheid kleur is een maat voor de concentratie. Hormonen komen in een zeer lage concentratie (duizend tot een miljard maal lagere concentratie dan bijvoorbeeld glucose) in het bloed voor. Om ze toch te kunnen meten worden ze eerst door antilichamen gebonden, die hierdoor vervolgens licht gaan uitzenden (luminescentie zoals bijvoorbeeld in het vuurvliegje gebeurt) of radioactiviteit, waardoor de hormonen kunnen worden gemeten.

Testen op nieraandoeningen

De voornaamste functie van de nieren is het filteren van bloed en het uitscheiden van te veel water, zouten en afvalstoffen (ook geneesmiddelen) in de urine. De nieren houden het vloeistofgehalte in het lichaam constant door de hoeveelheden water en zouten die worden uitgescheiden, aan te passen. De nierfunctie wordt bepaald aan de hand van de hoeveelheden afvalstoffen, zoals ureum en creatinine en opgeloste zouten in het bloed. Als deze boven de normale waarden liggen, kan er sprake zijn van een nieraandoening.

Creatinine is een afvalstof van de spieren en wordt ook door de nieren met de urine meegegeven. Of de nieren het bloed goed filteren, is af te leiden uit de hoeveelheid creatinine in het bloed. Bij een slechte nierfunctie is er te veel creatinine in het bloed en te weinig in de urine.

Bij onderzoek naar nieraandoeningen onderzoekt men ook de hoeveelheden opgeloste zouten, de zogenoemde elektrolyten, zoals kalium, natrium en chloor. De nieren reguleren de concentraties van deze stoffen in het bloed door bepaalde hoeveelheden aan de urine af te geven. Vooral het meten van de concentratie kalium in het bloed is belangrijk omdat een afwijkende hoeveelheid kan leiden tot hartritmestoornissen als deze niet wordt gecorrigeerd.

Testen op leveraandoeningen

Als de levercellen beschadigd zijn, kunnen grote hoeveelheden enzymen, zoals ALAT, ASAT, gamma-GT en alkalisch fosfatase, in het bloed voorkomen; dit kan wijzen op onder meer hepatitis A (meest voorkomend), B of C, of op overmatige alcoholconsumptie. Het meten van de concentraties enzymen behoort tot de meest gebruikte onderzoeken naar het functioneren van de lever.

Bij andere leverfunctietesten kijkt men naar de hoeveelheden van stoffen die de lever behoort af te breken, of naar eiwitten die de lever moet aanmaken. Bij een dergelijke test wordt de hoeveelheid bilirubine gemeten, een stof die wordt gevormd als rode bloedcellen te gronde gaan en door de lever in de gal worden afgescheiden. Een hoge concentratie bilirubine kan duiden op een leverstoornis of op blokkades in de afvoer van de gal, bijvoorbeeld door galstenen (zie Geelzucht). Het bilirubinegehalte kan ook verhoogd zijn als het bloed te snel wordt afgebroken. Het meten van de concentratie stollingsfactoren, met name factor V (Bloedstollingsonderzoek), of van albumine, een ander product van de lever, is een belangrijke methode om sluipende leveraandoeningen op te sporen, omdat de symptomen daarvan vaak pas verschijnen als de schade onherstelbaar is (zie Levercirrose). Een verlaagd albumine kan ook ontstaan door verlies bij chronische darmontstekingen of ernstige nierbeschadigingen. De combinatie van afwijkingen is van belang voor de diagnose, niet één enkele testafwijking.

Testen op (hart)spieraandoeningen

Met deze testen kan men stoffen opsporen die vrijkomen als spieren, waaronder het hart, zijn aangetast. Als een gewone spier beschadigd is, komt het enzym creatinekinase (CK) in het bloed. De resultaten van deze test kunnen duiden op een groot aantal spierziekten, van een gescheurde spier tot spierdystrofie. Voor het stellen van de definitieve diagnose zijn deze testen dus nauwelijks bruikbaar. Een bepaald type CK komt echter alleen in de hartspier voor, en de meting daarvan kan uitwijzen of een hartaanval (zie Hartinfarct) heeft plaatsgevonden. De hoeveelheid bereikt ongeveer 24 uur na de hartaanval het hoogtepunt en blijft drie dagen lang op dat niveau.

Een andere stof die kan worden gemeten, is troponine, een eiwit dat alleen in de hartspier voorkomt en alleen in de bloedbaan terechtkomt als de hartspier beschadigd is. Omdat troponine al een paar uur na de hartaanval in het bloed te meten is, kan de test worden gebruikt voor een snelle bevestiging van de hartaanval. De hoeveelheid troponine is evenredig met de ernst van de beschadiging aan de hartspier.

Testen op botmineralen

Calcium en fosfaat zijn componenten van de botten, en een heel klein beetje ervan wordt in het bloed gevonden. De mineralen worden constant uitgewisseld tussen botten en bloed. Deze uitwisseling wordt gereguleerd door het bijschildklierhormoon en vitamine D. Hierbij is een goede nierfunctie essentieel.

Een hoge concentratie van deze mineralen kan wijzen op uiteenlopende ziekten zoals botkanker en overactiviteit van de bijschildklier (Hyperparathyreoïdie). Behalve het meten van calcium en fosfaat in bloed en urine, wordt ook de hoeveelheid van het enzym alkalisch fosfatase (AF) gemeten. Een hoge concentratie hiervan wordt in verband gebracht met het afbreken en versneld weer opbouwen van botweefsel, zoals bij de ziekte van Paget. Voor de diagnose van osteoporose (Osteoporose) is er echter geen goede biochemische test en zijn de resultaten van de calcium-, fosfaat- en AF-metingen te onbetrouwbaar.

Medische encyclopedie

Onderzoek om afwijkingen in aantal of structuur van bloedcellen vast te stellen

In het bloed komen drie typen cellen voor: rode bloedcellen die hemoglobine bevatten (een pigment dat zuurstof transporteert), witte bloedcellen die het lichaam helpen bij de bestrijding van ziekten, en bloedplaatjes, kleine cellen die een rol spelen bij de stolling.

Wat onderzoekt men precies?

Van elk van de drie typen cellen worden, in een klein volume bloed, de aantallen geteld, de gemiddelde doorsnede bepaald en de vorm beoordeeld. Dit gebeurt door automaten die binnen een paar minuten ongeveer 10.000 cellen kunnen tellen en beoordelen. Handmatig tellen van cellen in telkamers met behulp van een microscoop gebeurt niet veel meer. Het beoordelen van de vorm van de cellen kan door hetzelfde apparaat worden uitgevoerd, maar bij sterk afwijkende vormen, zoals bij leukemie, wordt dit nog handmatig uitgevoerd. Een druppeltje bloed wordt op een glasplaatje uitgesmeerd en onder een microscoop bekeken (bloeduitstrijkje).

Bloedcellen tellen

Elke milliliter bloed bevat ongeveer drie tot vijf miljard rode cellen, vier tot tien miljoen witte cellen en iets minder dan een half miljard bloedplaatjes. De witte bloedcellen zijn nog verder onder te verdelen, bijvoorbeeld in neutrofielen en lymfocyten. Deze aantallen cellen worden bepaald door de hematologieautomaten. Tevens worden bepaald de fractie van het totale bloedvolume dat wordt ingenomen door de rode cellen, de zogenoemde hematocrietwaarde, en de hoeveelheid van het zuurstoftransporterend eiwit, de hemoglobineconcentratie.

Als het aantal rode bloedcellen of de hemoglobineconcentratie lager is dan normaal, spreekt men van bloedarmoede. De gemiddelde omvang van de rode bloedcellen kan een aanwijzing zijn voor de oorsprong van de bloedarmoede, bijvoorbeeld gebrek aan ijzer, vitamine B12 en/of foliumzuur.

Als het aantal witte bloedcellen veel groter is dan normaal, kan de oorzaak daarvan leukemie zijn, een stoornis in het beenmerg waarbij de aanmaak nauwelijks meer wordt geremd (Leukemie). Een minder grote stijging duidt echter meestal op een infectie of ontsteking ergens in het lichaam. Zo kan een toename van de zogenoemde neutrofiele granulocyten wijzen op een bacteriële ontsteking, terwijl een toename van een ander subtype, de lymfocyten, eerder op een virusinfectie wijst.

Als het totale aantal witte bloedcellen lager is dan normaal, kan het immuunsysteem verzwakt zijn. Dit kan onder andere het gevolg zijn van chemotherapie, ondervoeding of een hiv-besmetting, waarbij met name één soort lymfocyten (de T-helpercellen)sterk verlaagd is.

Bloedplaatjes spelen een grote rol in het stoppen van bloedingen door het bloed te helpen stollen. Bij een te laag aantal bloedplaatjes (bij chemotherapie, grootschalige stolling of sterk vergrote milt)ontstaat een bloedingsneiging (Trombocytopenie), wat gemakkelijk kan leiden tot inwendige bloedingen.

Cellen in een bloedmonster
Deze zeer sterke vergroting van een bloedmonster op een glasplaatje laat normale rode en witte bloedcellen zien.
Cellen in een bloedmonster
  1. Rode bloedcellen
  2. Witte bloedcellen

Bloeduitstrijkje

Hierbij wordt een druppeltje bloed op een glasplaatje gesmeerd, waardoor het een dunne film vormt. Met speciale stoffen kleurt men het bloed om de cellen beter zichtbaar te maken. Vervolgens bestudeert men het monster onder de microscoop. Zo kunnen bijvoorbeeld parasieten in het bloed worden ontdekt. Ook spoort men zo cellen met een abnormale vorm op, die niet met de machine kunnen worden gevonden, zoals sikkelvormige rode bloedcellen die kenmerkend zijn voor sikkelcelanemie. Het bloeduitstrijkje is ook voor de diagnose van leukemie noodzakelijk.

U bevindt zich hier:

U gebruikt een verouderde webbrowser, wij raden u aan over te schakelen naar een van onderstaande moderne internetbrowsers.