prenataal onderzoek

Artikelen over prenataal onderzoek

Patiëntenbrief

Wat is prenatale diagnostiek?

Wanneer u zwanger bent komt u regelmatig op de praktijk of bij de verloskundige om te laten controleren of uw kind goed groeit. Uw buik wordt onderzocht en er wordt naar de harttonen van uw kind geluisterd. In de eerste weken van de zwangerschap wordt uw bloed nagekeken en wordt ook een echo gemaakt.

Toch zijn er soms omstandigheden waardoor u een verhoogde kans heeft op een kind met een afwijking, bijvoorbeeld een erfelijke of een aangeboren afwijking.

Wanneer u al tijdens de zwangerschap zeker wilt weten of uw kind een bepaalde erfelijke of aangeboren aandoeningen heeft, kunt u extra onderzoek laten doen. Dit kan met een vlokkentest of een vruchtwateronderzoek. Of met een uitgebreide echo. Deze onderzoeken noemen we prenatale diagnostiek. Ze worden in het ziekenhuis uitgevoerd.

naar boven

Wanneer komt u voor deze onderzoeken in aanmerking?

U kunt deze onderzoeken laten doen als u een verhoogde kans heeft op het krijgen van een kind met een erfelijke of aangeboren aandoening. Bijvoorbeeld:

  • Als uit eerder onderzoek in de zwangerschap (prenatale screening) blijkt dat u een verhoogde kans heeft op een kind met het Downsyndroom of met een lichamelijke afwijking;

  • als u in de 18e zwangerschapsweek 36 jaar of ouder bent. Naarmate u ouder bent neemt de kans op bepaalde afwijkingen bij uw kind toe, bijvoorbeeld de kans op Downsyndroom;

  • als er in uw directe familie of die van uw partner bepaalde erfelijke of aangeboren afwijkingen voorkomen, zoals een open rug, taaislijmziekte of een spierziekte;

  • als u bepaalde medicijnen moet gebruiken die niet gestopt kunnen worden en die schadelijk kunnen zijn voor het kind, bijvoorbeeld sommige medicijnen tegen epilepsie.

naar boven

Wel of geen prenatale diagnostiek?

Wanneer u in aanmerking komt voor prenatale diagnostiek, wordt dit met u besproken en aan u uitgelegd. Wij kunnen adviseren welk onderzoek nodig is om een bepaalde afwijking aan te tonen. U beslist uiteindelijk zelf óf u uw kind wilt laten onderzoeken, en welk onderzoek u wilt laten doen. U mag op ieder moment besluiten het onderzoek te stoppen.

Bij het maken van een keuze spelen de volgende overwegingen mee. Het is belangrijk om hier van te voren over na te denken:

  • Hoe zou u er mee omgaan, als er bij uw kind een afwijking wordt gevonden?

  • Als uw kind een afwijking heeft, wilt u dat dan voor de geboorte al weten, zodat u zich hierop kunt voorbereiden?

  • Bent u bereid onderzoek te laten doen als daardoor de kans op een miskraam toeneemt?

  • Als er een afwijking wordt gevonden is niet altijd duidelijk welke gevolgen dit voor uw kind zal hebben. Het kan betekenen dat u beter in het ziekenhuis kunt bevallen zodat uw kind direct de juiste zorg kan krijgen. Het kan zijn dat de afwijking te behandelen is en dat er mee te leven valt. Bij een ernstige onbehandelbare aandoening kunt u voor de moeilijke keuze komen te staan de zwangerschap te laten afbreken. Wat zijn uw gedachten en gevoelens hierover?

  • De risico’s van een onderzoek, maar ook hoelang het duurt voor de uitslag er is kunnen bepalen of u een onderzoek wel of niet laat doen.

naar boven

Vlokkentest of vruchtwateronderzoek?

Vlokkentest

De vlokkentest kunt u tussen 11 en 14 weken zwangerschap laten doen. Via de vagina (of met een naald die door de buikwand prikt) wordt met een dun tangetje een stukje moederkoek (placenta) uit de baarmoeder weggenomen voor onderzoek. Met een echo-onderzoek bekijkt de dokter waar een stukje moederkoek kan worden weggenomen. De uitslag is binnen twee weken bekend.

Een vlokkentest toont aan of uw kind het Downsyndroom heeft. Afwijkingen, zoals een open rug, kunnen met deze test niet worden aangetoond.

De vlokkentest geeft een iets verhoogde kans op een miskraam. Als 1000 vrouwen een vlokkentest laten doen, krijgen 5 vrouwen daardoor een miskraam.

Na de uitslag van een vlokkentest (in de 13e week) kunt u eventueel nog de zwangerschap laten afbreken als blijkt dat uw kind een ernstige onbehandelbare aandoening heeft. Dat kan door middel van een ‘zuigcurretage’. Uw baarmoeder wordt dan met een dun slangetje via de baarmoedermond leeggezogen. U kunt dezelfde dag weer naar huis.

Vruchtwateronderzoek

Vruchtwateronderzoek kunt u bij ongeveer 16 weken zwangerschap laten doen. Met een lange naald wordt via de buikwand wat vruchtwater uit de baarmoeder opgezogen voor onderzoek. Met een echo-onderzoek bekijkt de dokter waar het vruchtwater kan worden geprikt. De uitslag is na drie weken bekend, in de 19e week van de zwangerschap.

Onderzoek van het vruchtwater toont aan of uw kind een bepaalde erfelijke of aangeboren afwijking heeft, zoals het Down-syndroom of misschien een open rug.

Ook het vruchtwateronderzoek geeft een iets verhoogde kans op een miskraam. Als 1000 vrouwen een vruchtwateronderzoek laten doen, krijgen 3 vrouwen daardoor een miskraam.

Na de uitslag van een vruchtwateronderzoek (in de 19e week) is het eventueel nog mogelijk de zwangerschap te laten afbreken, als blijkt dat uw kind een ernstige onbehandelbare aandoening heeft. U krijgt dan medicijnen via een infuus om de weeën vroegtijdig op te wekken. Hiervoor wordt u enkele dagen in het ziekenhuis opgenomen.

Uitgebreid echoscopisch onderzoek

Bij een echo-onderzoek van uw buik kunnen we uw kindje op een beeldscherm zien.

Een uitgebreid echoscopisch onderzoek in de 20e week van de zwangerschap kan laten zien of uw kind bepaalde aangeboren afwijkingen heeft. Bijvoorbeeld afwijkingen van het centraal zenuwstelsel, de botten, de nieren en het hart. Niet alle afwijkingen kunnen worden gezien.

Een echo-onderzoek geeft geen verhoogd risico op een miskraam.

Na de uitslag van de uitgebreid echo (in de 20e week) is het eventueel nog mogelijk de zwangerschap te laten afbreken, als blijkt dat uw kind een ernstige onbehandelbare aandoening heeft. U krijgt dan medicijnen via een infuus om de weeën vroegtijdig op te wekken. Hiervoor wordt u enkele dagen in het ziekenhuis opgenomen

naar boven

Na de uitslag

Door prenatale diagnostiek kunnen bepaalde erfelijke of aangeboren afwijkingen met zekerheid worden aangetoond of uitgesloten. Als er geen afwijking wordt ontdekt, is de kans dat uw kind gezond is groot. Er blijft een kleine kans bestaan dat uw kind een andere afwijking heeft die niet is ontdekt. Die kans is gelukkig klein.

Als uit het onderzoek blijkt dat uw kind een afwijking heeft, bespreken we wat dit kan betekenen en welke behandeling mogelijk is. Het is belangrijk dat we de tijd nemen uw gedachten en gevoelens te bespreken. Neem uw partner mee naar het spreekuur. Bij een ernstige onbehandelbare afwijking kunt u eventueel voor de keuze komen te staan de zwangerschap te laten afbreken. Waar u ook voor kiest, op de praktijk proberen we u zo goed mogelijk te begeleiden.

naar boven

Meer informatie

Wilt u meer informatie over de onderzoeken en de aandoeningen die door prenatale diagnostiek gevonden kunnen worden, kijk dan ook op www.prenatalescreening.nl.

Op deze site vindt u ook een ‘keuzehulp’. Deze helpt u om uw argumenten voor en tegen prenatale diagnostiek af te wegen.

naar boven

Heeft u nog vragen?

Als u na het lezen van deze brief nog vragen heeft, kunt u daar bij een volgend contact op terugkomen.

naar boven

Patiëntenbrief

Is mijn ongeboren kind gezond?

Wanneer u zwanger bent komt u regelmatig op de praktijk of bij de verloskundige om te laten controleren of uw kind goed groeit: Uw buik wordt onderzocht en er wordt naar de harttonen van uw kind geluisterd. In de eerste weken van de zwangerschap wordt uw bloed nagekeken en wordt ook een echo gemaakt. Op deze echo is bijvoorbeeld te zien of u één kind of een meerling verwacht.

naar boven

Prenatale screening

Wanneer u in de zwangerschap meer te weten wilt komen over uw kind, dan kunt u overwegen extra onderzoek te laten doen. We noemen dit prenatale screening.

Deze onderzoeken laten zien of er bij uw kind een verhoogde kans is op bepaalde afwijkingen. Bijvoorbeeld een verhoogde kans op Downsyndroom of een open rug.

Prenatale screening geeft geen zekerheid over het al dan niet aanwezig zijn van een afwijking. Voor meer zekerheid is verder onderzoek nodig.

Prenatale screening op Downsyndroom (de combinatietest)

Van de duizend zwangere vrouwen krijgen er gemiddeld twee een kind met Downsyndroom. Bij jonge vrouwen (20-25 jaar) is de kans lager (minder dan 1 op de 1000). Naarmate u ouder bent, is de kans op een kind met Down hoger. Bijvoorbeeld meer dan 9 op de 1000 als u 40 bent.

Met de combinatietest kunt u laten onderzoeken hoe groot de kans is dat uw kind het Downsyndroom heeft. Deze test bestaat uit een combinatie van twee onderzoeken:

  • een bloedonderzoek bij u zelf (tussen 9 en 14 weken zwangerschap).

  • en een nekplooimeting bij uw kind (via een echo tussen 11 en 14 weken zwangerschap). 

Prenatale screening op andere afwijkingen

Met een echo rond de 20e week van de zwangerschap kan gekeken worden of uw kind misschien een lichamelijke afwijking heeft, bijvoorbeeld: een open rug of schedel, een waterhoofd, een afwijking aan het hart of aan de nieren. Ook wordt gekeken of uw kind goed groeit en of er voldoende vruchtwater is.

De kans op een kind met een lichamelijke afwijking zoals een open rug is 1 op de 1000.

naar boven

Gunstige uitslag van prenatale screening

Als bij prenatale screening blijkt dat de kans op Downsyndroom klein is en er geen afwijkingen worden ontdekt, dan is dat prettig om te weten. Zekerheid dat uw kind helemaal gezond is, kan het onderzoek niet geven. Er blijft een kleine kans bestaan dat uw kind met het Downsyndroom of een andere afwijking wordt geboren. Die kans is gelukkig erg klein.

naar boven

Ongunstige uitslag van prenatale screening

Als uit prenatale screening blijkt dat de kans op Downsyndroom verhoogd is of als een lichamelijke afwijking wordt ontdekt, dan kan verder onderzoek op een later tijdstip meer zekerheid geven:

  • Bij een verhoogde kans op het Downsyndroom kunt u een vlokkentest of een vruchtwaterpunctie laten doen om het zeker te weten. Bij een vlokkentest wordt een klein stukje weefsel van de moederkoek (placenta) voor onderzoek weggenomen. Bij de vruchtwaterpunctie wordt een beetje vruchtwater onderzocht. Deze zogenaamde vervolgonderzoeken brengen wel risico’s met zich mee: Van de duizend vrouwen die dit onderzoek laten doen, krijgen drie tot vijf vrouwen door het onderzoek een miskraam.

  • Als er bij de 20-weken echo een afwijking wordt gezien, dan is een uitgebreid echo-onderzoek nodig, om meer duidelijkheid te krijgen over de betekenis van de afwijking. Dit onderzoek geeft geen risico op een miskraam.

naar boven

Wel of geen prenatale screening?

Voordat u besluit om prenatale screening te laten doen, is het belangrijk om alvast over deze vragen na te denken:

  • Probeer te bedenken wat het voor u zal betekenen, als er een afwijking wordt gevonden.

  • Als uw kind een afwijking heeft, wilt u dat dan voor de geboorte al weten? Bijvoorbeeld zodat u zich hierop kunt voorbereiden?

  • Als blijkt dat u een verhoogde kans heeft op een kind met Downsyndroom, wilt u dan verder onderzoek laten doen om het zeker te weten?

  • Zou u verder onderzoek laten doen, als daardoor de kans op een miskraam toeneemt?

  • Hoe denkt u over het afbreken van een zwangerschap als uw kind het Downsyndroom heeft of een ernstige onbehandelbare afwijking?

De antwoorden op deze vragen kunnen u helpen bij de keuze om wel of geen prenataal onderzoek te laten doen.

naar boven

Hoe gaat het verder?

Het verhaal van prenatale screening is ingewikkeld en heeft veel uitleg nodig. De keuze is niet eenvoudig. Als u vragen heeft is het belangrijk dat u nog eens komt praten. Uiteindelijk beslist u zelf óf u uw kind wilt laten onderzoeken, en welk(e) onderzoek(en) u wilt laten doen. Wanneer u van gedachten verandert kunt u het onderzoek op elk moment stoppen.

Bij uitzondering kunt u voor de keuze komen te staan om de zwangerschap voortijdig te beëindigen. Voor een zorgvuldige keus heeft u tijd nodig. Probeer de komende week eerst te bedenken wat u wilt en bespreek dit zo mogelijk met uw partner. Waar u ook voor kiest, op de praktijk proberen we u zo goed mogelijk te begeleiden.

naar boven

Meer informatie?

Wanneer u prenatale screening overweegt, wordt dit altijd uitvoerig besproken. U komt daar voor terug naar de praktijk of gaat naar de verloskundige.

Kijk voor meer informatie op www.prenatalescreening.nl. Op deze site vindt u ook een ‘keuzehulp’ prenatale screening. Deze helpt u om uw argumenten vóór en tegen prenatale screening af te wegen.

naar boven

Heeft u nog vragen?

Als u na het lezen van deze brief nog vragen heeft, kunt u daar bij een volgend contact op terugkomen.

naar boven

Encyclopedie over prenataal onderzoek

Medische encyclopedie

Bij een verhoogd risico op een kind met een gen- of chromosoomafwijking, bijvoorbeeld als gevolg van een leeftijd boven 36 jaar, is het mogelijk onderzoek naar een chromosoomafwijking zoals downsyndroom te laten doen. Zo zijn een vlokkentest of vruchtwaterpunctie mogelijk. De vruchtwaterpunctie wordt rond week 16-18 via de buik gedaan. De vlokkentest kan in een eerder stadium zowel via de buik als via de vagina worden gedaan. Ook zijn er kansberekeningstesten die de kans op een kind met downsyndroom aangeven. Voorbeelden hiervan zijn de combinatietest en de tripeltest. De combinatietest bestaat uit een nekplooimeting en bloedonderzoek. De tripeltest bestaat uit bloedonderzoek waarbij drie verschillende hormoonspiegels worden bepaald. Beide kansberekeningstesten geven geen zekerheid over het al dan niet aanwezig zijn van deze aandoening. Ze geven alleen aan dat er een verhoogde kans is. Met vervolgonderzoek kan het dan verder onderzocht worden.

Chromosomen en chromosoomafwijkingen

Chromosomen zijn dragers van erfelijke informatie. Ze bevinden zich in de celkernen die daarmee alle processen in de cel aansturen. Normaal zijn er in iedere celkern 46 chromosomen. Eicellen en zaadcellen bevatten in tegenstelling tot de andere lichaamscellen geen 23 chromosomenparen, maar 23 enkele chromosomen. Na samensmelting van een eicel met een zaadcel bij de bevruchting ontstaat dan weer een mens met 23 chromosomenparen. Bij een chromosoomafwijking is er iets misgegaan bij de vorming van een eicel of zaadcel of bij de samensmelting daarvan. Zo kunnen 47 chromosomen aanwezig zijn in de celkern van de bevruchte eicel. Het meest bekende, en ook het meest voorkomende 'extra' chromosoom is de oorzaak van het Downsyndroom. Hierbij zijn er drie in plaats van twee chromosomen nummer 21. De genen zijn de afzonderlijke erfelijke eigenschappen die op de chromosomen liggen. Bij de mens zijn er dat ongeveer 30.000. Die zijn zo klein, dat ze, in tegenstelling tot de chromosomen, onder de microscoop niet zijn te zien. Ondanks de uitslag ‘het chromosoom onderzoek is normaal’, kan het toch om een erfelijke afwijking gaan. Dat komt omdat men bij genetisch onderzoek alleen gezocht wordt naar erfelijke afwijkingen die worden vermoed of die zo vaak voorkomen dat het de moeite loont daar onderzoek naar te verrichten.

Combinatietest

De combinatietest is een onderzoek tijdens de zwangerschap, waarmee kan worden berekend hoe groot de kans is op een baby met downsyndroom. De test bestaat uit een combinatie van twee onderzoeken: 1. een bloedonderzoek waarbij twee verschillende hormoonspiegels worden bepaald; 2. een echo-onderzoek (nekplooimeting). De beste tijd voor de echoscopie is tussen de 11e-13e week. De bloedafname kan op hetzelfde moment gedaan worden, maar het is beter om dit te doen tussen de 9e-10e week, omdat de resultaten van de test dan eerder bekend zijn en de test gevoeliger is. Net zoals de tripeltest is de combinatietest geen echte diagnostische test. Het is een test die slechts een verhoogde kans aangeeft voor het syndroom van Down. Iedere zwangere die dat wenst kan deze test laten doen. De kans op Down-syndroom hangt sterk samen met de leeftijd van de moeder.

Tripeltest

De tripeltest is een onderzoek tijdens de zwangerschap, waarmee kan worden berekend hoe groot de kans is op een baby met downsyndroom en eventueel ook met een open rug of open schedel. De test bestaat uit een bloedonderzoek waarbij twee verschillende hormoonspiegels worden bepaald: alfa-foetoproteïne (AFP), ß-hCG (human chorionic gonadotrophin) en oestriol. De tripeltest is net als de combinatietest geen echte diagnostische test, maar een kansberekeningstest die slechts een verhoogde kans aangeeft voor het downsyndroom of een open rug of open schedel. De tripeltest wordt aangeboden aan vrouwen die te laat zijn voor de combinatietest. De tripeltest wordt ook wel ‘late bloedtest’ genoemd. Het onderzoek wordt aan alle zwangeren aangeboden rond de 15e zwangerschapsweek.

Vlokkentest

Bij een vlokkentest worden vlokken afkomstig van de rand van de placenta (chorionvilli) onderzocht op een eventuele chromosoomafwijking, zoals het downsyndroom. Het chorion bestaat uit hetzelfde erfelijk materiaal als het embryo. Door een zuigslangetje in te brengen door de baarmoedermond, of via een punctie door de buikwand, kan men vlokken opzuigen. Meestal wordt er zo’n 20-50 milligram weefsel weggenomen, een duizendste deel van de totale hoeveelheid placentaweefsel. De vruchtzak met de foetus (vrucht) wordt niet beschadigd. Deze test wordt meestal rond week 11 uitgevoerd. De kans op een miskraam als gevolg van een vlokkentest is ongeveer 0,5 procent.

Tijdens de ingreep
Een buigzaam slangetje wordt door de baarmoederhals in de baarmoeder ingebracht, begeleid door een echo, en men neemt wat weefsel van de placenta weg. Dit kan ook via de buikwand. Hierbij zijn krampende pijn en bloedverlies na afloop niet ongebruikelijk.
Tijdens de ingreep
  1. Buigzaam slangetje
  2. Blaas
  3. Echotransducer (zendt en ontvangt geluidsgolven)
  4. Echogeluidgolven
  5. Placenta
  6. Baarmoeder
  7. Weefsel wordt weggenomen
  8. Foetus
  9. Baarmoederhals
  10. Vagina

Vruchtwaterpunctie

Een vruchtwaterpunctie (amniocentese) is een punctie (een prik om vocht op te zuigen) door de buikwand en de vruchtvliezen heen, waarbij een beetje (ongeveer 20 ml) vruchtwater wordt opgezogen. De punctie wordt uitgevoerd als er een verhoogde kans bestaat op een chromosoomafwijking (zoals downsyndroom) of een open rug of open schedel. Een vruchtwaterpunctie wordt het liefst vanaf de 16de zwangerschapsweek uitgevoerd. Vóór die tijd is er een grotere kans op een miskraam. De vruchtwatercellen die worden opgezogen zijn cellen afkomstig van de huid en de slijmvliezen van het kind. Hiermee kan onderzoek worden verricht op de chromosomen. Verder kunnen sommige stofwisselingsziekten en het alfafoetoproteïnegehalte (kenmerkend voor onder meer een open ruggetje) in vruchtwater worden aangetoond. Net als de vlokkentest is er een kleine kans op een miskraam (circa 0,3 procent). De uitslag komt na ongeveer 3 weken.

Tijdens de ingreep
Begeleid door een echo prikt de gynaecoloog een naald in de vruchtwaterholte en zuigt vruchtwater op. Het onderzoek kan even pijnlijk zijn.
Tijdens de ingreep
  1. Naald en injectiespuit
  2. Echo-transducer
  3. Echo-geluidsgolven
  4. Placenta
  5. Baarmoeder
  6. Baarmoederhals
  7. Foetus
  8. Blaas
  9. Vruchtwater

RESULTATEN

Chromosoomanalyse
Cellen van vlokkentest of vruchtwaterpunctie worden op chromosoomafwijkingen onderzocht. Deze test laat één extra chromosoom 21 zien, wat duidt op het syndroom van Down.
Chromosoomanalyse
  1. Normaal chromosomenpaar
  2. Extra chromosomenpaar

U bevindt zich hier:

U gebruikt een verouderde webbrowser, wij raden u aan over te schakelen naar een van onderstaande moderne internetbrowsers.