Een kwaadaardig gezwel dat in de borst ontstaat
Borstkanker is een van de meest voorkomende soorten kanker bij vrouwen. In Nederland wordt bij 13.000 (1 : 9) vrouwen per jaar borstkanker vastgesteld. De ziekte komt ook bij mannen voor, hoewel die slechts 1 van de 150-200 borstkankergevallen voor hun rekening nemen. Dit komt neer op zestig tot tachtig mannen per jaar die borstkanker krijgen.
Met het ouder worden neemt het risico op borstkanker toe; elke tien jaar verdubbelt dat risico. Vooral vrouwen ouder dan vijftig krijgen deze ziekte. Onder de dertig jaar komt borstkanker zelden voor (1 : 2500 vrouwen). Het aantal gevallen in Nederland wordt jaarlijks 1 procent hoger. Ondanks deze stijging is het aantal sterfgevallen de afgelopen jaren iets afgenomen; ongeveer een derde van de vrouwen met borstkanker overlijdt aan de ziekte. Deze afname is vermoedelijk te danken aan de verbeterde behandeling en het toegenomen gebruik van mammografie voor screening. Tumoren kunnen in een vroeg stadium worden opgespoord en behandeld. Door screening kan het aantal sterfgevallen door borstkanker bij vrouwen ouder dan vijftig mogelijk verder dalen; dit is nu drie op de tien.
Een kwaadaardige tumor ontwikkelt zich veelal in de melkklieren. Een tumor die in de melkbuisjes begint, kan tot de ziekte van Paget leiden (zie Abnormale tepels). Tumoren kunnen, nog voordat ze worden ontdekt, naar andere organen uitzaaien, zoals de longen of de lever.
De oorzaak van borstkanker is meestal niet duidelijk. Er zijn wel risicofactoren aan te wijzen; vele doen vermoeden dat het vrouwelijk hormoon oestrogeen een belangrijke rol speelt bij het ontstaan en verloop. Vrouwen die hun eerste menstruatie hebben als ze jonger zijn dan elf jaar, of die laat in de overgang raken, lopen een verhoogd risico op borstkanker, waarschijnlijk doordat ze langduriger aan de werking van oestrogene hormonen blootgesteld zijn geweest. Ook het aantal menstruatiecycli vóór de eerste zwangerschap is van belang. Een vrouw die haar eerste kind na haar 30e krijgt, of die kinderloos is gebleven, heeft twee keer zo veel kans op borstkanker als iemand die haar eerste kind op haar 20e krijgt. Borstvoeding geven heeft een beschermende werking.
Overgewicht is een risicofactor, vooral bij oudere vrouwen, omdat vetweefsel het oestrogeengehalte verhoogt. Ook kunstmatig oestrogeen dat in bepaalde hormoonpreparaten zit, kan de vatbaarheid voor borstkanker verhogen. Hoewel tijdens pilgebruik de kans op borstkanker mogelijk iets groter is, verdwijnt dit risico na het stoppen. Vrouwen die na de overgang meer dan vijf jaar hormoonpreparaten gebruiken, lopen ook een groter risico. Bovendien zijn veel tumoren oestrogeengevoelig, en oestrogeen stimuleert de groei van deze tumoren als ze eenmaal zijn ontstaan.
Eén op de tien vrouwen met borstkanker heeft een aangeboren afwijkend gen. Een aantal van deze genen is bekend, zoals de BRCA1-, 2- en 3-genen. Borstkanker met een genetische oorsprong komt vooral voor bij vrouwen tussen de dertig en vijftig, en kan ook mannen treffen. Bij twee of meer naaste familieleden die voor hun 50e jaar borstkanker kregen, of één onder de 35 jaar, is de kans op dragerschap van een van de borstkankergenen groter. Hierop kunt u zich laten testen (zie Tests voor afwijkende genen). Als naaste familieleden na hun 50e borstkanker hebben gekregen, loopt u slechts een gering verhoogd risico. Testen heeft dan geen zin. Goedaardige knobbeltjes geven geen verhoogd risico op borstkanker.
- Risico op borstkanker neemt met het ouder worden toe
- Deze grafiek toont aan dat borstkanker tien keer vaker voorkomt bij vrouwen van 80 jaar dan bij vrouwen van 30 jaar. Na de menopauze is het beloop van borstkanker wel vaak milder.
In het beginstadium heeft borstkanker meestal geen symptomen. Zijn die er uiteindelijk wel, dan doen ze zich meestal in één borst voor:
- een meestal pijnloze knobbel, die oppervlakkig of dieper in de borst zit;
- gerimpelde huid op de plaats van de knobbel, die eruitziet als een sinaasappelschil;
- ingetrokken tepel;
- bloederige afscheiding uit de tepel.
Bij de ziekte van Paget kan het enige symptoom bestaan uit een stukje droge, schilferige huid op de tepel. Hoewel deze symptomen meestal op een goedaardige aandoening duiden, doet u er toch verstandig aan naar uw huisarts te gaan als u merkt dat uw borsten er anders uitzien of anders aanvoelen. Als geen behandeling plaatsvindt, kan borstkanker zich uitbreiden naar lymfklieren en andere organen.
Controleer regelmatig uw borsten (zie Zelf uw borsten onderzoeken) op knobbels of andere afwijkingen. Bevolkingsonderzoek op borstkanker met behulp van mammografie maakt dat men tumoren kan opsporen voor er symptomen zijn. Het is een betrouwbare methode, maar niet alle vroege stadia van kanker worden gevonden, en ook kan er kanker tussen de bevolkingsonderzoeken in ontstaan. Daarom is het verstandig zelf regelmatig, ook na een normaal mammogram, uw borsten te onderzoeken. In Nederland krijgt iedere vrouw tussen de 50 en 75 jaar iedere twee jaar een oproep voor een gratis mammografie: het bevolkingsonderzoek naar borstkanker.
Als u met een knobbeltje of iets dergelijks naar de arts gaat, zal deze een borstonderzoek doen en kijken of de lymfklieren in de oksel vergroot zijn. Als deze een knobbel voelt, of als u andere symptomen van borstkanker hebt, zal er een mammogram of echo worden gemaakt. Uit het knobbeltje neemt de specialist met een naald wat cellen weg (zie Leegzuigen van een knobbel in de borst) die op kankercellen worden onderzocht.
Als de diagnose borstkanker is gesteld, volgt (na het verkrijgen van kankerweefsel door middel van de operatie) verder onderzoek om te kijken of de kanker gevoelig is voor oestrogeen, of er een ‘HER2-neu’-gen (een specifiek eiwit) in aanwezig is, wat de groeisnelheid en de soort cellen zijn en of er uitzaaiingen zijn. Een botscan (zie Radionuclidescan) geeft uitsluitsel over uitzaaiingen in de botten. Dit laatste gebeurt alleen voor gevorderde vormen van borstkanker, omdat dit onderzoek bij vroege vormen vrijwel nooit afwijkingen laten zien. De arts moet namelijk na afloop van de operatie weten of er meerdere behandelingen (gecombineerd) moeten plaatsvinden. De uitslag van dat weefselonderzoek komt ongeveer zes tot zeven dagen na de operatie uit het pathologisch-anatomisch laboratorium. Op dat moment zal de arts u uitvoerig voorlichten over de behandelingen die nodig zijn.
De grootte van het gezwel in de borst, of er uitzaaiingen in de lymfklieren of elders in het lichaam zijn, of de kanker oestrogeengevoelig is, én het HER2-neu-gen vormen de belangrijkste uitgangspunten bij het kiezen van de behandeling. Als de onderzoeken zijn afgerond, zal uw arts de mogelijkheden met u doornemen. Deze bestaan uit opereren, bestralen, chemotherapie, hormoontherapie, immunotherapie of, meestal, een combinatie hiervan. Gesprekstherapie kan u helpen het slechte nieuws te verwerken. Er zijn nog meer aanvullende behandelingen om te zorgen dat u zich beter kunt voelen.
Dit is meestal de eerste stap. Er zijn diverse soorten operaties mogelijk (zie Operatie bij borstkanker).
Als de tumor klein genoeg is om een borstsparende operatie te doen, zal een lumpectomie worden verricht, waarbij de tumor en minimaal 1cm gezond omringend borstklierweefsel worden weggehaald.
In sommige situaties haalt men de hele aangetaste borst weg; dit heet een mastectomie. Sommige vrouwen kiezen hiervoor omdat ze zeker willen weten dat de hele tumor weg is. Medisch onderzoek heeft aangetoond dat dit bij de meeste enkelvoudige, kleinere tumoren niet nodig is, omdat een borstamputatie dan geen betere genezingskansen geeft.
Bij de operatie worden soms ook lymfklieren uit de oksel aan de kant van de aangetaste borst weggehaald. Tegenwoordig gebeurt dat met de schildwachtkliermethode. Met een radioactieve vloeistof en blauwe kleurstof wordt de eerste lymfklier die in verbinding staat met de tumor (schildwachtklier) opgespoord en operatief verwijderd. Is de schildwachtklier schoon, dan hoeven de andere lymfeklieren niet te worden behandeld. Worden er uitzaaiingen in de schildwachtklier gevonden, dan worden ook de andere lymfklieren operatief weggenomen. Als er lymfeklieren in de oksel zijn weggehaald, kan de lymfafvoer uit de arm verstoord raken, waardoor een dikke arm (lymfoedeem) ontstaat. Dit risico kan door toepassen van de schildwachtkliermethode worden beperkt, zeker als blijkt dat de andere klieren schoon zijn.
Uw borst zal er door de operatie anders uitzien. Na een mastectomie kiezen sommige vrouwen voor een borstreconstructie, die tegelijkertijd of later kan worden uitgevoerd. Andere vrouwen kiezen ervoor hun andere borst te laten verkleinen, zodat beide borsten ongeveer dezelfde grootte krijgen.
Meestal wordt er na een operatie bestraald, vooral als er een grote tumor is verwijderd of als de kanker zich naar de lymfklieren heeft uitgezaaid. Bij een borstsparende behandeling wordt de borst altijd bestraald. De behandeling begint meestal een maand na de operatie, en duurt zes weken, vijf dagen per week. Het doel is de overgebleven kankercellen te vernietigen nadat de tumor is verwijderd om zo het risico dat de kanker terugkomt of zich uitzaait, kleiner te maken.
Oestrogeengevoelige tumoren reageren meestal op hormoonbehandelingen die de werking van oestrogeen tegengaan, terwijl chemotherapie vaak voor alle soorten tumoren werkt. Als er een HER2-neu-gen is aangetoond, zal parallel aan de chemotherapie ook trastuzumab (Herceptin) worden gegeven.
Tamoxifen (zie Geslachtshormonen en aanverwante medicijnen) wordt gebruikt om de werking van het oestrogeen tegen te gaan opdat de tumorcellen minder snel groeien of verdwijnen. Tamoxifen wordt meestal tot 2,5 jaar na de diagnose gebruikt. Daarna wordt 2,5 tot 3 jaar een aromataseremmer gegeven, zoals anastrozol (Arimidex), exemestaan, letrozol (Femara). Het medicijn helpt mogelijk ook borstkanker te voorkomen bij bepaalde vrouwen met een verhoogd risico. Tamoxifen geeft echter vaak symptomen die op overgangsklachten lijken en heeft ook andere bijwerkingen, waaronder een verhoogd risico op baarmoederkanker.
Chemotherapie werkt met een combinatie van medicijnen die snel delende kankercellen vernietigen. De behandeling wordt meestal gedurende ongeveer drie tot zes maanden na de diagnose gegeven, telkens met enkele weken ertussen. Soms is chemotherapie een alternatief voor een operatie. Over het algemeen doodt chemotherapie ook normale snel delende cellen, zoals die van het slijmvlies van de mond, waardoor bijwerkingen, zoals mondzweren, kunnen ontstaan, of die van het beenmerg met als gevolg een tijdelijk verhoogd infectierisico. Ook haaruitval kan een bijwerking zijn.
Immunotherapie is een nieuwe therapie die wordt gegeven als een patiënt een HER2-neu-gen in de tumorcellen heeft. Deze therapie is duur, wordt één keer per week gegeven of om de drie weken, voor een heel jaar. In Amerika wordt onderzocht of deze therapie misschien twee jaar moet worden toegepast.
Naast de gebruikelijke behandelingen kunnen ook andere therapieën worden toegepast, zoals ontspanningsoefeningen, meditatie, homeopathie of acupunctuur. Gesprekstherapie kan behulpzaam zijn bij de verwerking en het leren omgaan met deze ziekte. Deze aanvullende therapieën mogen de reguliere echter niet vervangen.
Als de borstkanker in een vroeg stadium wordt ontdekt (voordat er uitzaaiingen zijn), hebt u een relatief goede prognose (tienjaarsoverleving meer dan 90%). Medicijntherapie in combinatie met opereren verhoogt de kans op overleving op lange duur. Na de behandeling zult u nog regelmatig moeten worden onderzocht en mammogrammen laten maken om te kijken of de ziekte niet is teruggekomen. Bij ongeveer één op de vier vrouwen is binnen vijf jaar opnieuw borstkanker aanwezig. Kanker kan vlak bij de plek van de eerste tumor of heel ergens anders terugkomen. Een nieuwe behandeling is dan noodzakelijk.
- Leeftijd
- Het risico neemt toe met de leeftijd
- Overgewicht en laat of geen kinderen hebben gekregen, zijn risicofactoren
- Erfelijkheid
- Soms het gevolg van een afwijkend gen
- Leefwijze
- Overgewicht en laat of geen kinderen hebben gekregen, zijn risicofactoren