Chromosomale aandoeningen

Artikelen over chromosomale aandoeningen

Medische encyclopedie

Aandoeningen vanwege een onjuist aantal of structureel veranderde chromosomen

Van elke honderdvijftig tot tweehonderd pasgeboren baby's heeft er één een chromosomale afwijking. Sommige van die afwijkingen hebben geen invloed op de gezondheid, maar de meeste veroorzaken problemen, waaronder lichamelijke afwijkingen en leermoeilijkheden. Vijftig tot zestig procent van alle spontane miskramen is het gevolg van een chromosomale afwijking. Veel chromosomale aandoeningen, zoals het Turner-syndroom, Klinefelter-syndroom en het downsyndroom, zijn echter met het leven verenigbaar.

Elke lichaamscel, afgezien van de geslachtscellen, heeft 46 chromosomen, gerangschikt in 22 paren en de twee geslachtschromosomen. Van elk paar erven we steeds van beide ouders één chromosoom. De geslachtschromosomen zijn bepalend voor het geslacht. Mannen hebben een X- en een Y-chromosoom, vrouwen twee X-chromosomen. De overige 22 chromosoomparen, de autosomen, zijn in elke cel aanwezig en bevatten samen ongeveer 35.000 genen met instructies voor de aanmaak van eiwitten die een rol spelen in de groei, vermenigvuldiging en functies van de cellen.

Chromosomale afwijkingen worden meestal veroorzaakt door een fout in de deling van chromosomen tijdens de vorming van ei- en zaadcellen. Bij dit proces, meiose, wordt het aantal chromosomen gehalveerd, zodat een geslachtscel slechts 23 chromosomen heeft. Sommige chromosomale afwijkingen ontstaan tijdens de eerste delingsfase van de bevruchte eicel. Chromosomale afwijkingen hebben meestal grote lichamelijke en/of verstandelijke gevolgen voor het kind. De kans op een kind met een chromosomale afwijking neemt toe wanneer de ouders al een kind met een dergelijke aandoening hebben of als de moeder ouder is dan 35 jaar.

Typen afwijkingen

Een chromosomale afwijking ontstaat door een onjuist aantal chromosomen of een fout in de structuur van een chromosoom. Deze afwijkingen kunnen optreden in alle 46 chromosomen, maar zijn meestal ernstiger wanneer ze worden veroorzaakt door een abnormaal autosoom.

Afwijkend aantal

Soms treden fouten op in de manier waarop tijdens het meioseproces de chromosoomparen worden gesplitst. Hierdoor krijgen sommige ei- of zaadcellen te veel en andere te weinig chromosomen. Wanneer een eicel een chromosoom te veel heeft en wordt bevrucht door een normale zaadcel, krijgt het embryo in elke lichaamscel een chromosoom te veel. Als een zaadcel waarin een chromosoom ontbreekt een normale eicel bevrucht, krijgt het embryo in elke lichaamscel een chromosoom te weinig. Ongeveer tweederde van alle chromosomale afwijkingen wordt veroorzaakt door een onjuist aantal chromosomen.

Een onjuist aantal autosomale chromosomen leidt meestal tot een miskraam. Een uitzondering op deze regel is de trisomie-21, waarbij het kind een chromosoom 21 te veel krijgt: het downsyndroom (Het Down-syndroom). Afwijkingen in het aantal geslachtschromosomen hebben meestal minder ernstige gevolgen voor het kind of blijven zelfs onopgemerkt. Ongeveer één op de vijfhonderd baby’s wordt geboren met een extra X- of Y-chromosoom. Een extra X-chromosoom bij een meisje of Y-chromosoom bij een jongen heeft meestal geen gevolgen. Jongens met een extra X-chromosoom (XXY) hebben echter een aandoening die het Klinefelter-syndroom wordt genoemd, waardoor de ontwikkeling van normale secundaire mannelijke geslachtskenmerken wordt verstoord. Patiënten met deze aandoening zijn onvruchtbaar. Ongeveer één op de 2500 meisjes wordt geboren met slechts één X-chromosoom, een aandoening die het Turner-syndroom wordt genoemd. Deze meisjes blijven klein en zullen, als behandeling uitblijft, tijdens de puberteit geen normale secundaire geslachtskenmerken ontwikkelen. Ze zijn onvruchtbaar.

Het Turner-syndroom
Het chromosomenpatroon (karotype) van een vrouw met het Turner-syndroom bevat slechts één X-chromosoom in plaats van de normale twee.
Het Turner-syndroom

Structurele afwijkingen

Tijdens het meioseproces vindt tussen de chromosomen een natuurlijke uitwisseling van erfelijk materiaal plaats. Deze ‘vermenging’ zorgt ervoor dat de genetische samenstelling van elke ei- en zaadcel enigszins anders is. Soms treden tijdens dit proces fouten op, waardoor structurele chromosomale afwijkingen ontstaan. Een klein deel van een chromosoom wordt afgestoten (deletie), gedupliceerd (duplicatie) of verkeerd aangebracht (inversie). Deze structurele afwijkingen in het chromosoom leiden vaak tot een miskraam of aangeboren afwijkingen die variëren van licht tot zeer ernstig. De gevolgen voor het embryo hangen af van de hoeveelheid en het type erfelijk materiaal dat is veranderd. Ook na de splitsing van elk chromosoom kan erfelijk materiaal worden uitgewisseld (translocatie). Wanneer daarbij geen genetisch materiaal wordt toegevoegd of verloren gaat, spreekt men van een gebalanceerde translocatie. Ongeveer één op de vijfhonderd mensen heeft een gebalanceerde translocatie. Een translocatie veroorzaakt zelden gezondheidsklachten, maar kan bij nakomelingen die te veel of te weinig chromosomaal materiaal erven, ernstige afwijkingen veroorzaken.

Mozaïcisme

Sommige lichaamscellen van iemand met deze aandoening hebben een normaal aantal chromosomen, andere cellen hebben een afwijkend aantal. Mozaïcisme treedt op als er kort na de bevruchting iets misgaat in een celdeling van het embryo, zodat sommige cellen een onjuist aantal chromosomen krijgen. Meestal kan bloedonderzoek de aanwezigheid van dergelijke cellen aantonen. De ernst van mozaïcisme hangt af van het aantal afwijkende cellen.

De diagnose

Veel chromosomale aandoeningen zijn zichtbaar bij de geboorte of wanneer zich symptomen voordoen. De definitieve diagnose wordt gesteld na een bloedonderzoek (Genetisch onderzoek).

Een foetus die in de baarmoeder sterft, eindigt in een miskraam of dood geboren wordt, wordt meestal op chromosomale afwijkingen onderzocht. Tijdens de zwangerschap kan men chromosomale afwijkingen opsporen door onderzoek van een aantal foetale cellen (Prenatale diagnostiek (test)). Voor prenatale diagnostiek komen vrouwen in aanmerking die op grond van hun leeftijd of het voorkomen van het downsyndroom of een andere erfelijke afwijking in de familie, een verhoogd risico lopen op een kind met een afwijking. Sommige bloedonderzoeken bij de aanstaande moeder kunnen in het begin van de zwangerschap eveneens een verhoogd risico aantonen. In dat geval kan men een vruchtwaterpunctie of vlokkentest doen om de diagnose van onder andere het downsyndroom te bevestigen/uit te sluiten.

De behandeling

Aandoeningen die het gevolg zijn van een chromosomale afwijking, zijn niet te genezen. Sommige lichamelijke afwijkingen van bijvoorbeeld de ingewanden of het hart kunnen echter door een vroege operatie worden gecorrigeerd, en mensen met een afwijking van de geslachtschromosomen kunnen soms worden behandeld met hormonen.

Paren die graag een kind willen, kunnen advies vragen aan een klinisch geneticus als ze verscheidene miskramen hebben gehad of wanneer in de familie chromosomale afwijkingen voorkomen, zodat ze een weloverwogen beslissing kunnen nemen.

Risicofactoren

Leeftijd
Aanwezig vanaf de geboorte, maar soms zijn de gevolgen pas later zichtbaar
Geen factor van betekenis
Geslacht
Risico afhankelijk van het type afwijking
Leefwijze
Geen factor van betekenis

Medische encyclopedie

De 46 chromosomen in de menselijke cel bevatten ongeveer 35.000 genenparen, maar slechts een beperkt aantal aandoeningen is rechtstreeks het gevolg van een verandering in een gen of van een chromosoomafwijking. Veel kinderen met een genetisch bepaalde afwijking zijn gemakkelijk te herkennen omdat deze duidelijke uiterlijke kenmerken geven.

Dit hoofdstuk behandelt een paar voorbeelden van chromosoom- en genafwijkingen die invloed hebben op vele orgaansystemen en die tijdens de kinderjaren aan het licht komen. Sommige worden veroorzaakt door een extra chromosoom of het ontbreken ervan of door een verandering in een gen. Het Down-syndroom wordt bijvoorbeeld veroorzaakt door een extra chromosoom, en het Turnersyndroom, een afwijking die alleen bij meisjes voorkomt, door het ontbreken van een chromosoom. De andere afwijkingen in dit hoofdstuk, waaronder cystische fibrose (taaislijmziekte), spierdystrofie en neurofibromatose, worden veroorzaakt door afwijkingen in genen.

Genetisch bepaalde aandoeningen die voornamelijk één deel van het lichaam treffen, zoals cystenieren, worden elders behandeld. De principes van chromosoom- en genafwijkingen, hoe en waarom ze zich voordoen, en de verschillende wijzen van overerven, worden elders behandeld (Genetische aandoeningen).

ANATOMIE

ANATOMIE
  1. Chromosoom
  2. DNA
  3. Gen

Zie Genen en erfelijkheid voor informatie over de structuur en werking van chromosomen en genen.

U bevindt zich hier:

U gebruikt een verouderde webbrowser, wij raden u aan over te schakelen naar een van onderstaande moderne internetbrowsers.