foetussen

Artikelen over foetussen

Medische encyclopedie

Alle afwijkingen van de normale ligging van de foetus voor de uitdrijving

Normaliter daalt de foetus vanaf week 36 in het bekken van de moeder in, klaar om geboren te worden. Ongeveer negen op de tien foetussen liggen met het hoofd naar beneden en de kin op de borst. In deze houding ligt de foetus in de gunstigste positie om geboren te worden. Andere posities komen ook voor, en kunnen soms tijdens de bevalling voor problemen zorgen. Wanneer een foetus in een abnormale houding ligt, kan een vaginale bevalling nog mogelijk zijn, maar zal het hele proces langer duren. Als de uitdrijving niet lukt, kan een ‘vaginale kunstverlossing’noodzakelijk zijn of een Keizersnede (behandeling).

De oorzaken

Abnormale ligging kan optreden als de foetus vrijer kan bewegen in de baarmoeder dan normaal. Dit kan komen doordat de foetus bij een vroeggeboorte nog klein is en niet is ingedaald of doordat er zeer veel vruchtwater is (zie Polyhydramnion). Bij een meerlingzwangerschap bestaat er ook een verhoogde kans op een abnormale ligging van een of beide kinderen.

Soms daalt de foetus niet in het bekken in doordat er bijvoorbeeld een laagliggende placenta of een vleesboom voor de bekkeningang ligt. Ook een baarmoeder met een afwijkende vorm kan een abnormale ligging in de hand werken.

Soorten abnormale ligging

De meest voorkomende abnormale liggingen zijn de stuitligging en de achterhoofdsligging met het achterhoofd achter (verkeerde spildraai). Posities waarbij het aangezicht of voorhoofd voor ligt, of een dwarsligging komen nog minder vaak voor.

Stuitligging

Bij een stuitligging ligt het hoofd van het kind boven in de baarmoeder en liggen de billetjes of beentjes van de foetus naar beneden. Veel foetussen liggen voor week 32 in een stuitligging, maar de meeste draaien voor 36 weken alsnog naar hoofdligging. De drie op de honderd foetussen die niet draaien, liggen in een van de twee vormen van stuitligging: een onvolkomen stuitligging (de gunstigste stuitligging, waarbij de benen omhoog geklapt liggen, als het ware met de voeten naast de oren), of de volkomen stuitligging, waarbij het kind in kleermakerszit ligt, dus met één of twee voetjes voor de stuit. Een ongunstige variant daarvan is de voetligging, waarbij alleen een of twee voetjes voor de baarmoedermond liggen en de stuit zelf ver boven de bekkeningang ligt. Bij een tweeling ligt nogal eens een van de twee kinderen in een stuitligging.

STUITLIGGING

Achterhoofdsligging achter (verkeerde spildraai)

Aan het begin van de bevalling ligt ongeveer één op de vijf foetussen in een occipito-posterior-positie, met het hoofd naar beneden, maar met het gezicht naar de buik van de moeder in plaats van naar haar rug. De meeste foetussen draaien tijdens de bevalling met het achterhoofd naar voren, maar twee op de honderd doen dit niet en worden met het achterhoofd achter geboren.

Achterhoofdsligging achter (verkeerde spildraai)

Zeldzame liggingen

Bij een aangezichtsligging ligt de foetus met het hoofd in de nek, zodat het aangezicht boven de baarmoederhals ligt. Dit komt bij één op de vierhonderd geboorten voor. Een gewone bevalling is wel mogelijk, maar de baby ziet er na de geboorte door stuwing van het hoofd kortdurend anders dan normaal uit. Het gezichtje is namelijk erg gezwollen. Dit trekt na een dag weer weg. Bij een voorhoofdsligging, die bij één op de duizend geboorten voorkomt, ligt het hoofd ook in de nek, maar minder uitgesproken dan bij een aangezichtsligging. Een voorhoofdsligging kan op zich niet geboren worden langs natuurlijke weg, maar kan tijdens de bevalling veranderen in een aangezichtsligging en dan wel geboren worden. Een dwarsligging, waarbij de foetus dwars in de baarmoeder ligt, met zijn schouder, rug of heup boven de baarmoederhals, komt zelden voor. Een dwarsligging kan niet zonder hulp langs de natuurlijke weg geboren worden.

Zijn er complicaties?

Bij een abnormale ligging van het kind is er meer kans op complicaties. Een kind dat in de normale achterhoofdsligging is ingedaald, sluit met het hoofd de ontsluitingsopening af en zorgt ervoor dat de navelstreng niet via de vagina naar buiten kan zakken. Bij sommige afwijkende liggingen, zoals de volkomen stuitligging, de voetligging en de dwarsligging, maar ook bij een niet-ingedaald hoofd of stuit ontstaat er ruimte bij de ingang van het bekken, waardoor de navelstreng kan uitzakken wanneer de vliezen breken. De navelstreng kan dan dichtgedrukt worden, met als gevolg dat de foetus minder of geen zuurstof krijgt. In het ergste geval kan dit hersenbeschadiging of sterfte van het kind tot gevolg hebben. Bij de stuitligging is extra zorg noodzakelijk, om bij een vaginale bevalling te voorkomen dat zich problemen voordoen bij de geboorte van het hoofdje, dat pas na het lichaam geboren wordt.

De diagnose

Uw verloskundige of arts controleert in het verloop van de zwangerschap de ligging van de foetus en zal aan het eind van de zwangerschap controleren of het kind met het hoofd naar beneden ligt en of het is ingedaald in het bekken. De plaats waar de harttonen van de baby het best worden gehoord, helpt bij het bepalen van de ligging. Als uw verloskundige of arts vermoedt dat de baby verkeerd ligt, zal dit met een echo worden onderzocht.

De behandeling

Abnormale ligging wordt tegen het eind van de zwangerschap vastgesteld. Uw verloskundige zal u vervolgens verwijzen naar de gynaecoloog, die met u het te volgen beleid zal bespreken. Soms lukt het een dwars- of stuitligging door uitwendige versie (het draaien van het kind in de baarmoeder) alsnog in hoofdligging te keren. Blijft de dwarsligging bestaan, dan zal een keizersnede worden afgesproken. Bij een stuitligging zal de gynaecoloog met u de voors en tegens van een vaginale bevalling en een keizersnede in uw situatie bespreken.

Afwijkende hoofdliggingen (verkeerde spildraai en voorhoofds- of aangezichtsligging) worden meestal pas bij de bevalling ontdekt. U zult dan (zo nodig) door uw verloskundige verwezen worden naar de gynaecoloog. Is de abnormale ligging het gevolg van een al voor de zwangerschap bestaand probleem, bijvoorbeeld een baarmoeder met een afwijkende vorm, dan is de kans tamelijk groot dat een volgend kind weer een afwijkende ligging heeft. Is de afwijkende ligging in deze zwangerschap het gevolg van een andere oorzaak die met deze zwangerschap samenhangt, zoals een placenta praevia, dan is er geen verhoogde kans dat een volgend kind een afwijkende ligging heeft.

Risicofactoren

Leeftijd
Geen factoren van betekenis
Geen factoren van betekenis
Erfelijkheid
Afwijkende liggingen komen vaker voor bij vrouwen met een aangeboren afwijking van de baarmoeder, die veel kinderen hebben gebaard, of bij een grote vleesboom
Leefwijze
Geen factoren van betekenis

Medische encyclopedie

De groeiende foetus is voor zijn voeding en zuurstof afhankelijk van de moeder. Deze stoffen worden via het bloed van de moeder naar dat van de foetus overgedragen; dit geschiedt in de placenta, een orgaan dat aan de baarmoeder vastzit en dat door middel van de navelstreng met de foetus is verbonden. Er gaat per minuut ongeveer 600ml moederbloed langs de placenta.

Bloedvaten van de placenta
In de placenta wisselen het bloed van de moeder en dat van de foetus via een dunne membraan, het chorion genaamd, stoffen uit. Zuurstof, voedingsstoffen en antistoffen gaan van het bloed van de moeder naar dat van de foetus; afvalstoffen leggen de weg in omgekeerde richting af.
Bloedvaten van de placenta
  1. SLAGADER VAN DE MOEDER: Deze slagader laat het bloed rond de villi van het buitenste vruchtvlies, het chorion, circuleren
  2. Bloedstroom met zuurstof en voedingsstoffen
  3. CHORIONVLOKKEN: Kleine uitsteeksels (villi) vormen een dunne membraan (het chorion) waarin de bloedvaten van de foetus zitten
  4. Foetus
  5. Navelstreng
  6. Placenta
  7. Locatie
  8. ADER VAN DE MOEDER: Deze ader voert afvalstoffen van de foetus weg
  9. Binnenwand baarmoeder (endometrium)
  10. Afvoer afvalstoffen
  11. Bloed van de moeder
  12. ADER VAN DE NAVELSTRENG: Bloed, zuurstof en voedingsstoffen gaan via deze ader naar de foetus
  13. SLAGADER VAN DE NAVELSTRENG: Deze slagader voert afvalstoffen van de foetus weg
  14. Vruchtwater
  15. Navelstreng
  16. Baarmoederwand
Weefsel van de placenta
Op deze vergroting van de placenta is weefsel van zowel de moeder als van de foetus te zien. In de placenta komt hun afzonderlijke bloedsomloop niet met elkaar in aanraking
Weefsel van de placenta
  1. BINNENWAND VAN DE BAARMOEDER: De placenta zit van binnen stevig aan de baarmoeder vast
  2. BLOEDVAT VAN DE FOETUS: De bloedvaten van de foetus zijn omgeven door bloed van de moeder

U bevindt zich hier:

U gebruikt een verouderde webbrowser, wij raden u aan over te schakelen naar een van onderstaande moderne internetbrowsers.