heupdysplasie

Artikelen over heupdysplasie

Encyclopedie over heupdysplasie

Medische encyclopedie

Problemen met het heupgewricht, van gering loszitten tot ontwrichting

Aangeboren heupdysplasie is een term voor een heel scala van problemen met de aanleg en groei van het heupgewricht van een pasgeborene. Voor een normale groei moeten heupkop en -kom goed in elkaar passen. De heupkop moet goed in de kom zitten om de krachten op de kop zo veel mogelijk over het oppervlak van de kop te verdelen. Bij heupdysplasie past de kop minder goed in de kom, omdat de kop te ondiep is aangelegd. Hierdoor kan de kop van het dijbeen uit de heupkom glijden: aangeboren heupluxatie.

Vlak na de geboorte kan bij sommige baby’s ook een normale heupkop uit de kom worden gedrukt (luxeren) doordat de zwangerschapshormonen de banden en kapsel van de babyheup extreem soepel maken. Na twee maanden is een dergelijke luxatie niet goed meer mogelijk, tenzij het heupgewricht niet goed is aangelegd. Heupdysplasie komt meer voor bij meisjes en baby’s die in stuitligging zijn geboren. Het kan ook in combinatie met een klompvoet (Klompvoet) voorkomen. Ongeveer 1 op de 250 baby’s heeft deze aandoening. Door de beentjes te spreiden worden de heupkoppen stevig in de kommetjes gedrukt. Deze druk prikkelt het kommetje om dieper te worden, waardoor de kop steeds beter gaat passen. Zo is heupdysplasie in het eerste levenjaar te genezen. Daarom komt blijvende dysplasie zelden voor bij baby’s die regelmatig wijdbeens op de rug van de moeder worden gedragen.

De oorzaak is niet helemaal bekend. Bij één op de vijf baby’s zit de aandoening in de familie, wat erfelijkheid doet vermoeden.

De symptomen

Lichte vormen van aangeboren heupdysplasie kunnen symptoomloos zijn. Bij ernstige gevallen kunnen de symptomen onder andere zijn:

  • asymmetrische bilplooien;
  • spreiden van het been vanuit de heup gaat minder ver dan aan de andere kant;
  • als de heupkop uit de kom is, lijkt het betreffende been vaak korter en zal het kind later mank gaan lopen.

Als er niet bijtijds iets aan wordt gedaan, kan aangeboren heupdysplasie en/of luxatie tot blijvende misvorming en vroege artrose (Artrose) leiden.

De behandeling

De arts kijkt meteen na de geboorte of de heupen van uw baby stabiel zijn en hoe ver ze kunnen bewegen. Dit wordt bij de latere controles ook gedaan, tot uw kind normaal loopt. Als de arts aangeboren heupdysplasie vermoedt, zal hij in het eerste levensjaar een echo of later een röntgenfoto laten maken om de diagnose te bevestigen.

De minder ernstige vormen herstellen vaak vanzelf tijdens de eerste drie weken. Als het niet overgaat, moet er meteen worden behandeld. Bij een heel jonge baby wordt een spreidbroek toegepast, waarmee gedurende acht tot twaalf weken de kop van het dijbeen in de kom wordt gehouden. Bij een oudere baby moet de heup soms wel een halfjaar in een gipskorset. Als de behandeling geen succes heeft, moet er geopereerd worden.

Als men de aangeboren heupdysplasie snel ontdekt en meteen behandelt, krijgen de meeste baby’s gewone heupgewrichten en is er geen blijvend letsel.

Risicofactoren

Leeftijd
Bij de geboorte al aanwezig
Zit soms in de familie
Blijft zelden bestaan bij baby’s die met de benen op de rug van de moeder worden gedragen
Geslacht
Komt zes keer vaker bij meisjes voor
Erfelijkheid
Zit soms in de familie
Leefwijze
Blijft zelden bestaan bij baby’s die met de benen op de rug van de moeder worden gedragen

U bevindt zich hier:

U gebruikt een verouderde webbrowser, wij raden u aan over te schakelen naar een van onderstaande moderne internetbrowsers.