Een kwaadaardig gezwel dat zich in het longweefsel ontwikkelt
Sinds 1950 is het aantal gevallen van longkanker sneller gestegen dan enige andere vorm van kanker. Longkanker, waarbij zich in het longweefsel een tumor ontwikkelt, is nu de meest voorkomende vorm van kanker en de vorm die tot de meeste sterfgevallen leidt. Longkanker wordt het meeste ontdekt bij mensen tussen vijftig en zeventig jaar. Ieder jaar treden er in Nederland ongeveer 9000 nieuwe gevallen op.
Roken is de hoofdoorzaak van longkanker. De toename van de ziekte in de afgelopen eeuw komt vooral door het toegenomen aantal rokers. Hoewel er in de westerse landen nu minder wordt gerookt, zal de incidentie van longkanker voorlopig nog niet afnemen, omdat het jaren duurt voordat de ziekte zich openbaart. Hoe meer u rookt, des te eerder u kanker ontwikkelt.
Het type longkanker hangt af van het type cel waarop de tumorcel het meest lijkt (zie Hoe kanker begint, Het ontstaan van kanker (proces)). Er zijn vier belangrijke categorieën. Het plaveiselcel-, adeno- en grootcellig longcarcinoom worden vaak tezamen het niet-kleincellig longcarcinoom genoemd. De meeste van deze soorten beginnen in de bekleding van de bronchiën.
Ieder type kanker heeft een ander groeipatroon en een andere reactie op behandeling. In het algemeen groeit plaveiselcelcarcinoom langzamer dan de andere typen en zaait het zich laat in het verloop van de ziekte uit. Kleincellig longcarcinoom is het kwaadaardigste type; de kanker groeit snel en breidt zich snel naar andere organen uit. Adenocarcinoom en grootcellig longcarcinoom liggen daar tussenin.
Longmetastase is kanker die zich vanuit een ander orgaan naar de longen heeft uitgezaaid. Longweefsel is een veelvoorkomende plaats voor metastase, doordat al het bloed erdoorheen gaat, waardoor kankercellen in het longweefsel terecht kunnen komen.
- Longkanker
- Het verband tussen roken en sterfte aan longkanker. Hoewel er minder wordt gerookt, neemt de sterfte nog toe, doordat het jaren duurt voordat kanker zich ontwikkelt.
Roken is in 80 tot 90 procent van de gevallen de oorzaak, en ongeveer 15 procent van de rokers krijgt uiteindelijk de ziekte. Het risico is het grootst bij mensen die hun hele volwassenheid meer dan twintig sigaretten per dag hebben gerookt. Voor mensen die nooit hebben gerookt, is het risico klein, maar het neemt enigszins toe bij degenen die regelmatig aan andermans rook worden blootgesteld (zogenoemd passief roken).
Het werken met bepaalde stoffen, zoals radioactief materiaal, asbest (zie Asbestgerelateerde ziekten), chroom en nikkel, verhoogt de kans op longkanker, vooral in combinatie met roken. Luchtvervuiling speelt waarschijnlijk ook een rol bij het ontstaan, maar is veel minder belangrijk dan roken.
De klachten van longkanker doen zich voor als de ziekte al in een gevorderd stadium is. Tot de eerste klachten behoren:
- een nieuwe, blijvende hoest of een verandering van een oude hoest, soms met bloederig slijm;
- pijn op de borst, die dof kan zijn, maar ook scherp en pijnlijk bij inademen;
- kortademigheid;
- piepende adem als de tumor de luchtwegen blokkeert;
- abnormale kromming van de vingernagels (trommelstokvingers)(zie Afwijkingen van de nagels).
Ga naar de dokter als u hardnekkige hoest ontwikkelt, een verandering van het oude hoestpatroon bespeurt of een van de andere hiervoor genoemde symptomen ontwikkelt.
In sommige gevallen kan zich longontsteking ontwikkelen als een deel van de luchtwegen bij de tumor is geblokkeerd. Dit kan een eerste indicatie van longkanker zijn. Door de tumor kan zich ook vocht tussen de beide vliezen van de pleura (het dubbele vlies tussen de longen en de borstkas)verzamelen (zie Pleuravocht), wat tot toenemende kortademigheid kan leiden. Later volgen gebrek aan eetlust, gewichtsverlies en verzwakking. Een tumor boven in de long kan de zenuwen naar een arm beïnvloeden, waardoor deze pijn doet of zwakker wordt. Kleincellig longcarcinoom kan hormoonachtige stoffen produceren, die endocriene aandoeningen zoals het syndroom van Cushing veroorzaken.
Ook uitzaaiingen kunnen symptomen geven. Hoofdpijn kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van kanker die zich naar de hersenen heeft verspreid.
Een röntgenfoto van de borst is een van de eerste onderzoeken die bij longklachten worden uitgevoerd. Op de opname is de tumor meestal als een schaduw zichtbaar.
Slijmmonsters kunnen op kankercellen worden gecontroleerd en er zal bronchoscopie worden uitgevoerd (zie hieronder) om de luchtwegen te onderzoeken. Als er een tumor wordt gevonden, wordt er een monster van genomen en onder de microscoop bekeken. Als de tumor kwaadaardig is, wordt onderzocht of er uitzaaiingen zijn. Naast bloedtests zijn CT-scanning en MRI
van hersenen, borst en buik mogelijk om de mate van verspreiding te bepalen. Om na te gaan of de kanker zich naar de botten heeft uitgezaaid, kan scintigrafie worden uitgevoerd. De PET-scan, een nucleair onderzoek met radioactief gelabeld glucose, is onlangs geïntroduceerd als een hulpmiddel om de uitbreiding van de ziekte beter te kunnen beoordelen. De PET-scan kan nog kleinere uitzaaiingen in beeld brengen dan CT en HRI, waardoor onnodige operaties kunnen worden voorkomen.
De behandeling van longkanker hangt af van het type kanker en de uitgebreidheid van het ziektebeeld bij het niet-kleincellig longcarcinoom.
Operatieve verwijdering van de tumor is een mogelijkheid als de kanker in zijn geheel (soms met een aangetaste lymfklier) kan worden verwijderd. Hierbij wordt meestal een kwab of soms zelfs een hele long verwijderd. In de meeste gevallen is de kanker al zo voortgeschreden dat een operatie niet meer mogelijk is. In dat geval wordt tegenwoordig steeds meer chemo-/radiotherapie toegepast. Ook kan het zijn dat een operatie niet wordt aangeraden vanwege de grootte of de plaats van de tumor of vanwege een andere ernstige aandoening, zoals COPD
.
Bij kleincellig longcarcinoom wordt zelden geopereerd, omdat deze kanker zeer kwaadaardig is en op het moment van de diagnose gewoonlijk al is uitgezaaid. Deze vorm van longkanker wordt behandeld met een combinatie van chemotherapie en radiotherapie.
De prognose is het best als de kanker vroeg is ontdekt. Ongeveer 14 procent van de mensen met longkanker is vijf jaar na de diagnose nog in leven. Als de tumor wordt verwijderd voor er uitzaaiingen zijn, overleeft 30 tot 80 procent vijf jaar. De overlevingskans bij kleincellig longcarcinoom is veel kleiner. Operatie, radiotherapie en chemotherapie kunnen het leven niet in alle gevallen van longkanker verlengen, maar wel de klachten verlichten en de kwaliteit van het leven verbeteren. Benauwdheidsklachten door een tumor die de luchtwegen vernauwt kunnen bijvoorbeeld worden verholpen met radiotherapie, laserbehandeling of plaatsing van endoprothesemateriaal.
Longkanker is nauw gerelateerd aan roken. Degenen die stoppen met roken, verkleinen de kans op kanker, en mensen die lang geleden zijn gestopt met roken, hebben slechts een iets grotere kans op longkanker dan niet-rokers.
- Longkanker
- Op deze ingekleurde röntgenfoto van de borst is rechts een groot kankergezwel in de long te zien. De andere long is normaal.
- Normale long
- Hart
- Kankergezwel
- Leeftijd
- Komt het meest voor tussen 50 en 70 jaar
- Roken en bepaalde beroepen zijn risicofactoren
- Speelt waarschijnlijk een rol
- Geslacht
- Komt meer voor bij mannen en in toenemende mate bij vrouwen
- Leefwijze
- Roken en bepaalde beroepen zijn risicofactoren
- Erfelijkheid
- Speelt waarschijnlijk een rol