Resusantagonisme

Artikelen over resusantagonisme

Encyclopedie over resusantagonisme

Medische encyclopedie

Resusincompatibiliteit; een zwangere die resusnegatief is, kan antistoffen aanmaken of bij zich dragen, die bloed van een resuspositief kind kunnen afbreken. Dit komt in Nederland bij ongeveer 200 zwangeren per jaar voor

Een van de systemen om bloed te classificeren is aan de hand van de resusgroep. Dit systeem werkt met de aanwezigheid of afwezigheid van bepaalde eiwitten op de oppervlakte van rode bloedlichaampjes. Ongeveer zeventien op de twintig mensen hebben Rh-eiwitten op hun rode bloedlichaampjes en zijn Rh-positief. De overige drie mensen hebben die eiwitten niet en zijn Rh-negatief.

Is een zwangere resus (Rh)-negatief, en haar foetus Rh-positief, dan kan zij tijdens de zwangerschap of na de bevalling antistoffen aanmaken tegen het Rh-positieve bloed van haar kind. Om dit te voorkomen, krijgen Rh-negatieve vrouwen die bevallen van een Rh-positief kind na de bevalling ‘anti-D’ toegediend, om aanmaak van deze antistoffen te voorkomen. Ook vrouwen die voor het eerst zwanger zijn, krijgen rond week 30 zo’n injectie om de aanmaak van antistoffen later in de zwangerschap te voorkomen.

Om op antistoffen te controleren, wordt bij elke Rh-negatieve zwangere aan het begin van de zwangerschap en rond week 30 bloed afgenomen om te bezien of Rh-antistoffen aanwezig zijn. Bij minder dan 1 procent, zo’n 200 zwangeren per jaar, worden Rh-antistoffen gevonden. Men spreekt van resusantagonisme. Extra controle door de gynaecoloog is dan noodzakelijk, omdat bloed van het kind door deze antistoffen kan worden afgebroken, wat aanleiding kan zijn voor ernstige bloedarmoede al in de baarmoeder en ernstige geelzucht na de geboorte (zie Geelzucht bij baby’s), waarvoor het soms zelfs noodzakelijk is het kind nieuw bloed te geven (wisseltransfusie).

De oorzaken

De bloedgroep erft men van beide ouders. Een baby die Rh-positief is, kan alleen uit een Rh-negatieve moeder worden geboren als de vader Rh-positief is. Moeder en foetus hebben ieder hun eigen bloedsomloop en de rode bloedlichaampjes gaan niet van de een naar de ander. Het komt echter wel eens voor dat er kleine lekkages van bloed van de foetus naar de moeder (foeto-maternale transfusie) optreden. Dit kan tijdens de bevalling, een miskraam of zwangerschapsbeëindiging gebeuren. Er bestaat ook een risico dat het bloed bij een vlokkentest of vruchtwaterpunctie met elkaar in contact komt (zie Prenatale diagnostiek) of na een placentaloslating waarbij de placenta vóór de bevalling geheel of gedeeltelijk loslaat. Het immuunsysteem van de moeder reageert door antistoffen te maken die de rode bloedlichaampjes van de foetus in haar bloedbaan vernietigen. Bij een volgende zwangerschap, waarbij een foetus Rh-positief is, kunnen deze antistoffen de placenta passeren en de rode bloedlichaampjes van de foetus afbreken.

De gevolgen

De zwangere heeft geen klachten ten gevolge van een Rh-antagonisme. De gevolgen voor de foetus hangen af van de hoeveelheid antistoffen en van het tijdstip in de zwangerschap waarop die worden aangemaakt.

De foetus kan bloedarmoede krijgen en als gevolg daarvan al in de baarmoeder te veel vocht vasthouden (hydrops foetalis). Ook kan zich een hydramnion (extreem veel vruchtwater) ontwikkelen. Wordt het probleem niet tijdig onderkend, dan bestaat het gevaar om in de baarmoeder te sterven (zie Doodgeboorte). Na een zwangerschap met actief resusantagonisme kan een kind met ernstige bloedarmoede worden geboren. Vaak is het dan nodig nieuw bloed te geven (wisseltransfusie). Dit kan ernstige geelzucht, en daarmee de kans op hersenbeschadiging voorkomen.

De behandeling

Als zich Rh-antistoffen ontwikkelen, hangt de behandeling af van de hoeveelheid en van het effect op de foetus. De activiteit van de antistoffen is in het bloed te meten (ADCC-test). Bij een hoge waarde van deze test zal de gynaecoloog waarschijnlijk vruchtwater afnemen en onderzoeken of de foetus een hoog bilirubinegehalte heeft. Ook wordt een echo gemaakt om te kijken of er aanwijzingen zijn voor ernstige bloedarmoede bij de foetus, zoals het vasthouden van vocht. Bij een laag gehalte van antistoffen zal de gynaecoloog misschien adviseren de bevalling bij week 38 in te leiden (De bevalling inleiden (behandeling)); zijn er veel antistoffen, dan is eerder ingrijpen geboden: een foetus die nog niet levensvatbaar is, kan een bloedtransfusie met Rh-negatief bloed in de navelstreng of buikholte krijgen. Indien het kind wel levensvatbaar is, maar in slechte conditie dreigt te raken, zal men eerder de baby geboren laten worden, meestal per keizersnede. Na de geboorte is de kans groot dat het kind meer transfusies en een behandeling tegen geelzucht nodig heeft.

Is het te voorkomen?

Van alle vrouwen worden in het begin van elke zwangerschap de bloedgroep en resusfactor bepaald. Bij Rh-negatieve zwangeren wordt zowel in het begin van de zwangerschap als bij week 30 bloedonderzoek gedaan om te controleren op de aanwezigheid van resusantistoffen. Vrouwen die voor het eerst zwanger zijn, krijgen in week 30 een injectie om de vorming van antistoffen later in de zwangerschap te voorkomen. Alle zwangeren die bevallen van een Rh-positief kind, krijgen na de bevalling zo’n injectie. Dit voorkomt dat zij antistoffen aanmaken die bloed van een toekomstige Rh-positieve foetus kunnen afbreken. Rh-negatieve vrouwen krijgen zo’n injectie soms ook na een miskraam of een buitenbaarmoederlijke zwangerschap. Ook een zwangerschapsafbreking, vlokkentest en vruchtwaterpunctie zijn redenen om deze injectie te geven aan Rh-negatieve vrouwen. Daardoor is de kans zeer klein dat ze in een volgende zwangerschap problemen zullen ondervinden.

Risicofactoren

Erfelijkheid
door onverenigbare genetisch bepaalde bloedgroepen
Geen factoren van betekenis
Leeftijd
Geen factoren van betekenis
Leefwijze
Geen factoren van betekenis

U bevindt zich hier:

U gebruikt een verouderde webbrowser, wij raden u aan over te schakelen naar een van onderstaande moderne internetbrowsers.