U gebruikt een verouderde webbrowser, wij raden u aan over te schakelen naar een van onderstaande moderne internetbrowsers.

ADHD bij kinderen

Over ADHD

Wat is ADHD?

ADHD is de Engelse afkorting van Attention Deficit Hyperactivity Disorder.

Kinderen, bij wie de diagnose ADHD gesteld is, hebben last van:

  1. aandachts- en concentratietekorten
  2. hyperactiviteit / impulsiviteit
  3. aandachtstekorten én hyperactiviteit / impulsiviteit

De gecombineerde vorm (3) komt het meeste voor. Er zijn een aantal stoffen in de hersenen die bij kinderen met ADHD anders werken dan bij kinderen zonder ADHD. Hierdoor reageren kinderen sneller op prikkels uit de omgeving en zijn minder gericht op prikkels waar ze zich op moeten richten zoals schoolwerk. Dit heeft gevolgen voor de aandacht en concentratie en maakt veel kinderen hyperactief en impulsief. Deze kinderen hebben hierdoor ook vaak problemen met plannen en organiseren. Wanneer alleen sprake is van aandachtstekorten en niet van hyperactiviteit / impulsiviteit wordt er vaak van ADD gesproken. Zonder de H van Hyperactiviteit dus. ADD wordt minder snel herkend dan ADHD. Lees meer over: ADD bij kinderen. Het probleemgedrag van een kind met ADHD is niet altijd het zelfde als een kind met ADD maar de behandeling van deze twee vormen is het zelfde.

Met aandachts- en concentratietekorten wordt bedoeld dat het kind bijvoorbeeld:

  • fouten maakt in schoolwerk of andere activiteiten omdat hij/zij niet (voldoende) nadenkt
  • niet (voldoende) let op kleinigheden (details)
  • moeilijk de aandacht bij een taak of het spel kan houden
  • niet lijkt te luisteren als er tegen hem/haar gesproken wordt
  • moeilijk zijn/haar schoolwerk of karweitjes kan afmaken

Met hyperactiviteit wordt bedoeld dat het kind bijvoorbeeld:

  • vaak onrustig beweegt met handen of voeten of draait op zijn/haar stoel
  • in de klas vaak opstaat terwijl dat niet de bedoeling is
  • vaak rent of overal opklimt terwijl dat op dat moment niet de bedoeling is
  • vaak heel veel praat
  • moeilijk rustig kan spelen

Met impulsiviteit wordt bedoeld dat het kind bijvoorbeeld:

  • al antwoord geeft voordat de vraag afgemaakt is
  • vaak moeite heeft om op zijn/haar beurt te wachten
  • spelletjes of gesprekken van anderen verstoort

naar boven

Tot welke problemen kan ADHD leiden?

Kinderen kunnen doordat ze ADHD hebben achter gaan lopen in vergelijking met leeftijdgenoten. Ze zijn anders dan andere kinderen en kunnen daardoor mogelijk minder goed vrienden maken en houden. Op school kunnen zij zich minder goed concentreren waardoor ze minder goed kunnen leren. Ze kunnen motorisch onhandig zijn waardoor zij zich minder makkelijk bewegen. In het gezin kunnen kinderen met ADHD voor veel onrust en spanningen zorgen. De broertjes en zusjes krijgen mogelijk minder aandacht en ook tussen de ouders kan wrijving ontstaan omdat de ene ouder anders reageert dan de andere ouder.

Kinderen met ADHD willen niet anders zijn dan andere kinderen. Zij willen niet ‘altijd lastig zijn’ maar kunnen zich niet of onvoldoende beheersen. De ouders, onderwijzers, buren en andere kinderen reageren vaak negatief. Veel activiteiten die ze ondernemen mislukken.

Kinderen met ADHD kunnen last hebben van een ernstige vorm van ADHD of een minder ernstige vorm. De problemen hoeven niet overal hetzelfde te zijn. Er zijn kinderen die thuis nauwelijks problemen hebben maar bijvoorbeeld op school wel ernstige problemen hebben. Ouders kunnen denken: “Het valt wel mee met de problemen van mijn kind, die onderwijzer kan geen orde houden.” Toch is het belangrijk dat ouders de signalen van anderen, die het kind veel zien, serieus neemt. Het kind kan door zijn /haar gedrag veel negatieve aandacht krijgen en dat is niet goed voor het zelfvertrouwen van het kind. Het kan zijn dat het kind zelf wel problemen ondervindt: "Ik krijg altijd op mijn kop." Sommige kinderen beschrijven het als "storm in hun hoofd" of "tien TV's die tegelijk aan staan".

naar boven

Hoe vaak komt ADHD voor?

ADHD komt veel voor. Van de 100 kinderen die jonger zijn dan 16 jaar hebben ongeveer 5 kinderen ADHD en 95 kinderen geen ADHD. Deze getallen ziet u hier in de afbeelding.

Afbeelding 1

ADHD komt 3 tot 4 keer zo vaak voor bij jongens als bij meisjes. Meisjes hebben minder vaak last van hyperactiviteit / impulsiviteit. Zij hebben vaker alleen de aandachts- en concentratieproblemen.

Van de 100 kinderen bij wie de diagnose ADHD gesteld is, hebben 44 kinderen ook andere problemen (comorbiditeit) en 56 kinderen niet. Bij andere problemen kan bijvoorbeeld gedacht worden aan:

Vaak blijkt pas nadat een kind behandeld wordt voor ADHD dat er meer aan de hand is. De problemen die naast ADHD bestaan, komen dan meer op de voorgrond. Het is hierbij goed om te bedenken dat de behandelaar vooral aandacht heeft voor de problemen waar hij of zij de meeste kennis van heeft en andere problemen krijgen dan minder aandacht. Een psychiater zal bijvoorbeeld heel goed letten op de stemming van het kind en een kinderarts zal juist veel aandacht hebben voor lichamelijke oorzaken. Als dit speelt kunt u bij uw huisarts een verwijzing vragen voor aanvullend onderzoek.

naar boven

Hoe wordt ADHD gediagnosticeerd?

De meeste kinderen zijn wel eens druk en snel afgeleid, maar niet al deze kinderen hebben ADHD. Als u of uw omgeving zich zorgen maakt over dergelijk gedrag van uw kind, dan is het goed uw huisarts een verwijzing te vragen voor een kinderpsychiater, psycholoog of kinderarts. Vaak gaat dat eerst via Bureau Jeugdzorg.

De behandelaar zal proberen om een goed en compleet beeld van uw kind te krijgen. Vooral de voorgeschiedenis is belangrijk voor het stellen van een diagnose. Het kan zijn dat de behandelaar aan u en de leerkracht van uw kind vraagt een vragenlijst in te vullen. De behandelaar wil bijvoorbeeld weten:

  • of uw kind altijd al 'anders' was,
  • of uw kind al lang druk is en niet goed luistert
  • of het gedrag van uw kind past bij de ADHD-diagnose
  • of het gedrag van uw kind anders is dan van kinderen die geen ADHD hebben
  • of er niet iets anders met uw kind aan de hand is
  • of het drukke gedrag geen lichamelijke oorzaak heeft
  • of de leerkracht iets gezegd heeft over het gedrag van uw kind
  • hoe het thuis, op school en met vriend(inn)en gaat

Pas als de behandelaar een goed beeld heeft van uw kind kan hij/zij de diagnose stellen.

naar boven

Hoe wordt ADHD behandeld?

Er bestaat geen behandeling die ADHD geneest. Wel zijn er verschillende behandelingen die de klachten verminderen. Behandeling met medicijnen kan een kind helpen om rustiger te worden of om zijn/haar concentratie te verbeteren. Maar wanneer de medicijnen niet meer ingenomen worden, komen de klachten weer terug.

Ook behandeling zonder medicijnen is mogelijk. In deze keuzehulp worden dit soort behandelingen psychosociale interventies genoemd. Voorbeelden hiervan zijn psycho-educatie, gedragstherapie, ouder- en leerkrachttrainingen en trainingen gericht op het kind. Psychosociale interventies helpen de problemen van ADHD te verminderen of te beheersen maar ze werken ook niet genezend.

Deze keuzehulp is ontwikkeld om u te helpen bij het maken van een keus voor de behandeling van uw kind. De vraag "Laat ik mijn kind wel of geen medicijnen slikken?" blijkt bij veel ouders en verzorgers te leven. Er wordt dan ook veel aandacht besteed aan behandeling met medicijnen. Daarnaast kunt u informatie vinden over de psychosociale interventies of een combinatie van verschillende behandelingen.

Bij de behandeling van ADHD is samenwerking heel belangrijk. Ouders en kinderen proberen samen de ADHD problemen te verminderen en kunnen elkaar steunen. Ook de samenwerking met de school is van belang. Welke behandeling ook gekozen wordt: ouders en de leerkracht kunnen elkaar goed op de hoogte houden van hoe het gaat. Als een kind bijvoorbeeld start met medicijnen, is het goed dat de leerkracht het weet. Het is goed dat het kind dan thuis en op school een beetje ontzien wordt omdat de bijwerkingen in de eerste weken vervelend kunnen zijn voor het kind. De leerkracht kan het kind in de gaten houden en melden of hij/zij verbeteringen ziet. Een kind kan een ‘heen en weer’ schrift meenemen waarin de ouders en de leerkracht vertellen hoe het gaat. Een ouder kan dan het kind bijvoorbeeld een compliment geven als het op school goed is gegaan.

Kijk onder De keuzemogelijkheden voor de verschillende behandelingen en het effect dat u kunt verwachten van een behandeling.

naar boven

Wat gebeurt er wanneer ADHD niet behandeld wordt?

Wanneer ADHD niet behandeld wordt, kunnen de problemen steeds erger worden. ADHD in de jeugd kan een grote invloed hebben op het functioneren op volwassen leeftijd.

Al de hierboven genoemde moeilijkheden kunnen ervoor zorgen dat kinderen met ADHD minder zelfvertrouwen krijgen en een negatief zelfbeeld ontwikkelen. Ze kunnen emotionele problemen krijgen: vaak boos en agressief zijn of juist angstig en teruggetrokken zijn.

Als het een kind niet lukt om positieve relaties aan te gaan met ouders, familie, leeftijdgenoten, onderwijzers en mensen in de buurt, wordt het eenzaam. Ook in het latere leven kan het maken van contacten moeilijk blijven.

Kinderen met ADHD presteren vaak minder dan ze kunnen door dat zij zich niet goed kunnen concentreren. Zij leren hierdoor minder goed en de schoolprestaties blijven achter. Dit heeft natuurlijk later gevolgen voor de mogelijkheden op de middelbare school.

Een deel van de kinderen met ADHD is gevoeliger voor het gebruik van verdovende middelen of alcohol in de puberteit. Juist als ADHD kinderen goed behandeld worden, lijkt de kans op verslavingen minder te zijn.

Hoe eerder een kind met ADHD hulp krijgt hoe meer de schade beperkt wordt. Het kind en de ouders kunnen leren hoe zij met de stoornis om kunnen gaan. De contacten van het kind met ouders en met leeftijdgenoten verbetert en op school gaat het ook beter.

naar boven

Welke behandelmogelijkheden zijn er?

Hieronder staat informatie over de behandeling van ADHD. U krijgt vooral informatie over de behandelingen waarvan wetenschappers en cliënten ontdekt hebben dat ze werken, ofwel effectief zijn. U vindt informatie over twee soorten behandelingen: Behandeling met medicijnen en Psychosociale interventies. Wanneer uw kind door de ADHD ernstige problemen heeft, die zijn/haar leven erg beïnvloeden, is behandeling met medicijnen samen met ouderbegeleiding volgens deskundigen meestal de beste behandelvorm. Bij minder ernstige problemen kunnen andere behandelingen ook goed werken.

Behandeling met medicijnen

Medicijnen zijn effectief maar genezen ADHD niet. Uw kind kan het middel, soms wel jaren nodig hebben anders komen de problemen terug. Medicijnen werken meestal beter dan psychosociale interventies. Er zijn verschillende medicijnen die werken. Eerst worden de medicijnen besproken die deskundigen als eerste keus aanraden, daarna de tweede keus medicijnen et cetera. De medicijnen staan vermeld met hun stofnaam, de bijbehorende merknamen staan er tussen haakjes achter. Meer informatie kunt u vinden op het onderdeel medicijnen.

Alleen artsen mogen medicijnen voorschrijven. Het gaat dan meestal om kinderartsen, neurologen en kinder- en jeugdpsychiaters. Huisartsen starten meestal de behandeling met medicijnen niet op. Huisartsen kunnen wel betrokken zijn bij de controle op het effect en de bijwerkingen van het medicijn en vervolgrecepten uitschrijven.

Voordat uw kind start met medicijnen is het goed dat de arts u het volgende uitlegt:

  • waarom het volgens hem/haar goed is om te starten met medicijnen
  • welk effect u kunt verwachten na hoeveel tijd
  • hoe het medicijn werkt
  • welke bijwerkingen kunnen optreden en wanneer u de arts moet waarschuwen
  • hoe u de arts kunt bereiken wanneer u zich zorgen maakt over de bijwerkingen
  • hoe vaak medicijncontrole nodig is
  • hoe lang het medicijn werkt
  • hoe het opbouwschema eruit ziet, ofwel starten met een lage dosis en de dosis telkens verhogen tot de goede dosis bereikt is
  • wat u kunt vertellen tegen de mensen uit uw omgeving die met "rare" verhalen komen over medicijngebruik

Het is ook belangrijk dat u kunt bespreken welke twijfels u heeft over medicijngebruik. U bent degene die uiteindelijk besluit of uw kind medicijnen gaat slikken of niet. De arts kan u en uw kind hierin begeleiden.

Hieronder staat informatie over de medicijnen voor de behandeling van ADHD bij kinderen:

naar boven

Methylfenidaat (bijvoorbeeld Ritalin®, Equasym XL®, Concerta®, Medikinet CR®) en dexamfetamine zijn stimulerende middelen, ook wel stimulantia genoemd. Het is niet precies bekend hoe het werkt. Van de 100 kinderen die methylfenidaat slikken, reageren 70 kinderen goed hierop en 30 kinderen niet. Voor dexamfetamine geldt hetzelfde. Deze getallen ziet u hier in een afbeelding.

Afbeelding 2

Deze medicijnen vallen onder de Opiumwet. Dit betekent dat de Inspectie voor de Volksgezondheid controleert hoeveel en hoe vaak artsen het medicijn voorschrijven. Wanneer u met dit medicijn naar het buitenland wilt, heeft u een Schengenverklaring nodig. Voor meer informatie klik hier. Methylfenidaat is het medicijn dat in Nederland en internationaal het meest gebruikt wordt bij ADHD. Dexamfetamine is het tweede keus medicijn wanneer methylfenidaat niet werkt of te veel bijwerkingen geeft.

Gebruik

Het is belangrijk om uw kind te laten wennen aan het gebruik van methylfenidaat en dexamfetamine. Wanneer dit met een rustig opbouwschema gebeurt, heeft uw kind mogelijk minder last van bijwerkingen. Deze bijwerkingen zijn meestal tijdelijk en komen vooral voor als uw kind het medicijn nog niet lang slikt.

Methylfenidaat of dexamfetamine moet vaak langere tijd gebruikt worden, soms wel jaren. Uw kind neemt dagelijks één of meer tabletten in: afhankelijk van of het een kort of langwerkend middel is. Sommige ouders laten hun kind in het weekend en tijdens vakanties geen medicijnen slikken. Als u daar ook over denkt, is het goed dit eerst met de arts te bespreken.

Soms neemt het probleemgedrag van een kind na het twaalfde jaar af en kan de arts de medicijnen stopzetten.

Als de problemen niet verminderen, kan het medicijn zonder problemen in de puberteit doorgeslikt worden. Toch is het goed om regelmatig met uw kind, de school en de arts te bespreken of het medicijngebruik nog nodig is.

Effect op ADHD

Methylfenidaat en dexamfetamine verminderen het probleemgedrag van het kind. De hyperactiviteit en impulsiviteit nemen af en het gedrag verbetert. Het kind kan beter luisteren, kan zich beter concentreren en is minder vergeetachtig. Het contact tussen ouder en kind wordt prettiger. Leeftijdgenoten vinden het leuker om met het kind om te gaan.

Na een aantal weken kunt u samen met de arts bepalen of de behandeling met methylfenidaat werkt.

Methylfenidaat is in verschillende vormen (zie hieronder) beschikbaar en onder verschillende merknamen. Sommige vormen worden snel afgegeven. Snelle afgifte betekent dat het medicijn snel wordt opgenomen in het bloed en korter werkt, dat wil zeggen drie tot vier uur. Andere vormen worden langzaam opgenomen in het bloed en werken langer.

Dexamfetamine is in één vorm beschikbaar, namelijk als tablet.

De verbeteringen die door de medicijnen komen, zijn tijdelijk. Wanneer het medicijn niet op tijd geslikt wordt, komt het probleemgedrag terug. Soms komt het gedrag zelfs korte tijd extra sterk terug. Uw kind is dan tijdelijk nog drukker of impulsiever dan voor de medicijninname, dit heet het reboundeffect. Het is daarom belangrijk om methylfenidaat volgens een strak schema te gebruiken.

Klik Vormen methylfenidaat voor de vormen van methylfenidaat die beschikbaar zijn.

De vorm bepaalt of uw kind het medicijn één of meer keren per dag moet slikken. Alle verzekeraars vergoeden de kortwerkende vorm, maar de langwerkende vorm niet altijd. Zie hiervoor: Vergoedingen eigen bijdrage ADHD-medicatie 2008

Bijwerkingen

De bijwerkingen zijn voor alle stimulantia gelijk. De meeste bijwerkingen van methylfenidaat en dexamfetamine zijn niet ernstig en treden vooral op aan het begin van de behandeling:

  • buikpijn
  • minder zin in eten, misselijkheid, gewichtafname
  • duizeligheid en hoofdpijn
  • slaapproblemen
  • huilerigheid
  • angst
  • prikkelbaarheid

Klik hier voor een meer uitgebreid overzicht van de bijwerkingen.

Meestal verminderen de bijwerkingen na één à twee weken na het starten met de behandeling. Ze verdwijnen ook wanneer de behandeling wordt gestopt of wanneer de dosis wordt verminderd. Soms komen de klachten niet door de bijwerkingen maar worden ze veroorzaakt door de ADHD zelf. Slaapproblemen komen bijvoorbeeld ook vaak voor wanneer een kind geen medicijnen gebruikt. Overigens slikt een aanzienlijk deel van de kinderen de medicijnen voor het slapen gaan omdat zij er goed of beter van slapen.

Bij kinderen die gevoelig zijn voor tics kunnen soms de tics toenemen. Aanpassen van de dosis helpt vaak maar soms is het nodig om voor een ander medicijn te kiezen. Bij sommige kinderen nemen de tics af door de medicijnen.

Als kinderen stimulantia gebruiken kan de lengte groei twee tot drie jaar iets minder snel verlopen dan bij kinderen die geen medicatie gebruiken. Na die tijd gaan ze weer groeien volgens de groeicurve, ongeacht of ze wel of geen medicatie slikken, maar soms iets lager op de groeicurve dan voorheen. Gemiddeld betekent dit dat kinderen ongeveer twee centimeter kleiner zullen worden dan ze zouden zijn zonder medicatie. Dus sommige kinderen groeien prima en anderen blijven iets achter. In zeldzame gevallen kan een lengtegroei die fors achterblijft reden zijn om te stoppen en een ander middel te proberen.

Overdosering

Als een kind dat methylfenidaat slikt verward gaat praten, te rustig is of als een automaat lijkt te handelen, kan dit wijzen op een te hoge dosis. De arts zal de dosis verlagen of het medicijn eventueel helemaal stoppen.

Atomoxetine (Strattera®) is een middel dat aangeraden wordt als stimulantia niet werken, te veel bijwerkingen geven of als deze middelen te kort werken. In Nederland is in de afgelopen jaren een redelijke ervaring met dit medicijn op gedaan. Atomoxetine is oorspronkelijk ontwikkeld voor de behandeling van depressies maar daar bleek het niet voor te werken. Toen bleek dat het wel werkzaam was voor ADHD. Atomoxetine is mogelijk net zo effectief als stimulantia maar valt niet onder de Opiumwet. Omdat stimulantia langer bekend zijn voor de behandeling van ADHD wordt in eerste instantie gekozen voor stimulantia en pas in tweede instantie voor atomoxetine.

Gebruik

Atomoxetine werkt 24 uur en in principe hoeft een kind maar één dosis per dag te slikken. Als blijkt dat het kind een éénmaal daagse dosis niet goed verdraagt of als een éénmaal daagse dosis niet voldoende werkt, kan uw arts ook een tweemaal daagse dosis voorschrijven (’s ochtends en laat in de middag of vroeg in de avond). Atomoxetine is alleen als capsule beschikbaar.

Niet alle verzekeraars vergoeden het gebruik van atomoxetine. Zie hiervoor: Vergoedingen eigen bijdrage ADHD-medicatie 2008.

Wanneer het kind stopt met dit medicijn is een afbouwschema van een paar dagen soms zinvol maar niet absoluut nodig.

Effect op ADHD

Bij atomoxetine duurt het langer voordat het effect merkbaar is. Na twee tot vier weken is het effect soms merkbaar. Na zes tot acht weken is het effect meestal optimaal.

Het kan zijn dat u in de eerste week al merkt dat het medicijn effect heeft. Meestal duurt het een aantal weken voordat er grote verbeteringen in het gedrag van uw kind merkbaar zijn.

Bijwerkingen

Atomoxetine wordt langzaam opgebouwd om de kans op bijwerkingen te verminderen.

De bijwerkingen die het meest voorkomen zijn:

  • slaperigheid
  • minder zin in eten, misselijkheid
  • braken
  • moeheid, duizeligheid
  • buikklachten

Klik hier voor een meer uitgebreid overzicht van de bijwerkingen.

Deze bijwerkingen verdwijnen gewoonlijk na verloop van tijd.

Overdosering

Wanneer een kind te veel atomoxetine heeft ingenomen kunnen onder andere de volgende verschijnselen ontstaan: slaperigheid, opwinding, hyperactiviteit, abnormaal gedrag, maag- en darmklachten, verwijding van de pupillen, versnelde hartslag en droge mond.

Nortriptyline (Nortrilen®) hoort bij de groep van de tricyclische antidepressiva (TCA’s) en is werkzaam bij ADHD. Nortriptyline kan soms als vierde keus middel gebruikt worden. Er is weinig onderzoek gedaan naar het effect van dit middel op de lange termijn bij kinderen met ADHD.

Gebruik

Het gebruik van nortriptyline kan overwogen worden wanneer het kind geen stimulantia, als methylfenidaat of dexamfetamine, en geen atomoxetine kan gebruiken of wanneer deze middelen niet werken. Voordat een kind start met de inname, zal de arts een ECG (hartfilm) laten maken om te onderzoeken of het kind geen hartproblemen heeft. Ook zal de arts de bloeddruk en hartslag goed controleren. Het kind zal langzaam aan de medicijnen moeten wennen en hiervoor wordt een opbouwschema gebruikt. Als het kind de gewenste dosis slikt, laat de arts weer een ECG maken. Vaak zal een kindercardioloog het kind onderzoeken.

TCA’s moeten regelmatig ingenomen worden en ouders moeten de inname goed controleren. Zij moeten goed letten op bijwerkingen.

Wanneer het kind gaat stoppen met nortriptyline is het belangrijk dat dit langzaam volgens een afbouwschema gebeurt.

Effect op ADHD

Vooral bij kinderen met ADHD die tics hebben of angstig zijn, kunnen TCA’s het geschikte middel zijn. Het is een langwerkend medicijn dat de hele dag effectief is. Het medicijn werkt minder goed dan stimulantia als methylfenidaat. Het middel werkt minder goed voor de ADHD-symptomen en is effectiever voor de vermindering van druk gedrag dan voor de verbetering van de concentratie.

Bijwerkingen

Bij nortriptyline is het belangrijk dat een kind niet te veel slikt anders kunnen er hartproblemen ontstaan. Deze bijwerking is ernstig. Ouders en artsen moeten hier goed op letten.

De bijwerkingen van antidepressiva worden door kinderen als zwaarder ervaren dan de bijwerkingen van stimulantia:

  • minder zin in eten
  • droge mond
  • slaapproblemen (slaperigheid)
  • duizeligheid, wazig zien, sufheid
  • prikkelbaarheid of apathie (initiatiefloos)
  • moeilijk kunnen plassen of poepen

Klik hier voor een meer uitgebreid overzicht van de bijwerkingen.

Wanneer een kind hier veel last van heeft of als het kind verward is, moet contact opgenomen worden met de arts.

Overdosering

Wanneer een kind te veel TCA’s heeft geslikt kunnen epileptische aanvallen, ademhalingsstoornissen en hartritmestoornissen ontstaan. Dit kan dodelijk zijn.

Clonidine (bijvoorbeeld Dixarit®, Catapresan®) is een anti-hogebloeddrukmiddel en is werkzaam bij ADHD. Clonidine kan soms als vierde keus middel gebruikt worden. Hoe clonidine werkt bij ADHD is niet precies bekend. Soms wordt clonidine toegevoegd aan methylfenidaat om een betere werking te krijgen.

Gebruik

Het gebruik van clonidine kan overwogen worden wanneer het kind geen stimulantia kan gebruiken. Voordat een kind start met de inname, zal de arts een ECG (hartfilm) laten maken om te onderzoeken of het kind geen hartproblemen heeft. Dit gebeurt vooral wanneer er hartproblemen in de familie voorkomen. Ook zal de arts de bloeddruk en hartslag goed controleren. Het kind zal langzaam aan de medicijnen moeten wennen en hiervoor wordt een opbouwschema gebruikt.

Clonidine moet regelmatig ingenomen worden en ouders moeten de inname goed controleren.

Wanneer het kind gaat stoppen met clonidine is het belangrijk dat dit langzaam volgens een afbouwschema gebeurt.

Effect op ADHD

Het middel werkt minder goed dan stimulantia en heeft wat meer vervelende bijwerkingen. Clonidine kan alleen of samen met een stimulantium gebruikt worden. Clonidine is mogelijk het geschikte middel voor kinderen met ADHD die tics hebben, slaapproblemen hebben of agressief zijn. Clonidine werkt beter voor het verminderen van druk gedrag (hyperactiviteit en impulsiviteit) dan voor concentratieproblemen.

Het duurt langer om dit medicijn op te bouwen. Na ongeveer twee maanden kunt u samen met de arts bepalen of de behandeling met clonidine werkt of dat de dosis aangepast moet worden.

Bijwerkingen

De bijwerkingen van clonidine zijn:

  • tijdelijke toename van hyperactiviteit
  • droge mond
  • slaperigheid in het begin
  • onrustig slapen
  • harde ontlasting
  • grotere eetlust en daardoor gewichtstoename
  • toename van depressieve klachten

Klik hier voor een meer uitgebreid overzicht van de bijwerkingen.

Overdosering

Wanneer een kind te veel clonidine heeft geslikt, kunnen een vertraagde hartslag en kleine pupillen ontstaan. In ernstige gevallen krijgt het kind een verlaagde lichaamstemperatuur.

Psychosociale interventies

Psychosociale interventies zijn de behandelingen die helpen om de ADHD-problemen te beheersen. Het zijn behandelingen waarvan onderzoek heeft laten zien dat ze bij een groot aantal kinderen goed werken. Psychosociale interventies kunnen ADHD ook niet genezen. Wel kunnen het kind, de ouders en de leerkrachten leren hoe ze beter met de ADHD-problemen om kunnen gaan. De psychosociale interventies gaan vaak samen met een behandeling met medicijnen.

De meest gebruikelijke behandelingen worden hier beschreven. Het zijn behandelingen waarvan onderzoek heeft laten zien dat ze werken. De behandelingen waarover de deskundigen weinig weten komen kort aan de orde onder 'Andere interventies'.

Psycho-educatie is het geven van informatie over alles wat met ADHD te maken heeft. Sommige hulpverleners noemen psycho-educatie een behandeling, anderen noemen het een vast onderdeel van elke behandeling. Psycho-educatie hoort niet te stoppen na een bepaalde tijd. Wanneer de diagnose net gesteld is, heeft u andere informatie nodig dan wanneer een behandeling gaat starten. Nieuwe informatie is ook belangrijk wanneer een kind voor het eerst medicijnen krijgt of wanneer nieuwe medicijnen op de markt zijn. Het doel van psycho-educatie is kort gezegd: informatie krijgen over ADHD waardoor het "makkelijker"wordt om te accepteren dat het kind ADHD heeft en leren met ADHD om te gaan.

Als u als ouder gehoord heeft dat uw kind ADHD heeft, vertelt de hulpverlener u wat die diagnose betekent. Wat is bekend van de oorzaak van ADHD? Welke problemen kan ADHD veroorzaken bij uw kind, in uw gezin, op school en in de omgeving? Kan ADHD over gaan? Is verbetering of verslechtering te verwachten? Waarom kan het goed zijn om ADHD toch te behandelen, zelfs wanneer de problemen in uw gezin wel meevallen?

Psycho-educatie kan u helpen om te accepteren dat uw kind ADHD heeft. U gaat namelijk inzien dat het niet uw schuld is dat uw kind zo druk is. U leert te kijken door de ogen van uw kind en leert ook dat uw kind zijn/haar probleemgedrag niet altijd kan beheersen. Als u dit begrijpt, kunt u samen met de hulpverlener op zoek naar de beste behandeling voor uw kind. Ook kunt u zoeken naar manieren om zo goed mogelijk met het moeilijke gedrag van uw kind om te gaan.

Psycho-educatie houdt ook in dat de hulpverlener u vertelt welke behandelingen er voor ADHD mogelijk zijn. Welke effecten kunt u verwachten van een behandeling? Wat zijn de voor- en nadelen van een behandeling? Hoe lang heeft uw kind de behandeling nodig?

Psycho-educatie helpt ouders om reële verwachtingen te hebben van de behandelmogelijkheden. Ouders zijn door psycho-educatie meer tevreden over de hulpverlening.

Uw arts en de andere hulpverleners waarmee u contact heeft, kunnen psycho-educatie geven. Maar u bent natuurlijk vrij om zelf informatie te zoeken. Vaak weten behandelaars goede en betrouwbare informatiebronnen. Het is ook van belang dat andere mensen in uw omgeving informatie over ADHD krijgen: bijvoorbeeld familie, buren, de leerkrachten van uw kind en vrienden.

Het is belangrijk dat ook de school te horen krijgt dat uw kind ADHD heeft. Zeker wanneer uw kind problemen heeft op school is psycho-educatie voor de leerkracht nodig. De leerkracht moet weten wat ADHD betekent en welk gedrag bij ADHD hoort. De leerkracht krijgt meer begrip voor uw kind als hij/zij begrijpt dat uw kind het gedrag niet altijd kan beheersen. De leerkracht kan inzien dat het probleemgedrag van het kind niet te maken heeft met de manier waarop hij/zij orde houdt. Pas dan kan de leerkracht in de klas dingen veranderen zodat uw kind daarmee geholpen is. Bijvoorbeeld een dagprogramma ophangen of taken voor uw kind opdelen in stukjes. De leerkracht kan er ook op letten om zoveel mogelijk positief te reageren op het kind. Ook wanneer uw kind weinig problemen op school heeft, is het goed dat de leerkracht op de hoogte is van de behandeling en dergelijke. De leerkracht kan extra opletten of hij/zij veranderingen in het gedrag van uw kind ziet. U kunt als ouder de leerkracht vertellen wat u weet van ADHD. Soms kan een behandelaar contact opnemen met de school.

Gedragstherapeutische oudertraining ofwel mediatietraining van ouders heeft een goed effect op de ADHD-problemen van een kind. Het effect van gedragstherapie is meestal minder dan behandeling met medicijnen. Of dit bij uw kind ook zo is hangt af van de andere problemen die het kind heeft. Bij kinderen met ADHD en een gedragsstoornis werken medicijnen beter. Kinderen met ADHD en een angststoornis reageren even goed op behandeling met medicijnen als op gedragstherapie. Kinderen met ADHD en meerdere bijkomende problemen (bijvoorbeeld een angststoornis én een gedragsstoornis) reageren beter op de combinatie gedragstherapie samen met behandeling met medicijnen.

Het doel van gedragstherapeutische oudertraining is dat kinderen minder last hebben van de beperkingen die door ADHD komen. De ouders leren door de training duidelijk te zijn naar hun kind. Het kind weet beter wat de ouders van hem/haar verwacht en het kind kan zich daardoor beter op de gewenste manier gedragen. Ouders leren het gedrag van hun kind om te buigen en worden de trainers thuis. Druk, impulsief gedrag, ruzies en dwarsheid nemen meestal af nadat de ouders gedragstherapeutische oudertraining hebben gevolgd. Om dit voor elkaar te krijgen, leren ouders de omgeving van hun kind te structureren. Zij organiseren het leven van het kind op zo een manier dat het kind beter begrijpt wat van hem/haar verwacht wordt op verschillende momenten van de dag. Een hulpmiddel hierbij is bijvoorbeeld een schoolbord op de deur van het kind waarop een dagprogramma staat. Ouders leren inzien welke momenten van de dag moeilijk zijn voor hun kind. Zij leren vooruit te kijken zodat ze bijvoorbeeld moeilijke momenten kunnen voorkomen. Ouders leren ook goed en gewenst gedrag van hun kind duidelijk te belonen. Daarnaast leren zij gelijk op ongewenst gedrag te reageren. Een kind merkt meteen dat zijn/haar probleemgedrag vervelende gevolgen heeft. Het probleemgedrag van het kind neemt hierdoor af en het kind krijgt vaker te horen dat hij/zij wat goed doet. Dit is goed voor het zelfvertrouwen van het kind.

Ouders krijgen de training tijdens acht tot twintig bijeenkomsten. Gedragstherapeutische oudertraining kost tijd. Ouders moeten naar de bijeenkomsten komen en tijd maken om de theorie te lezen en huiswerk te maken. Soms krijgen de ouders de training één op één en soms wordt de training in een groep gegeven. De training in de groep heeft als voordeel dat ouders de problemen van andere ouders (h)erkennen en dat ze onderling over hun ervaringen kunnen praten. Training één op één kan nodig zijn wanneer de problemen in een gezin ernstig zijn. Het is dan mogelijk om praktische pedagogische gezinsbegeleiding te krijgen. Een deskundige medewerker komt dan bij u thuis en gaat samen met u kijken welke problemen er zijn. De medewerker kan u tips geven om de situatie bij u thuis zo voorspelbaar mogelijk te maken voor uw kind.

Gedragstherapeutische leerkrachttraining heeft effect op het optreden van de ADHD-problemen van een kind. De training vermindert het probleemgedrag en helpt een kind te doen wat hij/zij moet doen. Het effect van gedragstherapie voor leerkrachten is minder sterk dan de behandeling met medicijnen. Gedragstherapeutische leerkrachttraining is minder bruikbaar voor het verminderen van impulsiviteit, hyperactiviteit en onoplettendheid. De training heeft minder effect op de leerprestaties. De interventie is effectief zolang de leerkracht actief met het gedrag van het kind bezig is en verdwijnt daarna. Gedragstherapeutische leerkrachttraining duurt meestal een paar maanden.

Het doel van gedragstherapeutische leerkrachttraining is dat kinderen minder last hebben van de beperkingen die door de ADHD komen. De leerkracht leert door de training duidelijk te zijn naar het kind. Het kind weet beter wat de leerkracht van hem/haar verwacht. Kinderen weten beter wat in de klas van hen verwacht wordt en zij kunnen zich daardoor beter op de gewenste manier gedragen.

In de training leert de leerkracht maatregelen in de klas te nemen waardoor het kind beter begrijpt wat de leerkracht van hem/haar verwacht. De leerkracht gaat gewenst gedrag van het kind belonen en ongewenst gedrag gelijk bestraffen. De leerkracht hoort eerst te onderzoeken op welke momenten het kind ongewenst gedrag laat zien. Wat zijn de situaties waarin het moeilijk is voor het kind om zich goed te gedragen. Als de leerkracht dat weet kan hij/zij een plan maken om het kind te helpen zijn/haar gedrag te veranderen.

Gedragstherapeutische leerkrachttraining is niet overal beschikbaar omdat de scholen onvoldoende geld en tijd hebben om de leerkrachten of interne begeleiders te (laten)scholen voor deze training. Veel scholen hebben daarom weinig of onvoldoende deskundigheid in huis. Soms is er aanbod vanuit de geestelijke gezondheidszorg in het onderwijs. Gedragstherapeutische leerkrachttraining vraagt veel tijd en aandacht van de leerkracht voor het kind met ADHD.

Zelfregulatietraining bij het kind is alleen effectief als op het zelfde moment ook de ouders en de leerkracht gedragstherapeutische trainingen doen. Zelfregulatietraining is een aanvullende behandeling.

Het doel van zelfregulatietraining is dat het kind manieren leert om zelf problemen op te lossen. Hij/zij leert ook om het eigen gedrag meer te beheersen. In plaats van doen wat het eerste in het hoofd op komt, gaat een kind eerst nadenken over mogelijke andere oplossingen. Kinderen leren te denken voor dat ze gaan doen. Kinderen krijgen door zelfregulatietraining meer zelfvertrouwen alleen al omdat de kinderen zelf kunnen helpen om de situatie thuis of op school prettiger te maken. De training kan het beste gegeven worden op de plaats waar het kind het nodig heeft.

Zelfregulatietraining wordt meestal in een groep gegeven. De kinderen kunnen daar oefenen met hun gedrag en zien dat zij niet de enige zijn die problemen hebben door de ADHD.

Socialevaardigheidstraining is voor kinderen met sociale problemen. Met sociale problemen wordt bedoeld dat kinderen met ADHD, vaak opdringerig of bazig zijn en niet goed aanvoelen wat anderen leuk en niet leuk vinden. Kinderen met ADHD hebben hierdoor vaak minder contact met kinderen van hun leeftijd.

Het doel van socialevaardigheidstraining is dat het kind beter met anderen leert omgaan. Socialevaardigheidstraining is een kortdurende training waarbij het kind leert oefenen met gewenst gedrag. Hierbij wordt het gewenste gedrag beloond.

Socialevaardigheidstraining heeft alleen effect wanneer het kind een "vaardigheidstekort" heeft en niet wanneer de sociale problemen door impulsiviteit komen.

Van de interventies die hieronder staan weten de deskundigen niet of ze voldoende effect hebben. Sommige ouders menen dat het een goede interventie is voor hun kind. Of dit voor het grootste deel van de ouders ook geldt is niet (voldoende) onderzocht.

Daghulp

Daghulp in een Medisch kleuterdagverblijf of een Boddaertcentrum kan overwogen worden wanneer andere psychosociale interventies niet voldoende effect hebben. Dit geldt wanneer de problemen in het gezin zo ernstig zijn dat oudertraining niet voldoende helpt of dat deskundigen langer moeten onderzoeken wat met het kind aan de hand is.

Logeeradres

Regelmatige opvang van een kind met ADHD in een logeerhuis kan overwogen worden. Hierbij kan gedacht worden aan weekend- of vakantieopvang. Sommige ouders kunnen de zorg voor hun kind alleen aan wanneer het kind af en toe even ergens anders is. Andere ouders willen af en toe met het hele gezin even weg om iets leuks te doen.

Fysiotherapie

Wanneer het kind naast ADHD ook neurologische of motorische stoornissen heeft, kan kinderfysiotherapie overwogen worden. Over de stoornis Developmental Coordination Disorder (DCD) is meer bekend. Lees verder: DCD bij kinderen

Kinderen met ADHD kunnen motorische problemen hebben: ze stoten vaker dingen om of ze vallen dikwijls. Dit kan komen door de impulsiviteit en het is dan geen motorische stoornis. Door de fysiotherapie kan de motoriek verbeteren en daardoor kan een kind een minder negatief zelfbeeld krijgen. De behandeling heeft geen effect op de ADHD symptomen.

Psychomotore therapie

Veel kinderen met ADHD hebben een slechtere motoriek dan kinderen zonder ADHD. Dit betekent dat zij minder goed bewegen dan leeftijdgenoten en meer moeite hebben met fijne bewegingen zoals schrijven. Psychomotore therapie of bewegingsactivering kan de motoriek verbeteren.

Bij psychomotore therapie wordt gewerkt met verschillende lichaamsoefeningen. Een kind leert wat zijn/haar lichaam kan en doet, bijvoorbeeld van rennen wordt je moe of vallen doet pijn. Een kind leert meer over oorzaak en gevolg.

Creatieve therapie

Bij creatieve therapie kunnen kinderen spelenderwijs contact krijgen met hun gevoelens. Kinderen kunnen bijvoorbeeld in een tekening uitdrukken hoe het is om ‘anders’ te zijn. Ze kunnen dingen maken of doen (muziek, drama, dans) en leren zich hierop te concentreren. Creatieve therapie is een aanvullende behandeling en kan in een groep of apart plaatsvinden.

Dieet

Veel ouders denken dat geraffineerde suiker en kunstmatige toevoegingen aan eten en drinken een negatief effect hebben op het gedrag van kinderen. Als dit zo is, geldt het hoogstwaarschijnlijk voor een kleine groep kinderen. Ook is niet goed bewezen of het toevoegen van bepaalde stoffen aan de voeding (voedingssupplementen) een goed effect heeft op de gedragsproblemen van kinderen met ADHD.

Het eliminatie dieet (of weinig eten dieet) is populair en gaat er van uit dat kinderen overgevoelig kunnen zijn voor bepaalde voedingsmiddelen. Door een streng dieet te volgen waarbij verschillende voedingsmiddelen weggelaten worden, kan uitgezocht worden of het kind ergens op reageert.

U vindt informatie hierover op de site: www.adhdenvoeding.nl

Alternatieve interventies

Sommige ouders menen dat alternatieve geneeswijzen als homeopathie, acupunctuur of biofeedback de problemen van hun kind verminderen. Of dit voor het grootste deel van de kinderen geldt, is tot nu toe niet goed bewezen.

Biofeedback of neurofeedback is hiervan de meest veelbelovende behandeling en wordt op dit moment nog volop onderzocht op effectiviteit.

U bevindt zich hier: