Angststoornissen bij volwassenen

Welke behandelmogelijkheden zijn er?

Hieronder worden de behandelmogelijkheden genoemd, waarover volgens de wetenschappers en de ervaringen van cliënten bekend is dat het werkt. Per type angststoornis zal zowel de psychologische behandeling als de behandeling met medicijnen beschreven worden. Wanneer iets bekend is over de werkzaamheid van twee behandelingen samen (combinatietherapie), wordt dat ook beschreven.

Wat kunt u zelf doen?

U kunt ook proberen u zelf 'te behandelen', dit heet zelfhulp. U kunt bijvoorbeeld informatie over uw angststoornis zoeken in folders, boeken, computerprogramma's en op websites of videocassettes. Zie Meer informatie. Naast de informatie (psycho-educatie) kunt u ook adviezen of oefeningen vinden, waaronder ontspanningsoefeningen. U kunt ook veel informatie krijgen wanneer u contact heeft met andere mensen die ook een angststoornis hebben. Dit lotgenotencontact biedt veel mensen ook steun omdat een lotgenoot weet wat het is om een angststoornis te hebben (herkenning). Verschillende patiëntenverenigingen bieden lotgenotencontact, zie Patiëntenorganisaties onder Meer informatie.

Over het effect van zelfhulp bij de verschillende angststoornissen is niet veel bekend. Het is niet zo vaak onderzocht als andere behandelmogelijkheden. Het is niet zo dat zelfhulp beter is dan behandeling met medicijnen of een psychologische behandeling. Wel is het bekend dat het wat beter met u gaat als u aan zelfhulp doet wanneer u bijvoorbeeld een paniekstoornis heeft. Dat wil zeggen beter dan wanneer u geen behandeling krijgt, ofwel niets doet. Zelfhulp werkt iets beter wanneer u er wat hulp bij krijgt. U kunt bijvoorbeeld een paar korte 'gesprekken voeren' met een behandelaar: in de behandelkamer, telefonisch of via de e-mail. Als uw angststoornis niet heel ernstig is, kan zelfhulp een goede eerste behandelstap zijn. Wanneer u merkt dat het niet genoeg werkt, is psychologische behandeling of behandeling met medicijnen een tweede stap.

Psychologische behandeling

Behandelaars geven een psychologische behandeling bij angstklachten. De behandeling bestaat uit gesprekken waarin u praat over uw angsten en de problemen die daarmee samenhangen. In die gesprekken worden ook afspraken gemaakt over oefeningen en activiteiten die u tussen de sessies gaat uitvoeren. Het doel van de psychologische behandeling is uw angstklachten en problemen (zo veel mogelijk) te laten verdwijnen. Uw behandelaar kan uw problemen niet voor u oplossen. Wel kan de behandelaar samen met u zoeken naar manieren om:

  • uw angstgevoelens te leren beheersen en te verminderen
  • uw onjuiste denkpatronen, die angst veroorzaken, te veranderen
  • situaties die angst oproepen op een andere manier aan te pakken

Tijdens de psychologische behandeling kan een behandelaar verschillende technieken of methodes gebruiken. Het zijn verschillende vormen van psychologische behandelingen. Bijvoorbeeld exposure en cognitieve therapie. De beschrijving van deze technieken of methodes staan hieronder beschreven.

Psychologische behandeling geeft geen bijwerkingen zoals medicijnen ze kunnen geven. Wel kan een behandeling zwaar zijn en grote invloed hebben op uw leven. U besteedt namelijk tussen de zittingen veel uren aan het uitvoeren van afspraken. Ook kan het zijn dat u sneller boos reageert of u een tijd lang verdrietig voelt. Bespreek het met uw behandelaar als u het moeilijk vindt om de behandeling vol te houden.

De behandelaar zal samen met u beslissen welke vorm van psychologische behandeling voor u geschikt is. Bij angststoornissen blijken vooral de technieken van de cognitieve gedragstherapie effectief te zijn. Welke technieken gekozen worden hangt af van de ernst van uw klachten en het type angststoornis. Of u daarnaast ook medicijnen gaat gebruiken hangt hier ook van af.

Het kan voor u belangrijk zijn om te weten of de psychologische behandeling (volledig) vergoed wordt. De vergoeding kan wisselen per verzekeraar, verzekeringspakket, behandelaar en type therapie. U kunt het beste aan uw verzekeraar vragen of een behandeling vergoed wordt. Ook de ADF-Stichting kan u hierover informatie geven.

Veel van onderstaande psychologische behandelingen worden geboden door een behandelaar die cognitieve gedragstherapie geeft. Het is belangrijk dat een behandelaar hier voor opgeleid is. Bij de Vereniging voor Gedragstherapie en Cognitieve Therapie (VGCt) kunt u een lijst met gedragstherapeuten en/of cognitief therapeuten vinden.

Bij cognitieve therapie gaat het om het idee dat vervelende emoties (angst) ontstaan of blijven bestaan door denkfouten. Als u angstig reageert op een situatie die eigenlijk niet echt bedreigend is, reageert u niet op die situatie maar op wat u denkt over de situatie . Eigenlijk bepaalt u dus zelf of u het als een probleem of gevaar ziet en hoe groot het probleem is. Dit gebeurt niet bewust en het gebeurt in een seconde. Door cognitieve therapie leert u de denkfouten te vervangen door meer kloppende en positieve gedachten. Daarom wordt er ook wel gesproken van cognitieve herstructurering.

Cognitieve therapie kunt u individueel en in een groep krijgen. In een groep zijn het meestal zeven tot vijftien bijeenkomsten van negentig minuten. Meestal zijn uw klachten dan flink verminderd maar het betekent niet dat uw behandeling dan klaar is. Vaak zijn nog vervolgsessies nodig. Het leren bestrijden van negatieve gedachten kost best wel tijd, ook in huiswerktijd, maar kan de angst flink minderen.

Deze behandeling houdt in dat u stapje voor stapje blootgesteld wordt aan die situaties die juist angst bij u oproepen, en die u daardoor bent gaan vermijden. U komt in aanraking met een situatie waar u bang voor bent en de situaties waarmee u gaat oefenen worden langzaamaan steeds moeilijker. De bedoeling is dat u tijdens deze oefening geen dingen doet om de angst te ontvluchten (zoals bijv. een pilletje nemen, hulp vragen, dwanghandelingen uitvoeren). Na een bepaalde tijd neemt uw angst af en gaat u er aan wennen. Als u een situatie zonder veel angst kunt doorstaan, gaat u met een moeilijkere situatie aan de slag.

Wanneer u een ernstige gebeurtenis (trauma) heeft meegemaakt, gaat u onder begeleiding van de behandelaar de herinnering aan deze gebeurtenis weer naar boven halen. Op deze manier zal u de gevoelens die u toen had opnieuw beleven. Doordat u elke keer opnieuw lange tijd deze herinneringen ‘ophaalt’ kunt u het gaan verwerken.

Exposure is een vorm van gedragstherapie. U gaat 'door de angst heen'. Het is een methode die vaak zwaar wordt gevonden, maar die ook veel oplevert.

Applied relaxation helpt u om in moeilijke situaties, situaties waarin u angstig bent, te ontspannen. Op die manier krijgt u uw angst onder controle. Het is een methode in verschillende stappen. U leert de verschijnselen van paniek te herkennen en u gaat door ontspanningstechnieken de paniek beheersen. U leert ook de vaardigheid toepassen in allerlei spanningsvolle situaties.

Bij sociale vaardigheidstraining gaat het om het trainen van de vaardigheden die u niet (voldoende) heeft. Omdat u te weinig vaardigheden heeft, komt u in de problemen wanneer u contact heeft met anderen. Het kan bijvoorbeeld zijn dat u vervelende (negatieve) reacties van anderen krijgt. In de sociale vaardigheidstraining leert u bijvoorbeeld door rollenspellen, wat er gebeurt in die situaties en leert u op een andere manier te reageren. U krijgt meer zelfvertrouwen waardoor het contact met anderen beter gaat verlopen.

Sociale vaardigheidstraining kunt u individueel en in een groep krijgen. In een groep zijn het meestal zeven tot vijftien bijeenkomsten van negentig minuten.

Als u angstig bent, kan het zijn dat u er vooral op let of u gaat blozen, trillen of zweten. Hierdoor worden de klachten vaak steeds erger. U bent dan bezig met uw lichamelijke klachten en het is dan moeilijk om aandacht te hebben voor wat u aan het doen bent (de taak). Door taakconcentratietraining leert u de aandacht niet op u zelf te richten maar op wat u moet doen (de taak). Deze techniek wordt vaak toegepast bij de behandeling van sociale fobie.

EMDR helpt u om de vastgelopen verwerking van een ernstige gebeurtenis (trauma) weer op gang te helpen. Dat gebeurt door aan het trauma of een aspect daarvan te denken. Terwijl u dit doet richt u de aandacht tegelijkertijd op iets dat afleidt, bijvoorbeeld van links naar rechts bewegende vingers van de therapeut, of klikjes afwisselend in linker- en rechteroor, via een koptelefoon. Het blijkt dat na enige tijd de intensiteit van de emoties bij het denken aan het trauma flink kunnen verminderen. Voor deze techniek is het niet nodig dat u thuis oefent.

Bij cognitieve gedragstherapie gaat het om een combinatie van exposure en cognitieve therapie, en indien nodig een van de andere hierboven genoemde technieken.

Behandeling met medicijnen

De behandelaar zal samen met u kijken of medicijnen voor u een goede behandelmogelijkheid zijn. Dit hangt af van de ernst van uw klachten en het type angststoornis. Of u daarnaast ook en psychologische behandeling krijgt, hangt hier ook van af.

Sommige medicijnen helpen de verschijnselen van een aantal angststoornissen te laten verdwijnen of te verminderen. Een behandelaar schrijft u medicijnen voor en u hoort dan ook wanneer u ze kunt innemen.

Er zijn verschillende soorten medicijnen die u op verschillende manieren moet innemen: capsules, tabletten of druppels. Medicijnen worden via uw maag en darmen in uw bloed opgenomen. Pas wanneer de juiste hoeveelheid in uw bloed zit, werkt het medicijn goed. Sommige middelen worden sneller in uw bloed opgenomen dan andere middelen.

Medicijnen die angst verminderen werken op uw hersenen. Het kan zijn dat de medicijnen ook invloed hebben op een ander deel van uw lichaam. U kunt daarom bijwerkingen krijgen, maar dit hoeft niet. Bovendien kan dit voor elke persoon weer anders zijn . Bijwerkingen kunnen optreden aan het begin van de behandeling en na enkele weken weer wegtrekken. Sommige bijwerkingen kunnen aanwezig blijven zolang men de medicijnen slikt. Ook kunnen bijwerkingen optreden wanneer u een te hoge dosering van het medicijn gebruikt of wanneer het medicijn niet goed samen gaat met andere medicijnen die u gebruikt. Het kan zijn dat uw klachten tijdelijk wat erger worden als u de medicijnen net slikt. Voordat u start met de medicijnen hoort de behandelaar u uit te leggen:

  • waarom het volgens hem/haar goed is om te starten met medicijnen
  • welk effect u kunt verwachten na hoeveel tijd
  • hoe het medicijn werkt
  • welke bijwerkingen kunnen optreden en wanneer u de arts moet waarschuwen
  • hoe lang het medicijn werkt
  • hoe u de dosering van het medicijn het beste kunt opbouwen tot de goede dosis bereikt is

Het is ook belangrijk dat u kunt bespreken welke twijfels u heeft over medicijngebruik. U wordt aangeraden om uw behandelaar om uitleg te vragen als u iets niet duidelijk is. Zeker als u het middel nog maar kort slikt is regelmatige controle door de behandelaar belangrijk, bijvoorbeeld eenmaal in de twee weken een afspraak.

Uw behandelaar gaat op deze manier met u op zoek naar het juiste middel, de goede hoeveelheid (dosering) en de minste bijwerkingen.

Als de medicijnen werken en uw klachten verminderen of verdwijnen, zal uw behandelaar u adviseren het medicijn een tijd te blijven gebruiken. Hoe lang uw behandelaar u adviseert om door te gaan met de medicijnen hangt onder andere af van het type angststoornis, of u eerder last heeft gehad van angststoornissen en het soort medicijn.

Omdat de medicijnen vaak langere tijd (vaak 1 jaar of langer) moeten worden gebruikt, zal de behandelaar proberen om met u naar de laagste dosering van het medicijn te zoeken waarbij de angstklachten nog wegblijven. Dit gaat door telkens een beetje minder te gaan gebruiken terwijl u en de behandelaar goed in de gaten houden dat de angstklachten niet terugkomen.

Hoewel de meeste medicijnen die gebruikt worden bij angststoornissen niet verslavend zijn, kunnen ze soms toch onthoudingsverschijnselen veroorzaken als u stopt of de dosering vermindert. Het is belangrijk dat u daarvan op de hoogte bent omdat deze onthoudingsverschijnselen kunnen lijken op de lichamelijke klachten die mensen bij angst ervaren, zoals duizeligheid en trillen. U zou dan kunnen denken dat de oorspronkelijke angstklachten weer terugkomen terwijl dat niet zo is. Bij de verschillende soorten medicijnen geven we u hierover meer informatie.

Hieronder worden de medicijnen algemeen beschreven. Eerst worden de medicijnen besproken die deskundigen als eerste stap aanraden. Daarna staat het medicijn genoemd dat als tweede stap wordt aangeraden, dus als het eerste stap medicijn niet werkt, et cetera. Deze keuzevolgorde is niet bij alle angststoornissen hetzelfde. Kijkt u daarom bij de afzonderlijke angststoornissen welk medicijn voor welke angststoornis werkt en in welke volgorde de medicijnen worden geadviseerd. De medicijnen staan vermeld met hun grondstofnaam en tussen haakjes de bijbehorende merknamen. Indien u na het lezen van de tekst verdere informatie wilt, wordt u verwezen naar uw behandelaar of apotheker. Ook kunt u aanvullende informatie vinden op het onderdeel medicijnen.

SSRI’s zijn antidepressiva, ze helpen bij een depressie maar ook bij de meeste angststoornissen. SSRI’s worden als eerste stap aangeraden door deskundigen. Serotonine heropnameremmers regelen in uw hersenen de hoeveelheid serotonine, een stof die een rol speelt bij stemming en angst. Door SSRI’s verminderen de gevoelens van angst. SSRI’s die bij angststoornissen worden gebruikt zijn citalopram (Cipramil), escitalopram (Lexapro), fluoxetine (Prozac), fluvoxamine (Fevarin), paroxetine (Seroxat), sertraline (Zoloft) en venlafaxine (Efexor). Niet alle SSRI’s zijn even goed onderzocht op de werkzaamheid bij angststoornissen. Daarom zijn de genoemde SSRIs niet allemaal goedgekeurd voor gebruik bij angststoornissen, zodat u deze toepassing niet altijd in de bijsluiter terugvindt. Veel behandelaars gaan er echter van uit dat deze medicijnen in hun werkzaamheid zoveel op elkaar lijken dat ze allemaal voorgeschreven kunnen worden bij angststoornissen. De keuze wordt dan vooral bepaald doordat de verschillende SSRI’s wel kunnen verschillen in de bijwerkingen die kunnen optreden.

Gebruik

SSRI’s worden over het algemeen goed verdragen en zijn veilig in gebruik. De medicijnen moeten in een langzaam tempo opgebouwd worden, meestal in een week of twee. De arts geeft u daarvoor een opbouw schema mee: u slikt telkens iets meer totdat de goede dosis bereikt is. Vooral in de eerste weken van het gebruik van SSRI's kan het gebeuren dat uw angst- en paniekgevoelens erger worden. De behandelaar zal vaak voorstellen om tijdelijk en 'zo nodig' een benzodiazepine (zie hieronder) te gebruiken.

Het is niet goed om in een keer te stoppen met het gebruik van SSRI’s. Een afbouwschema is nodig omdat er onthoudingsverschijnselen kunnen optreden. Uw lichaam is gewend aan het medicijn en u kunt bijvoorbeeld duizelig worden wanneer u plotseling stopt of de medicijnen vermindert. U kunt ook het idee krijgen dat uw angststoornis weer terug komt omdat de klachten daarop lijken.

Werking

Nadat de goede dosis bereikt is, hebben medicijnen een tijd nodig om hun werk te gaan doen. Afhankelijk van het type angststoornis kunt u na vier tot twaalf weken samen met de arts bepalen of de behandeling met SSRI’s werkt. Soms zal de arts adviseren om de dosering te verhogen om een beter resultaat te bereiken. SSRI’s kunnen lange tijd (zelfs meerdere jaren) gebruikt worden. Indien blijkt dat het medicijn niet effectief is, zal de arts met u bespreken of overgestapt kan worden op een ander medicijn of op een psychologische behandeling.

Bijwerkingen

De SSRI’s worden door de meeste mensen goed verdragen. Van de 100 mensen die SSRI's slikken, stoppen 18 mensen met de behandeling door de bijwerkingen en 82 mensen gaan door met de behandeling. De meeste bijwerkingen verdwijnen na een of twee weken gebruik als u gewend bent geraakt aan het middel.

Bij SSRI’s zijn de meest voorkomende bijwerkingen:

  • slaperigheid of slapeloosheid
  • hoofdpijn
  • vermoeidheid
  • trillen
  • duizeligheid
  • droge mond
  • misselijkheid
  • verstopping
  • zweten

Bij SSRI's zijn minder vaak voorkomende bijwerkingen:

  • angst
  • nervositeit
  • verwardheid
  • rusteloosheid
  • opwinding
  • abnormaal dromen
  • gapen
  • verandering in eetlust en lichaamsgewicht
  • diarree
  • wazig zien
  • tintelingen
  • gevoelloosheid
  • seksuele problemen, zoals minder zin in seks en impotentie

Bij plotseling stoppen van SSRI’s kunnen optreden:

  • slaapstoornissen
  • duizeligheid
  • hoofdpijn
  • misselijkheid
  • angst
  • opwinding
  • trillen
  • tintelingen
  • gevoelloosheid

Bij één derde van de mensen kan in de eerste twee tot drie weken de angst tijdelijk iets erger worden. Meestal wordt de angst na twee tot drie weken al weer duidelijk minder. Indien u merkt dat u meer gespannen of angstig wordt vlak nadat u met de medicijnen bent begonnen, dan kan uw arts u tijdelijk medicijnen voorschrijven die deze toename van angst weer tegengaan.

Klachten die als gevolg van gebruik van een SSRI op zouden kunnen treden en die meestal niet minder worden als men de SSRI langer gebruikt zijn veranderingen van de eetlust, een vertraagde of versnelde stoelgang, hoofdpijn en seksuele problemen. Indien u last heeft van deze bijwerkingen bespreek dit dan met uw arts. Deze kan dan kijken wat eraan gedaan kan worden en of bijvoorbeeld de dosering verlaagd kan worden waardoor de bijwerking kan verminderen.

Zie voor meer uitleg over de bijwerkingen van SSRI's het onderdeel medicijnen, onder andere bij bijwerkingen van fluvoxamine en bijwerkingen van citalopram

Tricyclische antidepressiva regelen in de hersenen de hoeveelheid serotonine en noradrenaline. Deze twee stoffen komen in uw lichaam voor en ze spelen een rol bij stemming en emoties. Door het gebruik van TCA’s verminderen de gevoelens van angst. TCA’s worden bij een aantal angststoornissen als tweede stap in de behandeling met medicijnen aangeraden nadat één of twee SSRI’s geprobeerd zijn maar geen effect hadden. In vergelijking met SSRI’s geven TCA’s iets vaker bijwerkingen en kunnen soms minder makkelijk gecombineerd worden met andere medicijnen.

clomipramine (Anafranil) en imipramine (Tofranil) horen bij de groep van de TCA’s en zijn werkzaam bij diverse angststoornissen.

Gebruik

Het gebruik van TCA’s kan overwogen worden wanneer u geen SSRI’s kan gebruiken of wanneer u al één of twee SSRI's heeft geprobeerd zonder effect.

De medicijnen moeten in een langzaam tempo opgebouwd worden, meestal in een week of twee. De arts geeft u daarvoor een opbouw schema mee: u gebruikt telkens iets meer totdat de goede dosis bereikt is. Vooral in de eerste weken van het gebruik van TCA's kan het gebeuren dat uw angst- en paniekgevoelens erger worden. De behandelaar zal vaak voorstellen om tijdelijk en 'zo nodig' een benzodiazepine te gebruiken.

Het is niet goed om in een keer te stoppen met het gebruik van TCA’s. Een afbouwschema is nodig omdat er onthoudingsverschijnselen kunnen optreden. Uw lichaam is gewend aan het medicijn en u kunt bijvoorbeeld duizelig worden wanneer u plotseling stopt of de medicijnen vermindert. U kunt ook het idee krijgen dat uw angststoornis weer terug komt omdat de klachten daarop lijken.

Werking

Nadat de goede dosis bereikt is, hebben de medicijnen een tijd nodig om hun werk te gaan doen. Afhankelijk van het type angststoornis kunt u na vier tot twaalf weken samen met de arts bepalen of de behandeling met TCA’s werkt. Soms zal de arts adviseren om de dosering te verhogen om een beter resultaat te bereiken. TCA’s kunnen lange tijd (zelfs meerdere jaren) gebruikt worden. Indien blijkt dat het medicijn niet effectief is, zal de arts met u bespreken of overgestapt kan worden op een ander medicijn of op een psychologische behandeling.

Bijwerkingen

TCA's kunnen bijwerkingen geven. De meeste bijwerkingen zijn in de eerste weken het meest uitgesproken en nemen daarna af of verdwijnen zelfs. Ze gaan weer over als u met het middel stopt. Van de 100 mensen die TCA's slikken, stoppen 30 mensen met de behandeling door de bijwerkingen en 70 mensen gaan door met de behandeling.

Bij TCA’s zijn de meest voorkomende bijwerkingen:

  • slaperigheid
  • hoofdpijn
  • vermoeidheid
  • trillen
  • duizeligheid
  • droge mond
  • misselijkheid
  • verstopping
  • grotere eetlust en gewichtstoename
  • zweten
  • wazig zien
  • problemen met plassen
  • onrust
  • spiertrekkingen
  • seksuele problemen zoals impotentie en minder zin in seks.

Bij plotseling stoppen van TCA’s kunnen optreden:

  • slapeloosheid
  • hoofdpijn
  • angst
  • nervositeit
  • misselijkheid en andere maagdarmklachten.

Bij één derde van de mensen kan in de eerste twee tot drie weken de angst tijdelijk iets erger worden. Meestal wordt de angst na twee tot drie weken al weer duidelijk minder. Indien u merkt dat u meer gespannen of angstig wordt vlak nadat u met de medicijnen bent begonnen, dan kan uw arts u tijdelijk medicijnen voorschrijven die deze toename van angst weer tegengaan.

Zie voor meer uitleg over de bijwerkingen van TCA's www.apotheek.nl, onder andere bij bijwerkingen clomipramine en bijwerkingen imipramine.

Benzodiazepinen als alprazolam (Xanax), clonazepam (Rivotril), diazepam (Valium) en lorazepam (Temesta) verminderen emoties. U wordt daardoor kalmer als u angstig of gespannen bent en uw lichamelijke klachten, zoals hartkloppingen, buikpijn, trillen en transpireren nemen af.

Clonazepam is niet goedgekeurd voor gebruik bij angststoornissen zodat u deze toepassing niet in de bijsluiter terug vindt.

Gebruik

Het gebruik van benzodiazepinen kan bij een aantal angststoornissen worden overwogen wanneer u geen SSRI’s of TCA’s kan gebruiken of als deze medicijnen geen effect bij u hadden. Benzodiazepinen worden over het algemeen goed verdragen maar er bestaat een risico op afhankelijkheid. Dit is de reden dat benzodiazepinen bij een aantal angststoornissen pas als derde stap wordt aangeraden door deskundigen.

Het is goed om een langzaam opbouwschema te volgen om de sufheid te verminderen of voorkomen.

Benzodiazepinen kunnen ook als extra medicijn worden gebruikt in de opstartfase van een SSRI of TCA. Omdat benzodiazepinen direct werken kunnen zij de angst verminderen in de tijd dat het SSRI of TCA nog niet werkt of indien de angstklachten door opstarten van deze laatste middelen tijdelijk iets erger zijn. Het gaat hier dan om kortdurend gebruik van het benzodiazepine gedurende enkele weken.

Werking

Benzodiazepinen werken over het algemeen direct. Benzodiazepinen kunnen lange tijd geslikt worden. Bij dit middel is er een kans op de lichamelijke en geestelijke afhankelijkheid.

Bijwerkingen

De belangrijkste bijwerking is een verminderd reactie-, concentratie- en coördinatievermogen. Van de 100 mensen die benzodiazepinen slikken, stoppen 15 mensen met de behandeling door de bijwerkingen en 85 mensen gaan door met de behandeling.

Zie voor meer uitleg over de bijwerkingen van benzodiazepinen het onderdeel medicijnen, onder andere bij bijwerkingen diazepam en bijwerkingen alprazolam

Een aantal medicijnen worden in speciale gevallen bij angststoornissen gebruikt wanneer SSRI's en TCA's onvoldoende werken of niet gebruikt kunnen worden.

Fenelzine is een zogenaamde monoamine-oxidase remmer (MAOI). MAOI's regelen in de hersenen de hoeveelheid serotonine en noradrenaline. Deze twee stoffen komen in uw lichaam voor en ze spelen een rol bij stemming en emoties. Het wordt in speciale gevallen bij angststoornissen gebruikt wanneer de SSRI’s en TCA’s onvoldoende werken. MAOI’s worden over het algemeen wat minder goed verdragen dan SSRI’s/TCA’s en zijn minder veilig in gebruik.

Atypische antipsychotica zijn werkzaam bij een obsessieve-compulsieve stoornis hoewel mensen die deze stoornis hebben niet psychotisch zijn. Uit onderzoek is gebleken dat een lage dosering van antipsychotica kan helpen om angsten en dwanggedachten te verminderen. Een deel van de mensen die geen effect bemerkte bij het gebruik van een SSRI, verbeterde alsnog na het toevoegen van een lage dosering antipsychotica. Ook als iemand onvoldoende effect bemerkte bij gebruik van clomipramine, dan kan een lage dosering antipsychotica worden toegevoegd.

U bevindt zich hier:

U gebruikt een verouderde webbrowser, wij raden u aan over te schakelen naar een van onderstaande moderne internetbrowsers.