SSRI’s zijn antidepressiva, ze helpen bij een depressie maar ook bij de meeste angststoornissen. SSRI’s worden als eerste stap aangeraden door deskundigen. Serotonine heropnameremmers regelen in uw hersenen de hoeveelheid serotonine, een stof die een rol speelt bij stemming en angst. Door SSRI’s verminderen de gevoelens van angst. SSRI’s die bij angststoornissen worden gebruikt zijn citalopram (Cipramil), escitalopram (Lexapro), fluoxetine (Prozac), fluvoxamine (Fevarin), paroxetine (Seroxat), sertraline (Zoloft) en venlafaxine (Efexor). Niet alle SSRI’s zijn even goed onderzocht op de werkzaamheid bij angststoornissen. Daarom zijn de genoemde SSRIs niet allemaal goedgekeurd voor gebruik bij angststoornissen, zodat u deze toepassing niet altijd in de bijsluiter terugvindt. Veel behandelaars gaan er echter van uit dat deze medicijnen in hun werkzaamheid zoveel op elkaar lijken dat ze allemaal voorgeschreven kunnen worden bij angststoornissen. De keuze wordt dan vooral bepaald doordat de verschillende SSRI’s wel kunnen verschillen in de bijwerkingen die kunnen optreden.
SSRI’s worden over het algemeen goed verdragen en zijn veilig in gebruik. De medicijnen moeten in een langzaam tempo opgebouwd worden, meestal in een week of twee. De arts geeft u daarvoor een opbouw schema mee: u slikt telkens iets meer totdat de goede dosis bereikt is. Vooral in de eerste weken van het gebruik van SSRI's kan het gebeuren dat uw angst- en paniekgevoelens erger worden. De behandelaar zal vaak voorstellen om tijdelijk en 'zo nodig' een benzodiazepine (zie hieronder) te gebruiken.
Het is niet goed om in een keer te stoppen met het gebruik van SSRI’s. Een afbouwschema is nodig omdat er onthoudingsverschijnselen kunnen optreden. Uw lichaam is gewend aan het medicijn en u kunt bijvoorbeeld duizelig worden wanneer u plotseling stopt of de medicijnen vermindert. U kunt ook het idee krijgen dat uw angststoornis weer terug komt omdat de klachten daarop lijken.
Nadat de goede dosis bereikt is, hebben medicijnen een tijd nodig om hun werk te gaan doen. Afhankelijk van het type angststoornis kunt u na vier tot twaalf weken samen met de arts bepalen of de behandeling met SSRI’s werkt. Soms zal de arts adviseren om de dosering te verhogen om een beter resultaat te bereiken. SSRI’s kunnen lange tijd (zelfs meerdere jaren) gebruikt worden. Indien blijkt dat het medicijn niet effectief is, zal de arts met u bespreken of overgestapt kan worden op een ander medicijn of op een psychologische behandeling.
De SSRI’s worden door de meeste mensen goed verdragen. Van de 100 mensen die SSRI's slikken, stoppen 18 mensen met de behandeling door de bijwerkingen en 82 mensen gaan door met de behandeling. De meeste bijwerkingen verdwijnen na een of twee weken gebruik als u gewend bent geraakt aan het middel.
Bij SSRI’s zijn de bijwerkingen:
- slaperigheid of slapeloosheid
- hoofdpijn
- vermoeidheid
- trillen
- duizeligheid
- droge mond
- misselijkheid
- verstopping
- zweten
Bij SSRI's zijn voorkomende bijwerkingen:
- angst
- nervositeit
- verwardheid
- rusteloosheid
- opwinding
- abnormaal dromen
- gapen
- verandering in eetlust en lichaamsgewicht
- diarree
- wazig zien
- tintelingen
- gevoelloosheid
- seksuele problemen, zoals minder zin in seks en impotentie
Bij plotseling stoppen van SSRI’s kunnen optreden:
- slaapstoornissen
- duizeligheid
- hoofdpijn
- misselijkheid
- angst
- opwinding
- trillen
- tintelingen
- gevoelloosheid
Bij één derde van de mensen kan in de eerste twee tot drie weken de angst tijdelijk iets erger worden. Meestal wordt de angst na twee tot drie weken al weer duidelijk minder. Indien u merkt dat u meer gespannen of angstig wordt vlak nadat u met de medicijnen bent begonnen, dan kan uw arts u tijdelijk medicijnen voorschrijven die deze toename van angst weer tegengaan.
Klachten die als gevolg van gebruik van een SSRI op zouden kunnen treden en die meestal niet minder worden als men de SSRI langer gebruikt zijn veranderingen van de eetlust, een vertraagde of versnelde stoelgang, hoofdpijn en seksuele problemen. Indien u last heeft van deze bijwerkingen bespreek dit dan met uw arts. Deze kan dan kijken wat eraan gedaan kan worden en of bijvoorbeeld de dosering verlaagd kan worden waardoor de bijwerking kan verminderen.
Zie voor meer uitleg over de bijwerkingen van SSRI's het onderdeel medicijnen, onder andere bij bijwerkingen van fluvoxamine en bijwerkingen van citalopram
Tricyclische antidepressiva regelen in de hersenen de hoeveelheid serotonine en noradrenaline. Deze twee stoffen komen in uw lichaam voor en ze spelen een rol bij stemming en emoties. Door het gebruik van TCA’s verminderen de gevoelens van angst. TCA’s worden bij een aantal angststoornissen als tweede stap in de behandeling met medicijnen aangeraden nadat één of twee SSRI’s geprobeerd zijn maar geen effect hadden. In vergelijking met SSRI’s geven TCA’s iets vaker bijwerkingen en kunnen soms minder makkelijk gecombineerd worden met andere medicijnen.
clomipramine (Anafranil) en imipramine (Tofranil) horen bij de groep van de TCA’s en zijn werkzaam bij diverse angststoornissen.
Het gebruik van TCA’s kan overwogen worden wanneer u geen SSRI’s kan gebruiken of wanneer u al één of twee SSRI's heeft geprobeerd zonder effect.
De medicijnen moeten in een langzaam tempo opgebouwd worden, meestal in een week of twee. De arts geeft u daarvoor een opbouw schema mee: u gebruikt telkens iets meer totdat de goede dosis bereikt is. Vooral in de eerste weken van het gebruik van TCA's kan het gebeuren dat uw angst- en paniekgevoelens erger worden. De behandelaar zal vaak voorstellen om tijdelijk en 'zo nodig' een benzodiazepine te gebruiken.
Het is niet goed om in een keer te stoppen met het gebruik van TCA’s. Een afbouwschema is nodig omdat er onthoudingsverschijnselen kunnen optreden. Uw lichaam is gewend aan het medicijn en u kunt bijvoorbeeld duizelig worden wanneer u plotseling stopt of de medicijnen vermindert. U kunt ook het idee krijgen dat uw angststoornis weer terug komt omdat de klachten daarop lijken.
Nadat de goede dosis bereikt is, hebben de medicijnen een tijd nodig om hun werk te gaan doen. Afhankelijk van het type angststoornis kunt u na vier tot twaalf weken samen met de arts bepalen of de behandeling met TCA’s werkt. Soms zal de arts adviseren om de dosering te verhogen om een beter resultaat te bereiken. TCA’s kunnen lange tijd (zelfs meerdere jaren) gebruikt worden. Indien blijkt dat het medicijn niet effectief is, zal de arts met u bespreken of overgestapt kan worden op een ander medicijn of op een psychologische behandeling.
TCA's kunnen bijwerkingen geven. De meeste bijwerkingen zijn in de eerste weken het meest uitgesproken en nemen daarna af of verdwijnen zelfs. Ze gaan weer over als u met het middel stopt. Van de 100 mensen die TCA's slikken, stoppen 30 mensen met de behandeling door de bijwerkingen en 70 mensen gaan door met de behandeling.
Bij TCA’s zijn de bijwerkingen:
- slaperigheid
- hoofdpijn
- vermoeidheid
- trillen
- duizeligheid
- droge mond
- misselijkheid
- verstopping
- grotere eetlust en gewichtstoename
- zweten
- wazig zien
- problemen met plassen
- onrust
- spiertrekkingen
- seksuele problemen zoals impotentie en minder zin in seks.
Bij plotseling stoppen van TCA’s kunnen optreden:
- slapeloosheid
- hoofdpijn
- angst
- nervositeit
- misselijkheid en andere maagdarmklachten.
Bij één derde van de mensen kan in de eerste twee tot drie weken de angst tijdelijk iets erger worden. Meestal wordt de angst na twee tot drie weken al weer duidelijk minder. Indien u merkt dat u meer gespannen of angstig wordt vlak nadat u met de medicijnen bent begonnen, dan kan uw arts u tijdelijk medicijnen voorschrijven die deze toename van angst weer tegengaan.
Zie voor meer uitleg over de bijwerkingen van TCA's www.apotheek.nl, onder andere bij bijwerkingen clomipramine en bijwerkingen imipramine.
Benzodiazepinen als alprazolam (Xanax), clonazepam (Rivotril), diazepam (Valium) en lorazepam (Temesta) verminderen emoties. U wordt daardoor kalmer als u angstig of gespannen bent en uw lichamelijke klachten, zoals hartkloppingen, buikpijn, trillen en transpireren nemen af.
Clonazepam is niet goedgekeurd voor gebruik bij angststoornissen zodat u deze toepassing niet in de bijsluiter terug vindt.
Het gebruik van benzodiazepinen kan bij een aantal angststoornissen worden overwogen wanneer u geen SSRI’s of TCA’s kan gebruiken of als deze medicijnen geen effect bij u hadden. Benzodiazepinen worden over het algemeen goed verdragen maar er bestaat een risico op . Dit is de reden dat benzodiazepinen bij een aantal angststoornissen pas als derde stap wordt aangeraden door deskundigen.
Het is goed om een langzaam opbouwschema te volgen om de sufheid te verminderen of voorkomen.
Benzodiazepinen kunnen ook als extra medicijn worden gebruikt in de opstartfase van een SSRI of TCA. Omdat benzodiazepinen direct werken kunnen zij de angst verminderen in de tijd dat het SSRI of TCA nog niet werkt of indien de angstklachten door opstarten van deze laatste middelen tijdelijk iets erger zijn. Het gaat hier dan om kortdurend gebruik van het benzodiazepine gedurende enkele weken.
Benzodiazepinen werken over het algemeen direct. Benzodiazepinen kunnen lange tijd geslikt worden. Bij dit middel is er een kans op de lichamelijke en geestelijke .
De belangrijkste bijwerking is een verminderd reactie-, concentratie- en coördinatievermogen. Van de 100 mensen die benzodiazepinen slikken, stoppen 15 mensen met de behandeling door de bijwerkingen en 85 mensen gaan door met de behandeling.
Zie voor meer uitleg over de bijwerkingen van benzodiazepinen het onderdeel medicijnen, onder andere bij bijwerkingen diazepam en bijwerkingen alprazolam
Een aantal medicijnen worden in speciale gevallen bij angststoornissen gebruikt wanneer SSRI's en TCA's onvoldoende werken of niet gebruikt kunnen worden.
Fenelzine is een zogenaamde monoamine-oxidase remmer (MAOI). MAOI's regelen in de hersenen de hoeveelheid serotonine en noradrenaline. Deze twee stoffen komen in uw lichaam voor en ze spelen een rol bij stemming en emoties. Het wordt in speciale gevallen bij angststoornissen gebruikt wanneer de SSRI’s en TCA’s onvoldoende werken. MAOI’s worden over het algemeen wat minder goed verdragen dan SSRI’s/TCA’s en zijn minder veilig in gebruik.
zijn werkzaam bij een obsessieve-compulsieve stoornis hoewel mensen die deze stoornis hebben niet psychotisch zijn. Uit onderzoek is gebleken dat een lage dosering van antipsychotica kan helpen om angsten en dwanggedachten te verminderen. Een deel van de mensen die geen effect bemerkte bij het gebruik van een SSRI, verbeterde alsnog na het toevoegen van een lage dosering antipsychotica. Ook als iemand onvoldoende effect bemerkte bij gebruik van clomipramine, dan kan een lage dosering antipsychotica worden toegevoegd.