De combinatietest
Onderzoek naar de kans op Downsyndroom wordt bijna altijd gedaan met de combinatietest. Dit is een combinatie van twee testen:
- een bloedonderzoek bij de zwangere, tussen 9 en 14 weken zwangerschap; en
- een echo-onderzoek (nekplooimeting), tussen 11 en 14 weken zwangerschap.
De kans op een kind met Downsyndroom wordt berekend met de uitslagen van de bloedtest en nekplooimeting. Ook de leeftijd van de moeder en de duur van de zwangerschap zijn voor de berekening belangrijk.
De leeftijd van de zwangere vrouw heeft veel invloed op de nauwkeurigheid van de combinatietest. Hoe ouder de zwangere, hoe nauwkeuriger de uitslag is. Bij jongere vrouwen worden kinderen met Downsyndroom minder vaak gevonden dan bij oudere vrouwen.
In de tabel hieronder ziet u hoeveel kinderen met Downsyndroom worden ontdekt bij verschillende leeftijden van de vrouw. Met andere woorden: als een vrouw zwanger is van een kind met Downsyndroom, hoe groot is de kans dat dit wordt ontdekt met de combinatietest?
| | |
| 6 van de 10 | 4 van de 10 |
| 7 van de 10 | 3 van de 10 |
| 8 van de 10 | 2 van de 10 |
| 9 van de 10 | 1 van de 10 |
| 9 tot 10 van de 10 | 0 tot 1 van de 10 |
Bij vrouwen tussen de 20 en 25 jaar die zwanger zijn van een kind met Downsyndroom, wordt in 4 van de 10 gevallen geen verhoogde kans gevonden. Er wordt dan geen vervolgonderzoek gedaan. Zo wordt tijdens de zwangerschap niet ontdekt dat het kind Downsyndroom heeft. Bij vrouwen tussen de 36 en 40 jaar die zwanger zijn van een kind met Downsyndroom, wordt maar in 1 van de 10 gevallen geen verhoogde kans gevonden. Bij hen voorspelt de test dus beter.
Meer informatie over de combinatietest leest u op het informatieblad combinatietest.