Prenatale screening downsyndroom

Wat is een kans?

Wat is een kans en wat kunt u ermee?

Wat is een kans?

Kansen worden berekend door te tellen hoe vaak iets voorkomt binnen een grote groep mensen. Het is belangrijk dat u begrijpt dat een kans niet voorspelt óf u bijvoorbeeld een kind met Downsyndroom krijgt, maar alleen hoe groot de kans daarop is. Deze informatie kan u helpen om te beslissen of u prenatale screening wilt of niet.

Voorbeeld

In een groep van 100 zwangere vrouwen van 38 jaar is ongeveer 1 vrouw zwanger van een kind met Downsyndroom. De kans op een kind met Downsyndroom voor vrouwen van 38 jaar is dus 1 op de 100 (1 procent). Eén procent kunt u ook schrijven als 1%.

Kansen zijn voor veel mensen moeilijk te begrijpen. Stel u bent 38 jaar. U heeft dan 1% kans op een kind met Downsyndroom. U weet niet of u de vrouw bent die zwanger is van een kind met Downsyndroom of dat u bij de 99 vrouwen hoort die niet zwanger zijn van een kind met Downsyndroom.

Hieronder worden verschillende voorbeelden gegeven van kansen. Deze kansen worden uitgelegd met cijfers en plaatjes.

naar boven

Kop-of-Munt

Stelt u zich voor dat u een muntstuk opgooit. Het muntstuk heeft twee kanten: kop en munt. Er zijn dus twee mogelijkheden: u gooit kop óf u gooit munt. De kans dat u kop gooit is dan 1 van de 2, de kans dat u munt gooit ook. Deze kans blijft hetzelfde, hoe vaak u ook gooit. Wanneer u het muntstuk 100 maal opgooit, zult u ongeveer 50 maal kop en 50 maal munt gooien.

In plaats van een kans van 1 van de 2 kunt u ook zeggen dat de kans op kop (en op munt) 50 procent is. ‘Procent’ betekent ‘van de honderd’. Vijftig procent betekent dus 50 van de 100.

Een kans van 50 procent ziet er in een plaatje zo uit:

Kans van 50 procent

Honderd stippen in totaal (100 procent). Elke stip stelt één keer ‘kop-of-munt-gooien’ voor.

50 blauwe stippen (50 procent): 50 keer kop

50 grijze stippen (50 procent): 50 keer munt

naar boven

Kansen kleiner dan één procent (kleiner dan 1 van de 100)

Soms is de kans een getal met cijfers achter de komma, zoals 0,8 procent. Dit betekent dat de kans kleiner is dan 1 van de 100, dus kleiner dan 1 procent. Hoe meer nullen achter de komma, hoe kleiner de kans.

Voorbeeld van een kleine kans

Een zwangere vrouw van 18 jaar heeft (op basis van haar leeftijd) een kans om zwanger te zijn van een kind met Downsyndroom van 1 van de 1000. Dat betekent dat van de 1000 zwangere vrouwen van 18 jaar er 999 zwanger zijn van een kind zonder Downsyndroom en 1 zwanger van een kind met Downsyndroom. In procenten is deze kans 0,1 procent.

We laten dit zien met een plaatje. Het plaatje bestaat uit 1000 stippen. Elke stip stelt een kind voor. De éne blauwe stip staat voor een kind met Downsyndroom. De 999 grijze stippen staan voor kinderen zonder Downsyndroom.

Kans op Downsyndroom2

naar boven

Kansen omrekenen

Het is soms handig om een kans om te rekenen. Sommige mensen lezen kansen graag als bijvoorbeeld 20 van de 100. Anderen begrijpen een kans van 1 van de 5 beter of een percentage: 20%.

Bij het omrekenen van kansen moet het aantal zwangeren met een kind met Downsyndroom en het totale aantal zwangeren door hetzelfde getal gedeeld worden. Of met hetzelfde getal vermenigvuldigd worden.

Een kans van 20 van de 100 is even groot als een kans van:

  • 2 van de 10 (u deelt beide getallen van de kans door 10)
  • 200 van de 1.000 (u vermenigvuldigt beide getallen van de kans met 10)
  • 1 van de 5 (u deelt beide getallen van de kans door 20)
  • 20% (20 procent) (procent betekent ‘van de 100’, dus 20 van de 100 is 20%)

Een kans van 50 van de 100 is even groot als een kans van:

  • 5 van de 10 (u deelt beide getallen van de kans door 10)
  • 500 van de 1.000 (u vermenigvuldigt beide getallen van de kans met 10)
  • 1 van de 2 (u deelt beide getallen van de kans door 50)
  • 50% (50 procent) (procent betekent ‘van de 100’, dus 50 van de 100 is 50%)

Een kans van 1 van de 25 is even groot als een kans van:

  • 4 van de 100 (u vermenigvuldigt dan beide getallen van de kans met 4)
  • 40 van de 1.000 (u vermenigvuldigt beide getallen van de kans met 40)
  • 4% (4 procent) (procent betekent ‘van de 100’. 1 van de 25 is hetzelfde als 4 van de 100, dus 1 van de 25 is hetzelfde als 4%)

Een kans van 1 van de 500 is even groot als een kans van:

  • 0,2 van de 100 (u deelt beide getallen van de kans door 5)
  • 2 van de 1.000 (u vermenigvuldigt beide getallen van de kans met 2)
  • 0,2% (0,2 procent) (procent betekent ‘van de 100’. 1 van de 500 is hetzelfde als 0,2 van de 100, dus 1 van de 500 is hetzelfde als 0,2%)

naar boven

Wat kunt u met deze getallen?

Deze getallen maken duidelijk hoe vaak iets voorkomt. Bijvoorbeeld hoe vaak een kind met Downsyndroom voorkomt bij zwangeren van uw leeftijd.

Het begrijpen van kansen helpt u om te kiezen of u wel of geen prenatale screening wilt. U moet zelf beslissen of u de voordelen van prenatale screening groter vindt dan de nadelen.

naar boven

Tot slot

Veel mensen hebben moeite met het begrijpen van kansen. In deze keuzehulp vindt u kansen daarom niet alleen in cijfers, maar ook in grafieken en plaatjes.

Naast dat u weet hoe groot de kans is in cijfers, is ook de vraag wat uzelf van die cijfers vindt. Vindt u dat een grote kans of juist een kleine kans? Denkt u rustig na over wat uzelf van de cijfers vindt.

Bij de keuze is niet alleen de kans belangrijk, maar ook de kans waarop. In dit geval een kind met Downsyndroom. Denkt u ook na over wat u daarvan vindt. In het onderdeel Uw keuze wordt u geholpen om hierover na te denken.

Terug naar Kans op Downsyndroom

naar boven

U bevindt zich hier:

U gebruikt een verouderde webbrowser, wij raden u aan over te schakelen naar een van onderstaande moderne internetbrowsers.