Vergroting van de neusamandelen (adenoïden), weefsel aan de achterkant van de neusholte dat deel uitmaakt van het afweersysteem van het lichaam
De neusamandelen of adenoïden, die aan de achterkant van de neusholte liggen, bestaan uit stukjes lymfweefsel die deel uitmaken van het afweersysteem tegen infecties. Bij sommige kinderen, vooral als ze jonger zijn dan zeven jaar, raken deze amandelen vergroot, wat tot ademhalings- en spraakmoeilijkheden kan leiden. Deze vergroting kan het gevolg zijn van terugkerende luchtweginfecties. Maar het komt regelmatig voor dat er geen oorzaak voor te vinden is. De ziekte zit wel vaak in de familie, wat een erfe-lijke factor doet vermoeden. Ontstoken neus- en keelamandelen komen soms samen voor (zie Amandelontsteking, hierna).
Bij de meeste kinderen met vergrote neusamandelen zijn de symptomen licht; ze treden geleidelijk op en kunnen bestaan uit:
- ademhalen door de mond en snurken in de slaap;
- voortdurend verstopte neus of loopneus;
- nasaal klinkende stem.
Het kind kan bij het slapen last hebben van de moeizame ademhaling, waardoor het mogelijk vermoeid raakt en zich slecht kan concentreren. Vergrote adenoïden kunnen een of beide buizen van Eustachius verstoppen, die de keel met het middenoor verbinden, waardoor er regelmatig middenoorontstekingen optreden (Acute middenoorontsteking bij kinderen). Ook kan er doofheid (zie Lijmoor) optreden als gevolg van vochtophoping in het middenoor.
De arts zal de keel- en neusholte van uw kind onderzoeken met behulp van een klein spiegeltje. Als de symptomen licht zijn, is behandeling niet nodig, omdat de neusamandelen met de jaren vanzelf kleiner worden. Als uw kind er bij het slapen last van heeft of vaak chronisch middenoorontsteking heeft, kan de arts adviseren de neusamandelen operatief te laten verwijderen. Soms worden de keelamandelen dan ook meteen weggehaald (zie Tonsillectomie en adenoïdectomie). Bij aanhoudende ophoping van vocht in het middenoor kan er een trommelvliesbuisje (zie BEHANDELING: Trommelvliesbuisje) worden ingebracht.
De symptomen nemen af naarmate het kind ouder wordt. In de adolescentie zijn ze meestal helemaal verdwenen.
- Leeftijd
- Komt vooral voor bij kinderen jonger dan 7 jaar
- Geen factoren van betekenis
- Geen factoren van betekenis
- Erfelijkheid
- Zit soms in de familie
- Geslacht
- Geen factoren van betekenis
- Leefwijze
- Geen factoren van betekenis