Middelen ter behandeling van een hoge bloeddruk (hypertensie)
- doxazosine
- prazosine
- urapidil
- clonidine
- methyldopa
- moxonidine
- diazoxide
- hydralazine
- ketanserine
- minoxidil
Ongeveer 15-20% van de volwassen bevolking heeft hypertensie. Meestal is er geen duidelijke oorzaak en spreekt men van essentiële hypertensie. Een verhoogde bloeddruk (Hoge bloeddruk (hypertensie)) moet worden behandeld omdat het risico van coronaire (hart)vaatziekten (Coronaire hartziekten) en een cerebrovasculair accident (CVA), zoals een beroerte, erdoor wordt verhoogd. Antihypertensiva worden meestal gebruikt wanneer veranderingen in iemands levensstijl, zoals betere eetgewoonten, meer beweging en niet roken, geen of niet voldoende bloeddrukverlaging geven.
Er zijn vele soorten antihypertensiva. Het meest gebruikt worden bètablokkers (Bètablokkers), ACE-remmers (spreek uit: ees-remmers) (
ACE-remmers), angiotensine II-antagonisten, calciumantagonisten (Calciumantagonisten) en diuretica (Gebruik sublinguale spray (zelftoediening)). Diuretica en bètablokkers zijn het goedkoopst. Minder vaak gebruikt worden in afnemende volgorde alfablokkers, centraal werkende middelen en overige middelen, waaronder hydralazine, ketanserine en minoxidil. Diazoxide en nitroprusside kunnen alleen intraveneus worden toegediend.
De meeste soorten antihypertensiva danken hun bloeddrukverlagende werking aan het feit dat ze de bloedvaten verwijden (dit heet vasodilatatie) en/of de kracht waarmee het hart het bloed rondpompt verminderen. ACE-remmers, angiotensine II-antagonisten, alfablokkers, calciumantagonisten en centraal werkende middelen veroorzaken allemaal vaatverwijding, maar op verschillende manieren. Bètablokkers en sommige calciumantagonisten (vooral verapamil, in mindere mate diltiazem) verminderen de kracht waarmee het hart pompt. Diuretica zorgen ervoor dat de nieren meer water en zouten in de urine uitscheiden dan normaal, zodat het totale volume aan bloed in het lichaam kleiner is en dus de bloeddruk daalt. Thiazidediuretica hebben tevens een vaatverwijdend effect.
Antihypertensiva worden gewoonlijk oraal ingenomen, gedurende een lange periode en vaak levenslang. Soms is het echter mogelijk de dosis geleidelijk te verlagen als de bloeddruk weer normaal is, nadat iemand blijvend is afgevallen of zijn levensstijl heeft veranderd. De keuze voor een geneesmiddel wordt mede bepaald door andere factoren, zoals leeftijd en bijkomende aandoeningen.
Wie een lichte tot matige hoge bloeddruk heeft, krijgt gewoonlijk één enkel middel zoals een diureticum of een bètablokker. Die middelen zijn niet voor iedereen geschikt. In principe wordt de keuze voor een bloeddrukverlagend medicijn bepaald door andere aandoeningen die iemand heeft. Ook kunnen er redenen zijn om bepaalde middelen niet te geven, bijvoorbeeld patiënten met jicht verdragen soms geen diureticum. Het gelijktijdig aanwezig zijn van andere aandoening(en) kan ook reden zijn voor een bepaalde behandeling te kiezen, zoals bètablokkers wanneer tevens angina pectoris aanwezig is. Daalt de bloeddruk niet voldoende door het gebruik van één middel, dan wordt vaak een diureticum in combinatie met één of twee andere antihypertensiva gegeven, totdat de bloeddruk op een veilig niveau gekomen is.
Alfablokkers of centraal werkende middelen worden wel eens voorgeschreven als geen ander middel of geen combinatie van middelen voldoende bloeddrukdaling geeft of wanneer andere antihypertensiva niet geschikt zijn.
Tenzij iemand ernstige hypertensie heeft, zal de arts in eerste instantie een lage dosis voorschrijven. Daarna wordt de dosis geleidelijk verhoogd totdat de bloeddruk weer normaal is of totdat er bijwerkingen optreden. De bloeddruk wordt regelmatig gemeten totdat deze stabiel is op een gezond niveau.
Alle antihypertensiva, maar vooral ACE-remmers, angiotensine II-antagonisten en alfablokkers, kunnen in het begin een plotselinge sterke bloeddrukdaling geven, waardoor u een licht gevoel in uw hoofd kunt krijgen. Bij het optreden van deze bijwerkingen kan de arts de dosis verlagen of een ander middel voorschrijven. Stop niet uit eigen beweging met het slikken van een antihypertensivum, maar bespreek het eerst met de arts.
Stop niet abrupt met het gebruik van een antihypertensivum zonder dit met de arts te bespreken. Abrupt stoppen kan een zeer snelle bloeddrukstijging tot gevolg hebben.