Geneesmiddelen die worden gebruikt om de bevalling tegen te houden of juist op gang te brengen of te stimuleren of om problemen die met de bevalling samenhangen te behandelen
- carboprost
- dinoproston
- methylergometrine
- oxytocine
- sulproston
- amlodipine
- atosiban
- fenoterol
- nifedipine
Ook tijdens de bevalling zijn soms geneesmiddelen nodig. Een bekend voorbeeld is de ruggenprik(zie Ruggenprik bij de bevallin).
Geneesmiddelen om de bevalling op gang te brengen (zie De bevalling inleiden) zijn noodzakelijk wanneer er gevaar is voor de gezondheid van moeder of kind. Meestal is de reden een zwangerschap die te lang duurt of een slecht groeiende foetus. Ook zijn vaak geneesmiddelen nodig als de bevalling te langzaam gaat of om ernstig bloedverlies na de bevalling te voorkomen.
Als de bevalling te vroeg inzet (voor de 34e week), is het soms mogelijk met geneesmiddelen de bevalling uit te stellen of te stoppen.
Gedurende de bevalling kan er behoefte zijn aan middelen die de werking van de baarmoeder beïnvloeden. Meestal is er sprake van een te geringe of te zwakke werking van de baarmoederspieren. Meestal worden weeënstimulerende middelen gebruikt om de bevalling in gang te zetten, maar ook om de samentrekkingen van de baarmoeder te versterken. Bovendien worden ze gebruikt als de zwangerschap moet worden afgebroken(zie Beëindiging zwangerschap). Middelen die de baarmoederactiviteit juist remmen, worden toegepast als de bevalling te vroeg inzet.
Deze middelen worden toegepast om de bevalling op te wekken of om de zwangerschap af te breken. Prostaglandinen, zoals dinoproston, stimuleren niet alleen de baarmoederspier, maar geven ook verwijding en verweking van de baarmoedermond (de cervix). Ze worden toegediend in een vaginale zetpil of verwerkt in een gel. Er kunnen lichte bijwerkingen optreden, waaronder misselijkheid, braken, diarree en opvliegers.
Een ander middel dat de baarmoeder stimuleert, is oxytocine. Het wordt toegediend via een intraveneus infuus. Het maakt de samentrekkingen van de baarmoeder krachtiger en wordt dan ook toegepast bij het opwekken of het versnellen van de bevalling. Bij te hoge dosering geeft het echter aanhoudende pijnlijke samentrekkingen, misselijkheid en braken.
Soms krijgen vrouwen na de bevalling een intramusculaire injectie van een combinatie van oxytocine dat de baarmoederspier stimuleert. De sterke samentrekkingen die daarop volgen, zorgen voor een snelle geboorte van de moederkoek.
Methylergometrine geeft een langdurige samentrekking van de bloedvaatjes in de baarmoeder, zodat de nabloeding wordt beperkt. Methylergometrine geeft misselijkheid. In zeldzame gevallen kan het ook hoofdpijn, duizeligheid en oorsuizen als bijwerking hebben.
Deze middelen worden toegepast als de bevalling te vroeg inzet. Fenoterol ontspant de baarmoederspier en voorkomt zo dat de samentrekkingen doorgaan. Ze behouden hun werking gedurende 48 uur. Atosiban en fenoterol worden toegediend via een infuus; amlodipine en nifedipine oraal. Bijwerkingen van deze groep middelen zijn misselijkheid, opvliegers en een versneld hartritme. Ook kunnen ze een bloeddrukdaling geven, waardoor een zweverig gevoel optreedt.
Dit middel wordt gebruikt om gedurende de bevalling aanvallen te voorkomen bij vrouwen met stuipen ( zie pre-eclampsie, Pre-eclampsie en eclampsie). Ook wordt het toegepast om te vroeg begonnen bevallingen te stoppen, vooral bij meerlingzwangerschappen (Problemen bij meerlingzwangerschap). Bijwerkingen zijn overmatig blozen, transpireren en lage bloeddruk.