De bevalling beslaat het hele proces van de geboorte, van de eerste samentrekkingen (contracties) van de baarmoeder tot het uitdrijven van de baby en de placenta. Een bevalling duurt bij een eerste zwangerschap gemiddeld 12 uur, maar soms ook langer of korter. Bevallingen bij volgende zwangerschappen gaan over het algemeen sneller.
In Nederland hebben de meeste vrouwen de overtuiging dat een bevalling een ‘klus’ is die ze met steun van hun partner en hun verloskundige of arts goed kunnen klaren. Als de zwangere gezond is en de zwangerschap probleemloos is verlopen, kan ze zonder medische indicatie thuis of in het ziekenhuis onder verantwoordelijkheid van de verloskundige of huisarts bevallen. Doen zich tijdens de bevalling problemen voor, dan zal alsnog verwijzing naar de gynaecoloog plaatsvinden. In alle overige situaties zal men in het ziekenhuis onder verantwoordelijkheid van de gynaecoloog bevallen.
Eerst wordt de abnormale ligging besproken. Als de foetus een abnormale ligging heeft, betekent dit dat de foetus niet in de normale positie in de baarmoeder ligt, die het gemakkelijkst is voor de uitdrijving. Hierna worden complicaties bij de bevalling besproken die er meestal toe leiden dat de bevalling niet zo vlot verloopt als men hoopt.
Daarna volgen twee relatief zeldzame aandoeningen, onder andere foetale nood (‘zuurstoftekort’), optredend wanneer de foetus niet genoeg zuurstof krijgt. Dit kan in elk stadium van de zwangerschap gebeuren, maar doet zich vaker voor tijdens de bevalling.

- Placenta
- Navelstreng
- Baarmoeder
- Rectum
- Verwijde baarmoederhals
- Vagina
- Blaas
- Foetus
Zie Zwangerschap en Bevalling voor meer informatie over zwangerschap en de fasen van een bevalling.