U gebruikt een verouderde webbrowser, wij raden u aan over te schakelen naar een van onderstaande moderne internetbrowsers.

Verlengde eerste fase van de bevalling

Medische encyclopedie

Langdurige of gecompliceerde weeën in de fase vóór de uitdrijving

De eerste fase van de bevalling begint met regelmatige, in sterkte toenemende contracties (samentrekkingen) van de baarmoeder en eindigt wanneer de baarmoederhals volledig ontsloten is. De ontsluitingsopening heeft dan een doorsnede van 10cm, zodat de foetus erdoor kan en de uitdrijving kan beginnen. Deze eerste fase, de ontsluiting, duurt gemiddeld zes tot twaalf uur, maar kan bij een eerste zwangerschap ook veel langer duren. Bij een zeer langdurige eerste fase en een baarmoederhals die slechts langzaam of onvoldoende ontsluit, spreekt men van een niet-vorderende ontsluiting. Dit doet zich bij drie op de tien eerste bevallingen voor, en bij één op de acht volgende bevallingen. Bij een niet-vorderende ontsluiting zijn er meestal geen ernstige problemen voor moeder en kind te verwachten; wel ervaren vrouwen en hun partner zo’n lange ontsluiting als erg vermoeiend en zwaar. Een ontsluiting die onvoldoende vordert, is over het algemeen reden voor een verwijzing naar de gynaecoloog. Afhankelijk van de bevindingen wordt dan weeënstimulatie, pijnstilling en soms rustgevende medicatie voorgeschreven. De kans op een niet-vorderende uitdrijving is dan ook groter.

De oorzaken

Een verlengde eerste fase kan het gevolg zijn van te zwakke weeën om te zorgen voor voldoende ontsluiting van de baarmoederhals. Het stellen van deze diagnose heeft er vaak mee te maken dat men te vroeg denkt dat de bevalling begonnen is, terwijl er eigenlijk alleen nog maar sprake was van voorweeën. Medicijnen om de pijn te bestrijden, zoals een ruggenprik (zie BEHANDELING: Ruggenprik bij de bevalling), kunnen de weeën ook minder krachtig maken. Ook extreme angst kan het verloop van de ontsluiting nadelig beïnvloeden.

Soms ontsluit de baarmoederhals niet omdat de baarmoedermond stug is door littekenweefsel van een operatie zoals een conisatie. Vaker komt het voor dat het kind niet goed is ingedaald en niet genoeg druk op de baarmoederhals kan uitoefenen om de ontsluiting te bespoedigen.

Wat kunt u zelf doen?

Het belangrijkste is om bij voorweeën niet meteen aan te nemen dat de bevalling begonnen is. De periode van voorweeën kan gemakkelijk een paar dagen duren.

Wat kan vroedvrouw of arts doen?

Is de diagnose niet-vorderende ontsluiting gesteld, dan wordt u verwezen naar de gynaecoloog. Deze zal over het algemeen overgaan tot weeënstimulatie, waarbij meestal ook de vliezen worden gebroken als ze dat nog niet waren, en waarbij de hartslag van de baby wordt bewaakt met een CTG (zie TEST: CTG-registratie). Ook krijgt u een infuus met weeënstimulerende middelen (oxytocine) (zie BEHANDELING: De bevalling inleiden). Soms wordt ook pijnstilling gegeven. Als de hartslag abnormaal is, kan men via de schede een druppeltje bloed uit de hoofdhuid van de foetus halen om daarin de zuurgraad te bepalen en zo te bekijken of de foetus in nood verkeert. Dit onderzoek is voor de aanstaande moeder vervelend, maar het duurt kort. Als ondanks een infuus de ontsluiting maar steeds niet toeneemt, zal uiteindelijk een keizersnede noodzakelijk zijn (zie BEHANDELING: Keizersnede).

De prognose

Bij een niet-vorderende ontsluiting is de kans op een niet-spontane bevalling (tang, vacuüm of keizersnede) verhoogd.

Risicofactoren

Leeftijd
Geen factoren van betekenis
Geen factoren van betekenis
Erfelijkheid
Geen factoren van betekenis
Leefwijze
Geen factoren van betekenis

Andere gerelateerde onderwerpen

U bevindt zich hier: