Het identificeren van moleculaire structuren aan rode bloedcellen om de bloedgroep vast te stellen
Op de buitenkant van de rode bloedcellen zitten bepaalde eiwitten en suikers, de bloedgroepantigenen, die de bloedgroep bepalen (zie Bloedgroepen). In het vloeibare deel van het bloed, het plasma, kunnen antilichamen voorkomen die met de antigenen van een andere bloedgroep reageren, waardoor de rode bloedcellen samenklonteren. Deze klonten rode bloedcellen worden aangevallen door het afweersysteem, wat kan leiden tot bloedafbraak (zie Hemolytische bloedarmoede, Hemolytische anemie). Het bepalen van de bloedgroep is daarom cruciaal voor het geven van bloedtransfusies en wordt dan ook altijd vóór een bloedtransfusie uitgevoerd. Om fouten uit te sluiten doet men de test altijd twee keer ’onafhankelijk van elkaar’. Ook als u bloeddonor bent, is uw bloedgroep bepaald, zodat men uw bloed veilig aan iemand kan geven met dezelfde bloedgroep. Met behulp van bloedgroepentypering kan men ook het vaderschap vaststellen. Hiervoor gebruikt men echter tegenwoordig meestal andere testen (op DNA-niveau).
Er zijn meer dan twintig verschillende bloedgroepsystemen. Gewoonlijk typeert men bloed volgens het ABO- en het resussysteem. Testen op andere bloedgroepen is meestal niet nodig. Het kan bij een transfusie echter wel voorkomen dat er antilichamen worden gevormd tegen die andere typen.
Dit systeem kent vier bloedgroepen: A, B, AB en O. Bijna de helft van de Nederlanders heeft bloedgroep O, gevolgd door bloedgroep A, maar de verdeling binnen de afzonderlijke bevolkingsgroepen verschilt.
Bloed wordt ingedeeld in resusfactorpositief (rh+) en resusfactornegatief (rh–), hoewel het systeem in werkelijkheid gecompliceerder is. Ongeveer 15 procent van de Nederlanders is rh–. Men test tijdens een zwangerschap altijd op de resusfactor, omdat de moeder antistoffen tegen het bloed van de baby kan maken als ze een andere resusfactor heeft dan de baby, waardoor het bloed van het kind versneld kan worden afgebroken (zie Resusantagonisme).
Er zijn allerlei verschillende manieren om bloedgroepen te typeren, maar ze zijn allemaal gebaseerd op de reactie tussen antilichamen en antigenen. Men voegt aan de rode bloedcellen antilichamen tegen de verschillende bloedgroepen toe en bepaalt de bloedgroep door te kijken of de bloedcellen met bepaalde antilichamen aan elkaar klonteren of niet. Als een bloedmonster klontert als men er antilichamen tegen bloedgroep A aan toevoegt, is de bloedgroep A. Als het klontert nadat er antilichamen voor zowel bloedgroep A als B aan zijn toegevoegd, is de bloedgroep AB.
Indien er een bloedtransfusie nodig is, wordt altijd een klein beetje van het nieuwe bloed gemengd met een monster van uw bloed. Deze test heet kruisproef en wordt gebruikt om de kleine kans uit te sluiten dat het nieuwe bloed niet aan het uwe kan worden toegevoegd vanwege een reactie tussen antilichamen en antigenen van een van de andere bloedgroepen dan die van het ABO-systeem en het resussysteem.
- Bepalen van bloedgroepen
- Bloedgroepen worden getypeerd door monsters bloed met antilichamen tegen de bloedgroepen te mengen en daarna te kijken of een reactie plaatsvindt waardoor de rode bloedcellen samen gaan klonteren.
GEEN REACTIE

- Afzonderlijke rode bloedcellen
REACTIE

- Samengeklonterde rode bloedcellen