Onderzoek om afwijkingen in de stolling van het bloed vast te stellen
Als bloedvaten beschadigd raken, komt het onderliggende bindweefsel in contact met het bloed, waardoor zich bloedstolsels vormen om het bloeden te stoppen. Deze stolsels zijn eerst samengeklonterde bloedplaatjes (heel kleine bloedcellen) die zich aan de rand van de wond hechten. Deze bloedplaatjes geven dan stoffen af die reageren met opgeloste eiwitten in het bloed, de zogenoemde stollingsfactoren (aangeduid met een Romeins cijfer I t/m XIII). Dit proces zorgt voor de vorming van fibrinedraden die het stolsel extra versterken, de beschadiging in het bloedvat afsluiten en het bloeden doen stoppen. Andere stoffen in het bloed, de antistollingsfactoren, zorgen ervoor dat de stolling niet onbeperkt doorgaat en het bloed in onbeschadigde bloedvaten niet stolt. Bloedstollingstesten zal men doen als men vermoedt dat uw bloed langzamer (Bloedstollingsstoornissen
) of sneller (Trombose) stolt dan gebruikelijk.
Uw huisarts kan onderzoek laten uitvoeren als u eens een ernstige of langdurige bloeding hebt gehad of als u gemakkelijk blauwe plekken krijgt. Vooral het bloeden op verschillende plaatsen en niet steeds op één plaats (bijvoorbeeld een neusbloeding) is verdacht. Treden de bloedingen al op kinderleeftijd op en komen ze familiair voor, dan kan er een erfelijke bloedafwijking zijn die onder andere met de bepaling van stollingsfactoren kan worden opgespoord. Als hemofilie wordt vermoed, wordt onderzocht hoeveel bloedstollingsfactor VIII aanwezig is. Bij hemofilie is hiervan een veel kleinere concentratie in het bloed aanwezig dan gebruikelijk.
Men zal ook bloedstollingstesten doen als u een leverziekte hebt, bijvoorbeeld acute hepatitis, omdat stollingsfactoren in de lever worden aangemaakt. Deze testen worden ook gedaan als u een medicijn gebruikt dat moet voorkomen dat uw bloed stolt (Antistollingsmiddelen). Uit de test moet blijken of het medicijn voldoende werkt of te veel ontstolt, waardoor de kans op (inwendige)bloedingen is verhoogd.
Sommige aandoeningen, bijvoorbeeld diepe veneuze trombose en een beroerte, ontstaan door de vorming van stolsels in onbeschadigde bloedvaten. Bij deze aandoeningen voert men testen uit om te bepalen of het bloed niet te snel stolt. Men kan bijvoorbeeld zoeken naar de aanwezigheid van factor V Leiden, een afwijkende vorm van stollingsfactor V, waardoor het bloed gemakkelijker stolt. Meestal kijkt men ook nog naar een groot aantal andere factoren.
Gezien de veelheid van factoren betrokken bij de stolling worden eerst screenende testen gedaan. Het aantal bloedplaatjes wordt geteld (Onderzoek van bloed en bloedcellen) en het functioneren van de stollingsfactoren wordt bepaald door de stollingstijd te meten (de zogenoemde PT- en aPTT-test). Om de stollingstijd te meten wordt een bloedmonster in een buisje gedaan, waarin zich chemische stoffen tegen stollen bevinden. In het laboratorium voegt men vervolgens stoffen toe die het bloed ertoe aanzetten wel te stollen. Men kijkt hoe lang het onder verschillende omstandigheden duurt voordat zich een stolsel vormt, en vergelijkt deze tijdsduur met de normale tijdsduur van bloedstolling onder dezelfde omstandigheden. Hieruit kan men afleiden of er een afwijking in het bloed zit.
Als de stollingstijden afwijkend zijn, wordt meestal vervolgonderzoek gedaan. Het vervolgonderzoek is erop gericht de precieze oorzaak van de stollingsafwijking te achterhalen. Is er een stoornis in de aanmaak van de bloedplaatjes (bijvoorbeeld bij leukemie (Leukemie) of stollingsfactoren (hemofilie, leverziekte, vitamine K-tekort), is er een genetische afwijking in het spel, of is er een stoornis ten gevolge van een nierziekte of door medicijngebruik?