Niet-kwaadaardige nieuwvormingen in de dikke darm, meestal zonder symptomen
Poliepen in de dikke darm komen in de ontwikkelde landen heel veel voor; minstens één op de drie mensen boven zestig jaar kan poliepen hebben. De meeste mensen merken er echter niets van, omdat de poliepen veelal geen klachten veroorzaken.
Poliepen zijn nieuwvormingen die zich langzaam vanuit de wand van de dikke darm ontwikkelen en naar binnen toe boven de darmwand uitsteken. Sommige zijn klein en rond en zijn over hun hele breedte met de darmwand verbonden. Als ze groter worden, zitten ze veelal met een steel aan de darmwand vast. De grootste hebben een doorsnede van enkele centimeters. Zijn ze groter dan 1 cm in diameter, dan kunnen ze kwaadaardig worden (zie Dikkedarmkanker) en moeten ze worden verwijderd.
In de meeste gevallen is de oorzaak van de aandoening niet bekend. In zeldzame gevallen komen poliepen voort uit een erfelijke aandoening, zoals familiale adenomateuze polyposis (FAP). Deze aandoening, waarbij honderden poliepen de darmwand bedekken, wordt veroorzaakt door een afwijkend gen dat op dominant autosomale wijze wordt overgeërfd (zie Erfelijke aandoeningen).
Meestal veroorzaken poliepen geen klachten. Mogelijke klachten zijn:
- een verstoord ontlastingspatroon, zoals diarree of afwisselend diarree en verstopping;
- bloed in de ontlasting of bloedverlies via de anus, soms met slijm.
Soms ontstaat bloedarmoede (zie Anemie).
Als mensen geen klachten hebben, kunnen de poliepen worden ontdekt tijdens een onderzoek naar dikkedarmkanker of andere aandoeningen. Zijn er wel klachten, dan kan een colonoscopie (boven) worden verricht om de darmwand te bekijken. De meeste poliepen kunnen tijdens de scopie pijnloos worden verwijderd, maar soms is een operatie noodzakelijk. Verwijderde poliepen worden microscopisch onderzocht om vroege tekenen van kanker op te sporen. Blijkt u poliepen te hebben die uiteindelijk zouden kunnen uitgroeien tot kanker, dan dient u iedere drie tot zes jaar een colonoscopie te ondergaan om te kijken of zich weer nieuwvormingen voordoen. Dus bij de ene soort poliepen is periodiek heronderzoek van de dikke darm nodig, bij de andere soort niet.
Indien u aan FAP lijdt, zijn er te veel poliepen om een voor een te verwijderen. Het risico op kanker is bij FAP heel groot; om die reden wordt aangeraden uw hele dikke darm te laten verwijderen (zie Colectomie). Hebt u een naast familielid met FAP, dan is regelmatig endoscopisch onderzoek mogelijk om eventuele poliepen op te sporen. In een deel van de families is de erfelijke afwijking op het gen bekend en kan in familieleden via een bloedtest worden onderzocht of ze drager zijn van de erfelijke belasting (zie Onderzoek naar abnormale genen). Indien zich voor uw veertigste nog geen poliepen hebben gevormd, is het onwaarschijnlijk dat u ze alsnog krijgt.
Zowel poliepen die geen klachten veroorzaken (en bij toeval of bij screening worden gevonden) als poliepen die wel klachten veroorzaken, kunnen als regel endoscopisch worden verwijderd. Hierdoor neemt de kans op dikkedarmkanker af.
- Leeftijd
- Komen vaker voor boven de 60 jaar, maar sommige vormen ontwikkelen zich al in de jeugd
- Geen factoren van betekenis
- Geen factoren van betekenis
- Erfelijkheid
- In sommige gevallen is de oorzaak een afwijkend gen
- Geslacht
- Geen factoren van betekenis
- Leefwijze
- Geen factoren van betekenis