Cervicale dysplasie; veranderingen in de cellen aan de oppervlakte van de baarmoederhals (cervix) die mogelijk kwaadaardig worden
Bij sommige vrouwen veranderen de cellen van de baarmoederhals (cervix) langzaam van normaal naar kwaadaardig. Wat zich tussen deze twee uitersten afspeelt, waarbij de cellen abnormaal worden met de kans op kwaadaardige kanker, noemen we dysplasie. Er zijn drie gradaties: licht, matig en ernstig. Lichte en matige dysplasie kunnen uit zichzelf weer normaal worden, maar ernstige dysplasie kan bij een aantal vrouwen een voorstadium van baarmoederhalskanker zijn (Baarmoederhalskanker).
In Nederland worden alle vrouwen vanaf dertig jaar iedere vijf jaar opgeroepen voor een uitstrijkje. Hiermee kan ernstige dysplasie in een vroeg stadium worden opgespoord en behandeld, voordat de cellen kwaadaardig worden. Waarschijnlijk neemt het aantal vrouwen dat baarmoederhalskanker krijgt, hierdoor af.
De exacte oorzaak is onbekend, maar er zijn wel risicofactoren aan te wijzen. Er is bijvoorbeeld meer kans op het ontwikkelen van dysplasie bij contact met bepaalde soorten van het humaan papillomavirus (HPV). Een ander soort HPV veroorzaakt genitale wratten. Andere risicofactoren zijn seks zonder condoom op jonge leeftijd, seks met wisselende partners, maar ook een partner die op zijn beurt veel wisselende seksuele contacten zonder condooms heeft gehad. Zeer veel seksueel actieve vrouwen worden ooit besmet met het HPV. Bij de meesten verdwijnt dit virus spontaan, bij anderen blijft het aanwezig en draagt het mogelijk bij tot het ontstaan van afwijkend weefsel van de baarmoederhals. Waarom het virus bij de ene vrouw verdwijnt, en bij de andere aanwezig blijft, is onbekend.
Dysplasie geeft meestal geen klachten. De afwijking komt meestal na een uitstrijkje aan het licht, waarbij cellen van de baarmoederhals worden weggenomen en in het laboratorium worden onderzocht. Als er afwijkende cellen worden gevonden, verwijst de huisarts u naar de gynaecoloog voor een colposcopie (zie Het uitstrijkje (Pap-test)). De baarmoederhals wordt bij dit onderzoek door een soort microscoop onderzocht. Van plekjes die er afwijkend uitzien, wordt weefsel weggenomen voor verder onderzoek.
Als bij u dysplasie wordt geconstateerd, hangt de behandeling af van de ernst en de plaats van afwijking. Lichte en soms matige dysplasie hoeft niet te worden behandeld, omdat de afwijkende cellen in vier van de tien gevallen vanzelf weer normaal worden. Het is wel raadzaam uitstrijkjes te blijven maken. De gynaecoloog zal hiervoor met u een controleschema afspreken. Als de dysplasie aanhoudt of erger wordt, wordt vaak behandeling geadviseerd (zie De behandeling van dysplasie, Cervicale dysplasie (behandeling)). Na de behandeling kunt u nog twee weken last hebben van bruinige en soms bloederige afscheiding.
Vaak wordt het uitstrijkje na de behandeling weer normaal. Toch zal men dit een aantal jaren in de gaten willen houden.
- Cervicale dysplasie
- Op deze sterk uitvergrote beelden van cellen van de baarmoederhals zijn de verschillende stadia van afwijking bij lichte en ernstige dysplasie te zien.

- Lichte dysplasie
- Ernstige vorm
- Leeftijd
- Komt vooral voor tussen 25 en 35 jaar, maar ook op latere leeftijd
- Geen factor van betekenis
- Leefwijze
- Seks op jonge leeftijd zonder condooms, seks met wisselende partners zonder condooms, seks met een partner die veel wisselende contacten heeft gehad, en roken vormen risicofactoren
- Erfelijkheid
- Geen factor van betekenis