Een grote chirurgische ingreep

Medische encyclopedie

Een grote operatie die wordt uitgevoerd onder regionale of algehele anesthesie

Grote operaties vinden plaats in het ziekenhuis en worden meestal uitgevoerd op weefsel dieper in het lichaam. De chirurg kan bijvoorbeeld een stuk darm moeten weghalen, een kunstheup aanbrengen of een bypass aanleggen voor een kransslagader (zie Vormen van chirurgie, Vormen van chirurgie). Vóór een grote operatie zal de dokter altijd uitleggen waarom de chirurgische ingreep nodig is, wat de procedure precies inhoudt, waar de operatie zal plaatsvinden en hoe lang deze duurt. De patiënt wordt volledig op de hoogte gesteld van alle risico’s die de ingreep met zich meebrengt en hij moet verklaren dat hij alle risico’s kent en begrijpt en akkoord gaat met de afgesproken procedure. De arts zal hiervan aantekening maken in het patiëntendossier. Ook kan de arts een inschatting geven van de benodigde herstelperiode na de operatie.

Meestal vindt een grote operatie onder algehele anesthesie plaats (Algehele anesthesie (procedure)). Steeds meer ingrepen worden echter onder regionale verdoving gedaan (Regionale anesthesie (procedure)), waarbij de patiënt wel bij bewustzijn is, maar geen pijn voelt in het verdoofde gebied. Bij die laatste vorm kan een kalmerend middel worden gegeven om rustig te blijven en niet angstig te worden. De gekozen vorm van anesthesie hangt grotendeels af van het soort operatie, maar ook van de leeftijd en de gezondheid van de patiënt.

Bij de meeste grote ingrepen moet de patiënt een paar dagen in het ziekenhuis blijven. Sommige, minder grote, operaties kunnen ook poliklinisch of in dagbehandeling gebeuren, zoals sterilisatie bij de vrouw Sterilisatie). Dat is vooral het geval bij ingrepen die met behulp van de moderne minimaal invasieve technieken gebeuren (zie Endoscopische chirurgie).

Voordat een grote operatie kan plaatsvinden, worden de algemene gezondheid en vitaliteit van de patiënt vastgesteld. Op de dag van de operatie wordt de patiënt voorbereid en de anesthesie toegediend. Na de operatie is er een zogenoemde herstelperiode en kan het enkele dagen duren voordat de patiënt naar huis mag.

In deze fase kan de patiënt nog praktische vragen aan de arts hebben, zoals of een verdere behandeling nog noodzakelijk is en hoe lang het ongeveer zal duren tot alle dagelijkse bezigheden weer uit te voeren zijn.

Het preoperatieve onderzoek

Vóór een grote operatie wordt een preoperatief onderzoek uitgevoerd. Het belangrijkste doel daarvan is vaststellen welke ziekten aanwezig zijn om deze zo goed mogelijk te behandelen, zodat de patiënt in een zo goed mogelijke conditie de operatie ondergaat. Een ander doel is de patiënt voor te lichten zodat hij goed is voorbereid op de operatie.

Tijdens het preoperatieve onderzoek beoordeelt een arts de medische voorgeschiedenis (anamnese) en de lichamelijke conditie van de patiënt. Er horen routinematige testen bij, zoals een bloedonderzoek, maar ook testen die nodig zijn bij een bepaalde leeftijdsgroep, gezondheidstoestand of aandoening.

Verder zal een anesthesioloog de patiënt onderzoeken om te zien of deze de anesthesie zal kunnen verdragen. De anesthesioloog zal uitleggen hoe de anesthesie in zijn werk gaat en alle mogelijke vragen daarover beantwoorden.

Medische voorgeschiedenis en onderzoek

De patiënt wordt nog eens gevraagd naar zijn huidige gezondheidstoestand. Bovendien zal de arts vragen naar allergieën en andere aandoeningen uit het verleden(zie Anamnese en onderzoek, Anamnese en onderzoek). Verder informeert de arts naar medicijnen die de patiënt gebruikt. Er volgt een compleet lichamelijk onderzoek, inclusief het luisteren naar de longen door een stethoscoop op de borst en de rug(zie Lichamelijk onderzoek, Lichamelijk onderzoek).

Routinetesten

Een aantal routinematige testen kan deel uitmaken van het onderzoek, zoals een bloedonderzoek en soms ook een urineonderzoek. Meestal worden niet meer dan twee of drie buisjes bloed afgenomen via een enkele naald(zie Bloedmonsters, Bloedmonsters). Het meest gebruikelijke bloedonderzoek is dat waarbij het hemoglobinegehalte wordt bepaald(zie Onderzoek van de bloedcellen, Onderzoek van bloed en bloedcellen). Hemoglobine zit in de rode bloedcellen en is een pigment dat zuurstof aan zich bindt. Mocht er bloedverlies zijn tijdens de operatie, dan is het belangrijk te weten of de patiënt genoeg hemoglobine heeft om dat verlies te compenseren. De bloedmonsters worden ook gebruikt om de bloedgroep vast te stellen(zie Bloedgroepentypering, Bloedgroepentypering). Verder kan een monstertje worden bewaard voor een kruisproef met bloed van de bloedbank voor het geval er tijdens de operatie een bloedtransfusie nodig is (Bloedtransfusie (behandeling)). Een bloedmonster kan ook worden gebruikt om stoffen te meten in het bloed. Die geven een beeld van het functioneren van organen zoals de nieren en de lever(zie Onderzoek naar de samenstelling van bloed, Onderzoek naar de bloedsamenstelling).

Aanvullend preoperatief onderzoek

Afhankelijk van de resultaten uit de standaardonderzoeken kan de arts besluiten dat er nog aanvullende onderzoeken nodig zijn voordat de operatie kan plaatsvinden. Als bijvoorbeeld uit de medische voorgeschiedenis blijkt dat er mogelijk een hartaandoening is, kan de dokter om een ECG vragen (Elektrocardiografie (), waaruit de conditie van het hart en eventuele afwijkingen kunnen worden opgemaakt. Als er reden is tot verdenking van een hart- of longziekte, kan een röntgenfoto worden gemaakt. De resultaten van al deze onderzoeken kunnen invloed hebben op de manier waarop de operatie wordt uitgevoerd en hoe de patiënt wordt bewaakt gedurende de ingreep. Ook kunnen de resultaten weer aanleiding zijn tot nog meer onderzoek, zoals een inspannings- ECG (Inspanningstest (test)), waarbij de bloedtoevoer naar het hart wordt gemeten in rust en bij inspanning.

Voorbereiding op de operatie

Op de dag van de ingreep wordt de patiënt voorbereid op de operatie en krijgt hij zogenoemde premedicatie, geneesmiddelen die nodig zijn vóór de anesthesie. Daarna wordt de verdoving toegediend.

Voor een operatie onder algehele anesthesie mag de patiënt meestal enige uren niets meer eten of drinken. Met voedsel in de maag is het risico dat de patiënt gaat overgeven tijdens de narcose veel groter. Dat kan vervelende gevolgen hebben, omdat de verdoofde patiënt de zure maaginhoud kan inademen waardoor er schade aan de longen kan ontstaan. Soms moet de patiënt ook voor een regionale verdoving vasten, omdat mogelijk tijdens de operatie alsnog tot algehele anesthesie moet worden overgegaan.

Algemene voorbereiding

Als de arts meent dat er een verhoogd infectierisico tijdens de operatie is, bijvoorbeeld van bacteriën in de darmen bij een darmoperatie, kan hij een antibioticum (Antibiotica) voorschrijven. Aan het begin van de kuur worden de antibiotica soms via een injectie toegediend. Een uur of twee voor het begin van de operatie zal de patiënt worden gevraagd alle sieraden af te doen, zich uit te kleden en een operatiehemd aan te trekken. Ook gebitsprothesen moeten uit en geïnformeerd wordt naar loszittende tanden of kronen, die per ongeluk kunnen worden beschadigd bij het inbrengen van de beademingsbuis voor de anesthesie. Als de chirurg moet snijden in een stuk huid met haar erop, wordt dat gebied vaak geschoren, zodat de huid beter schoon te maken is. Verder kan men eventueel de plaats van operatie op de huid markeren.

Premedicatie

Ongeveer een uur voor de algehele anesthesie worden kalmerende geneesmiddelen toegediend en middelen die de speekselproductie verminderen. Dit kan door middel van een injectie of oraal. Vervolgens zal een anesthesieassistent of een verpleegkundige de patiënt naar de operatiekamer brengen.

Anesthesie

Bij aankomst in de operatiekamer wordt de verdoving toegediend. Bij langdurende operaties, die onder narcose moeten gebeuren, gebeurt dat in een aantal stappen. De patiënt wordt eerst aangesloten op de monitor voor hartbewaking, tevens wordt de bloeddruk gemeten. Vervolgens wordt via het infuus eerst het slaapmiddel ingespoten, daarna het spierverslappende middel en de pijnstiller. Het spierverslappende middel zorgt ervoor dat de chirurg gemakkelijker in spieren kan snijden of deze kan verplaatsen als dat moet. Op die manier kan hij beter het te opereren gebied benaderen. Bij kortere operaties volstaat een enkele toediening van een geïnjecteerd of geïnhaleerd middel. Het eerste anesthetische middel wordt in een dun plastic buisje gespoten, dat samen met een infuus, naar de handrug of naar de arm van de patiënt loopt. Dit middel veroorzaakt vrijwel direct bewusteloosheid.

Vervolgens brengt de anesthesioloog een flexibele buis via de mond in de luchtpijp (trachea). De patiënt wordt hiermee aangesloten op de beademingsmachine, die de snelheid en diepte van de ademhaling regelt tijdens de operatie. Via deze buis wordt een mengeling van gassen ingeademd, waaronder de benodigde zuurstof en het anesthesiemiddel.

Bij een regionale verdoving wordt de anesthesie via een injectie toegediend. Waar die injectie precies komt, hangt af van het soort operatie.

In de operatiekamer

Zodra de verdoving werkt, maakt de chirurg of de assistent-chirurg met een antiseptische oplossing de huid schoon in het operatiegebied. De gebruikte oplossing kan een bruine of gele verkleuring geven die na de operatie nog korte tijd zichtbaar is. De overige huid, die niet steriel is, wordt afgedekt met steriele doeken, en de operatie kan beginnen.

Na de ingreep sluit de chirurg de operatiewond (zie Het sluiten van operatiewonden). Behalve de zichtbare hechtingen op de huid, als die tenminste gemaakt zijn, kunnen er inwendige hechtingen zijn. Bij algehele verdoving wordt nu de concentratie anesthetische gassen in de beademing verlaagd en de hoeveelheid zuurstof verhoogd, zodat de patiënt wakker wordt.

Naar de verkoeverkamer

Zodra de patiënt zelfstandig begint te ademen, haalt de anesthesioloog de beademingsbuis uit de luchtpijp. Hij zal de patiënt vertellen dat de operatie voorbij is, maar die is dan meestal maar heel even wakker. Hij wordt vervolgens naar de verkoeverkamer gereden. Na een operatie onder algehele anesthesie is de verkoeverkamer meestal het eerste dat de patiënt zich herinnert. Gedurende de eerste uren na de ingreep worden lichaamstemperatuur, bloeddruk en hartfrequentie regelmatig gecontroleerd. Nadat de patiënt weer naar de zaal gebracht is, meestal als hij helemaal wakker is, worden die controles soms nog enkele malen herhaald.

Bij sommige grote operaties is nadien een meer intensieve verpleegkundige zorg nodig, zodat de patiënt niet naar de gewone zaal, maar naar een intensivecareafdeling wordt gebracht (Op de intensive care (omgeving)). Zodra de specialistische instrumenten en intensieve verpleegkunde niet meer nodig zijn, gaat hij weer naar een algemene verpleegafdeling.

Op de verpleegafdeling

Na een grote operatie gaat de patiënt naar een verpleegafdeling waar hij kan worden bewaakt en waar zo nodig de vervolgbehandeling kan plaatsvinden. Die postoperatieve bewaking dient om eventuele complicaties zo vroeg mogelijk te zien. Indien nodig worden ook pijnstillers toegediend en andere behandelingen uitgevoerd. Hoe groter de operatie, des te langer duurt de herstelperiode. Over het algemeen is er een sneller herstel en zijn er minder complicaties als de patiënt zo goed mogelijk in beweging is, zodra dat mogelijk is nadat de anesthesie is uitgewerkt.

Na een algehele narcose zal de patiënt nog een paar uur versuft zijn. Dat is niet zo na een regionale verdoving, maar daarbij duurt het na de operatie nog wel een paar uur totdat de gevoelloosheid is verdwenen.

Behandeling en bewaking

Het is mogelijk dat de patiënt nog slangen en apparatuur aan zich verbonden heeft om bij te houden hoe het met hem gaat en om te helpen bij bepaalde lichaamsfuncties. Dat kunnen bijvoorbeeld ECG-elektroden zijn om de hartfunctie te bewaken. Er kan ook een urinekatheter zijn aangebracht, zodat hij niet meteen hoeft op te staan als hij vlak na de operatie naar de wc moet. Via die katheter wordt meteen bijgehouden hoe veel urine hij produceert. De slang wordt verwijderd zodra de patiënt in staat is zelf naar de wc te gaan of op de beddenpan te zitten. Indien nodig is er een infuus dat via de handrug of de arm in een ader uitmondt, om extra vloeistof of geneesmiddelen te geven. De vloeistof dient om ervoor te zorgen dat de patiënt niet uitdroogt zolang hij niet in staat is zelf te eten of te drinken. In sommige gevallen loopt er ook nog een slang, een ‘drain’, uit de huid in het operatiegebied. Deze laat overtollig vocht en bloed weglopen, zodat de zwelling niet te groot wordt. De drain wordt meestal na een paar dagen verwijderd. Verder kan er nog een centraal veneuze lijn zijn. Dit is een infuus dat in de hals of vlak onder het sleutelbeen naar binnen gaat en waardoor de bloeddruk en de vochtbalans worden gemeten. Via deze slang worden ook vocht en geneesmiddelen toegediend. Zodra de bewaking en de vochttoediening niet meer nodig zijn, wordt de slang verwijderd.

Pijnbestrijding

Als de patiënt wakker wordt, zal hij niet veel pijn hebben omdat de anesthesie nog niet helemaal is uitgewerkt en omdat de chirurg misschien een lokaal verdovend middel heeft ingespoten bij de wondranden. Na een paar uur kan hij echter last krijgen en heeft hij misschien pijnstillers nodig. Deze kunnen via de mond of als een injectie worden gegeven, afhankelijk van het soort geneesmiddel, hoe hevig de pijn is en of de patiënt al kan slikken. Soms krijgt de patiënt de mogelijkheid zichzelf de pijnstiller in kleine ongevaarlijke doses toe te dienen via een pompje aan het infuus naar zijn arm, de zogeheten PCA-pomp (patient-controlled analgesia pump). Het pompje heeft een ingebouwde beveiliging tegen overdosering.

Overige behandelingen

Bij sommige grote operaties is een aanvullende behandeling nodig om complicaties te voorkomen. Als iemand bijvoorbeeld langer dan een aantal uren achter elkaar niet kan bewegen, kunnen zich bloedstolsels gaan vormen in de diepe aders(zie Diepe veneuze trombose, Diepe veneuze trombose). Als die stolsels losraken van de vaatwand, kunnen ze met het bloed meestromen naar het hart of de longen en daar schade veroorzaken. Omdat het risico van stolsels bestaat, zal de arts injecties voorschrijven met een middel dat de stolling remt (Geneesmiddelen die de stolling remmen). Soms moeten enkele dagen steunkousen worden gedragen of speciale kousen die zich afwisselend opblazen en weer leeglopen om zo de pompfunctie van de kuitspieren over te nemen.

Na een operatie in een ontstoken gebied, bijvoorbeeld in een abces, worden soms antibiotica voorgeschreven (Antibiotica). Afhankelijk van het soort operatie kan verder tijdens de ziekenhuisopname nog fysiotherapie (Revalidatiegeneeskundige behandeling) worden gegeven om de mobiliteit te bevorderen.

Ontslag uit het ziekenhuis

De patiënt wordt ontslagen zodra hij geen bewaking of specifieke behandeling meer nodig heeft. In principe moet de patiënt in staat zijn zelf te plassen, te eten en te drinken zonder gebruik van katheter en infuus. Het behandelingsteam wil zeker weten dat er iemand is die de patiënt naar huis brengt en dat er thuis voor hem wordt gezorgd als hij dat zelf niet kan. Wellicht moeten er dus tevoren maatregelen voor thuiszorg (Thuiszorg) zijn genomen. Als er thuis fysiotherapie of aanpassingen nodig zijn, zullen vóór het ontslag de mogelijkheden van de patiënt worden geïnventariseerd.

Voordat de patiënt het ziekenhuis verlaat, krijgt hij zo nodig geneesmiddelen mee. Ook wordt er een vervolgafspraak op de polikliniek gemaakt om te kijken of hij goed vooruitgaat en om eventuele hechtingen te verwijderen. Soms zal de huisarts bij u langs komen om te kijken hoe het met u gaat.

Andere gerelateerde onderwerpen

U bevindt zich hier:

U gebruikt een verouderde webbrowser, wij raden u aan over te schakelen naar een van onderstaande moderne internetbrowsers.