Lucht gaat in en uit de longen, waardoor de weefsels zuurstof krijgen en ze kooldioxide kunnen uitscheiden. De ademhaling wordt bestuurd door het ademhalingscentrum in het verlengde merg van de hersenen. Dit stimuleert de inademingsspieren, waardoor de borstholte in omvang toeneemt en er lucht in de longen kan stromen. Dit is een actief proces, in tegenstelling tot de uitademing, dat passief verloopt door ontspanning van de spieren.
Buitenlucht stroomt de longen in, doordat de ademhalingsspieren de borstholte vergroten en een onderdruk veroorzaken, lager die van de atmosfeer. Door de spieren te ontspannen stroomt de lucht weer naar buiten. Dit kan worden versterkt door het aanspannen van de buikspieren.
- Inademen
- Het middenrif en de tussenribspieren trekken zich samen. Hierdoor zet de ribbenkast uit, waardoor de druk lager wordt en lucht naar binnen wordt gezogen.

- TUSSENRIBSPIEREN: De spieren trekken zich samen
- RIBBEN: De ribben gaan omhoog en naar buiten
- MIDDENRIF: Deze spier trekt zich samen en gaat omlaag
- LONG: De longen worden groter als de ribbenkast uitzet
- Luchtstroom
- Uitademen
- Na het inademen ontspannen middenrif en de tussenribspieren zich en de borstkas trekt zich samen. De druk in de longen neemt toe en de lucht verplaatst zich naar buiten.

- TUSSENRIBSPIEREN: De spieren ontspannen zich
- RIBBEN: De ribben gaan omlaag en naar binnen
- MIDDENRIF: Deze spier ontspant zich en gaat omhoog
- LONG: De longen worden kleiner als de borstkas zich samentrekt
- Luchtstroom
- Röntgenopnamen
- Hier is te zien hoe het volume van de longen verandert bij in- en uitademing, wat wordt bereikt door verandering in de positie van ribben en middenrif.

- Long
- Afgeplat middenrif
- Long
- Opbollend middenrif
- Uitademen
- Inademen
In het hele lichaam vindt voortdurend uitwisseling van zuurstof en kooldioxide plaats. In de longen passeert de zuurstof de dunne wanden van de longblaasjes en komt in de haarvaten, waar ze zich in de rode bloedlichaampjes aan hemoglobine bindt. Tegelijkertijd gaat kooldioxide uit het bloed naar de longblaasjes en wordt het uitgeademd. In de weefselcellen ruilt bloed uit de longen zijn zuurstof voor kooldioxide om.
- Gasuitwisseling
- Cellen moeten voortdurend voor hun stofwisseling van zuurstof worden voorzien. Afvalproducten, vooral kooldioxide, moeten worden afgevoerd.

- Bronchiolus (luchtkanaaltje)
- Holte van longblaasje
- Wand van longblaasje
- KOOLDIOXIDE: Kooldioxide gaat van het bloedplasma de longblaasjes in
- ZUURSTOFRIJK BLOED: Dit bloed gaat van de longen via het hart naar de cellen
- Rood bloedlichaampje
- Haarvat
- gasuitwisseling in longblaasjes
- Plasma
- Vocht tussen de cellen
- Rood bloedlichaampje
- ZUURSTOF: Zuurstof gaat van de rode bloedlichaampjes naar het weefsel
- gasuitwisseling in weefsels
- KOOLDIOXIDE: Kooldioxide verlaat de cellen en lost op in het plasma, het vloeistofgedeelte van het bloed
- Haarvat
- Plasma
- Weefselcel
- ZUURSTOFARM BLOED: Dit bloed gaat van de cellen via het hart naar de longen
- ZUURSTOF: Zuurstof verlaat de longblaasjes en bindt zich met hemoglobine in de rode bloedlichaampjes
- Dwarsdoorsnede door longblaasjes
- Deze foto van longweefsel toont de holten van de longblaasjes en hun dunne wanden. De gaatjes in de wanden zijn bloedvaatjes.

- Holte
- Bloedvaatje
- Wand