Beweging van het lichaam is afhankelijk van de wisselwerking tussen spieren, botten en gewrichten onder leiding van het centraal zenuwstelsel. Een spier verbindt gewoonlijk twee botten en loopt over het gewricht ertussen. Als een spier samentrekt, trekt hij aan het bot en zorgt hij voor beweging. Spieren kunnen alleen trekken, niet duwen. Daarom zijn spieren vaak in paren aan weerszijden van een gewricht gerangschikt, zodat ze tegengestelde bewegingen bewerkstelligen. Een voorbeeld zijn de biceps en triceps van de bovenarm.
- De arm strekken
- De triceps en biceps lopen ter weerszijden van het ellebooggewricht. Als de triceps samentrekt en de onderarm omlaag gaat, ontspant de biceps zich.

- Spaakbeen
- Ellepijp
- Bovenarm
- Ontspannen biceps
- Aangespannen triceps
- Ellebooggewricht
- De arm buigen
- Om de arm te buigen, trekt de biceps zich samen en beweegt de onderarm zich omhoog, terwijl de triceps zich ontspant.

- Ontspannen triceps
- Aangespannen biceps