Middelen die de ontwikkeling van ongewenste bloedstolsels tegengaan of die bestaande stolsels stabiliseren
- acetylsalicylzuur
- clopidogrel
- dipyridamol
- acenoumarol (vroeger: Sintrom)
- fenprocoumon (Marcoumar)
- dalteparine
- danaparoïde
- enoxaparine
- heparine
- nadroparine
- Abciximab
- Eptifibatide
- Tirofiban
Er zijn geneesmiddelen die voorkomen dat zich ongewenste bloedstolsels (thrombi) vormen in de bloedvaten. Ook worden ze gebruikt om te voorkomen dat bestaande stolsels groter worden en om het risico te verlagen van een embolie, waarbij een afgebroken deel van een stolsel via de bloedbaan naar een van de vitale organen gaat. Voor het snel oplossen van reeds gevormde stolsels zijn er de thrombolytica (hierna).
Over het algemeen zorgen bloedplaatjesaggregatieremmers dat zich geen ongewenste stollingen in de slagaders (arteriën) voordoen, terwijl anticoagulantia (bloedverdunners) worden voorgeschreven tegen de vorming of vergroting van stolsels in de aders (venen). Anticoagulantia kunnen oraal worden ingenomen of via een injectie of een infuus worden toegediend.
Deze middelen worden voorgeschreven om te voorkomen dat zich ongewenste stolsels vormen in de arteriën van het hoofd en de hals. Ze werken door de neiging tot samenklonteren (aggregatie) van bloedplaatjes, een type bloedcel met een essentiële rol in het stollingsproces, te remmen. Wie reeds symptomen heeft van een coronaire (hart) vaatziekte, zoals angina pectoris (Angina pectoris), of al eens een hartinfarct heeft doorgemaakt (Hartinfarct), een beroerte (Beroerte) of een TIA (Transient ischemic attack (TIA)), kan het advies krijgen de rest van zijn leven bloedplaatjesaggregatieremmers in een lage dosering te gebruiken.
Acetylsalicylzuur (Aspirine Ascal) wordt van deze middelen het meest voorgeschreven. Slik dit middel niet tijdens zwangerschap of als u borstvoeding geeft.
Deze bloedverdunners worden gebruikt voor een langdurige behandeling ter voorkoming van trombose van de diepe vaten (Diepe veneuze trombose), waarbij een ongewenst stolsel zich in een ader vormt, en van longembolie (Longembolie), waarbij een stolsel in de longen blijft steken. Ook worden ze voorgeschreven aan mensen met boezemfibrilleren (Boezemfibrilleren).
De werking van orale anticoagulantia is gebaseerd op het tegengaan van de vorming van stollingsfactoren, de eiwitten in het bloed die essentieel zijn voor een normale stolling. Meestal duurt het 36 tot 48 uur voordat deze middelen effectief worden.
Tijdens het slikken van anticoagulantia wordt in de eerste paar dagen van de behandeling vaak, en daarna met tussenpozen, bloedonderzoek uitgevoerd om de mate van stolling in het bloed vast te stellen. Een te hoge dosis kan leiden tot abnormale bloedingen. Daarom moet onmiddellijk de arts worden gewaarschuwd bij symptomen zoals een bloedneus of bloed in de urine of ontlasting.
Voor de behandeling van een abnormale bloeding kan de arts een middel voorschrijven dat de werking van de anticoagulantia tegengaat (zie Geneesmiddelen die de stolling bevorderen, Geneesmiddelen die de stolling bevorderen). Orale anticoagulantia kunnen ook nog andere bijwerkingen hebben, zoals blauwe plekken, huiduitslag, haaruitval, diarree en een gestoorde leverfunctie. Het is niet aan te bevelen alcohol te gebruiken of plotseling anders te gaan eten, omdat dat de werking van de anticoagulantia kan beïnvloeden. Omdat bepaalde geneesmiddelen interactie met anticoagulantia vertonen, mogen geen andere middelen, zoals een ‘aspirientje’, worden gebruikt zonder eerst met de arts te overleggen. Belangrijk is ook de arts te informeren bij plannen om zwanger te raken, omdat bepaalde anticoagulantia afwijkingen kunnen veroorzaken bij de foetus. Een behandeling met een anticoagulans mag niet plotseling worden gestaakt. Elke patiënt krijgt een behandelkaart of een armbandje of kettinkje met informatie over het gebruikte middel, dat hij altijd bij zich moet dragen om in een noodgeval medische hulpverleners te kunnen informeren.
Als een bloedstolsel snel moet worden behandeld, kan een anticoagulans, zoals heparine, via een injectie of een infuus worden toegediend. Deze snelwerkende middelen worden gebruikt om aandoeningen zoals een longembolie te behandelen totdat het orale middel gaat werken. Ze kunnen worden gegeven na een operatie bij mensen met een verhoogd risico van stolling, bijvoorbeeld vanwege overgewicht, en aan mensen die tijdens een behandeling in het ziekenhuis niet mobiel zijn. Soms veroorzaken anticoagulantia die via een injectie worden gegeven bijwerkingen, zoals huiduitslag.
Neem direct contact op met de arts als bij gebruik van een anticoagulans een spontane bloedneus ontstaat of er bloed in de urine of ontlasting zit.