Geneesmiddelen voor een te actieve schildklier
- carbimazol
- propylthiouracil
- thiamazol
- radioactief natriumjodide
Bij hyperthyreoïdie werkt de schildklier te hard en produceert te veel schildklierhormonen, met name thyroxine. De symptomen van hyperthyreoïdie zijn onrust, gejaagdheid, slapeloosheid, gewichtsverlies, trillingen en een snelle, soms onregelmatige hartslag. Thyreostatica remmen de aanmaak van schildklierhormoon.
Een overmatig actieve schildklier kan worden behandeld met schildklierremmers (‘thyreostatica’) of met radioactief jodium. Het duurt enkele weken voordat het effect van de middelen zichtbaar wordt, omdat de schildklier eerst zijn voorraad schildklierhormoon (thyroxine) moet verbruiken. De symptomen zoals trillingen en een onregelmatig versnelde hartslag worden behandeld met een bètablokker.
Deze middelen worden gebruikt bij een langdurige behandeling van een overactieve schildklier. Zij remmen de aanmaak van schildklierhormonen.
Een te hard werkende schildklier kan op drie manieren worden behandeld. Een eerste mogelijkheid is de dagelijkse hoeveelheid schildklierremmer, na een eerste periode van hoog doseren, precies in te stellen op een optimale concentratie van thyroxine in het bloed. Een tweede, op termijn vaak succesvollere strategie is de schildklier stilleggen met thyreostatica, waarna een passende onderhoudsdosis levothyroxine wordt voorgeschreven. Het is daarom logisch dat het thyroxinegehalte van het bloed regelmatig wordt gecontroleerd. Indien deze strategieën niet goed bevallen, kan worden gekozen voor het behandelen van de overactieve schildklier met radioactief jodium.
Thyreostatica worden aanvankelijk in drie tot vier doseringen per dag ingenomen. Later kan dat minder vaak. Bij carbimazol en thiamazol volstaat dan soms eenmaal daags. Meestal duurt het vier tot acht weken voordat de symptomen sterk zijn afgenomen. De productie van schildklierhormonen zal een normaal niveau bereiken na twee tot drie maanden therapie. Eventueel langer gebruik dient meestal om de onderliggende oorzaak te onderzoeken.
De bijwerkingen van thyreostatica zijn meestal gering. Er kunnen misselijkheid, diarree en hoofdpijn ontstaan; ook komen huiduitslag, jeuk en gewrichtsklachten voor. Soms kan leverbeschadiging optreden met geelzucht. Een andere zeldzame, maar ernstige bijwerking van schildklierremmers is een vermindering van de productie van witte bloedlichaampjes en daarmee de afweer.
Wie symptomen van een infectie heeft bij behandeling met thyreostatica, zoals algehele malaise, koorts en keelpijn, moet direct de arts raadplegen.
Normaal gesproken neemt de schildklier jodium uit de voeding op om schildklierhormonen te produceren. Geeft men radioactief jodium, dan neemt dat de plaats in van het normale jodium. Door de concentratie van radioactieve straling ter plaatse wordt schildklierweefsel vernietigd en neemt de productie van hormonen af. Voor schildklierkanker (Schildklierkanker) wordt één keer een drankje met radioactief jodium gegeven, bij hyperthyreoïdie geeft men een veel lagere dosis. Wat precies een goede dosis is, is niet voor ieder individu vooraf exact vast te stellen. Twee tot drie maanden na de behandeling zou de schildklier normaal moeten functioneren. Is dit niet het geval, dan kan een tweede dosis worden gegeven.
Bijwerkingen van radioactief jodium zijn tranende ogen en huiduitslag. Op de lange duur kan er een tekort aan schildklierhormoon ontstaan, omdat er na verloop van jaren te veel cellen van de schildklier kapot zijn gestraald. Daarom is ook hier regelmatige controle van de concentratie van het schildklierhormoon in het bloed nodig. Als de hormoonspiegels te laag worden, is aanvullende therapie met synthetisch schildklierhormoon nodig; soms moet deze therapie het hele leven lang worden voortgezet.
Zwangere vrouwen mogen niet worden behandeld met radioactief jodium: het middel beschadigt de foetus.