Myocardinfarct; verminderde bloedtoevoer naar de hartspier, vanwege een afgesloten kransslagader, ook vaak hartaanval genoemd
Hartaanval en hartinfarct zijn de algemene benamingen voor een acuut ernstig zuurstofgebrek in een deel van de hartspier, waardoor de spiercellen in dat hartgedeelte afsterven. Hartinfarcten vormen een van de belangrijkste doodsoorzaken in de westerse wereld. In 2003 overleden in Nederland 6404 mannen en 4893 vrouwen aan een acuut hartinfarct; gemiddeld 31 mensen per dag overlijden aan de gevolgen van een hartinfarct. Sinds de jaren zestig is het aantal mensen dat eraan sterft, sterk gedaald door betere behandelmethoden en het steeds algemenere inzicht dat een gezond leven de kans op een hartinfarct aanzienlijk vermindert.
Een hartinfarct is meestal het gevolg van een coronaire hartziekte. De kransslagaders, die het hart van vers, zuurstofrijk bloed voorzien, zijn daarbij vernauwd. De vernauwing is gewoonlijk het gevolg van atherosclerose, waarbij druppeltjes vet, bijvoorbeeld cholesterol, zich aan de wand van de slagaders hechten. De vetten vormen afzettingen die men atheroom noemt en die afgedekt worden met een vezelige laag, die kan breken of ruw kan worden. Bloedplaatjes kunnen zich aan het ruwe oppervlak of het beschadigde deel hechten, waarna zich een bloedstolsel vormt. Als het bloedstolsel groot is, kan de bloedstroom door de slagader volledig afgesloten raken, met een hartaanval als gevolg.
Als er coronaire hartziekten in uw familie voorkomen, loopt u een groter risico op een hartaanval, zeker als een of meer familieleden een coronaire hartziekte of een hartaanval voor hun vijfenvijftigste hadden.
- Oorzaak van hartinfarct
- Als een kransslagader vernauwd is door een plaque, kan de vezelige afdekking van de plaque scheuren, waarna er een bloedstolsel ontstaat. Als dit stolsel de slagader afsluit, krijgt een deel van de hartspier geen bloed meer, met een hartinfarct als gevolg.

- Kransslagader
- Plaque
- Gebroken vezellaag
- Bloedstolsel
De volgende klachten van een hartinfarct komen meestal plotseling op:
- hevige, zware, drukkende pijn midden op de borst, mogelijk met uitstraling naar kaken en armen, vooral de linkerarm;
- wit wegtrekken en zweten;
- kortademigheid;
- misselijkheid en soms braken;
- angst, soms doodsangst;
- rusteloosheid.
Als u deze klachten hebt, moet u altijd van een hartaanval uitgaan en onmiddellijk uw (huis)arts raadplegen. Wacht niet met het inschakelen van medische hulp om het ‘even aan te kijken’, want uitstel kan fataal zijn. Een ambulance met een goede uitrusting is het beste transportmiddel naar een ziekenhuis, want onderweg kunnen ingrepen noodzakelijk zijn. Uw huisarts zal u, terwijl u op de ambulance wacht, waarschijnlijk aspirine laten innemen. Aspirine maakt het bloed dunner en voorkomt zo verdere stolling.
Soms uit een hartinfarct zich in andere klachten. Als u bekend was met pijn op de borst die bij angina pectoris hoort, is die op het moment van een hartinfarct mogelijk heviger en ondervindt u die ook in rust. Een aanval van angina pectoris die niet reageert op de gebruikelijke behandeling of die langer duurt dan tien minuten, kan op een hartinfarct wijzen en spoedige ziekenhuisopname noodzakelijk maken.
Een op de vijf mensen heeft geen pijn op de borst tijdens een hartaanval. Er kunnen echter wel andere klachten optreden, bijvoorbeeld ademgebrek, duizeligheid, zweten en wit wegtrekken. Deze vorm van hartinfarct wordt een ‘stil infarct’ genoemd. Dit type hartinfarct komt vooral voor bij mensen met diabetes mellitus of met hoge bloeddruk (zie Hoge bloeddruk). Op latere leeftijd komt dit type ook vaker voor.
Meestal is de diagnose eenvoudig. Een ECG
, een registratie van de elektrische activiteit van het hart, laat vaak veranderingen zien die op een hartinfarct wijzen. Het ECG vertelt vaak welk deel en hoe veel van de hartspier beschadigd is en laat zien of het hartritme nog normaal of onregelmatig is. De diagnose kan worden bevestigd door bloed af te nemen en dat te onderzoeken op bepaalde stoffen die uit de beschadigde hartspier in het bloed terechtkomen.
In de eerste uren en dagen na een hartinfarct zijn de belangrijkste risico’s het ontwikkelen van een hartritmestoornis, die levensbedreigend kan zijn, en een hartstilstand (Hartstilstand). Afhankelijk van de locatie en de grootte van de beschadiging van de hartspier, kunnen er andere complicaties ontstaan. Zo kan het hart bijvoorbeeld in de weken of maanden na het hartinfarct onvoldoende krachtig pompen, een aandoening die hartfalen wordt genoemd. Vermoeidheid, kortademigheid en gezwollen enkels behoren tot de klachten. Minder frequent voorkomende complicaties zijn beschadiging van een van de hartkleppen (zie Mitralisinsufficiëntie) en ontsteking van het vlies dat het hart omgeeft (zie Pericarditis). Beide aandoeningen kunnen tot hartfalen leiden.
De eerste doelen bij de behandeling van een hartinfarct zijn het verminderen van de pijn en het herstellen van de bloedtoevoer naar de hartspier om de schade zo veel mogelijk te beperken en de kans op complicaties te verminderen. Deze doelen kunnen het beste worden bereikt op de afdeling eerste harthulp van een ziekenhuis (Op de intensive care (omgeving)). Daar worden uw hartritme, bloeddruk en ademhaling continu in de gaten gehouden. Als u door het hartinfarct zware pijn op de borst hebt, krijgt u waarschijnlijk een krachtige pijnstillende injectie (Analgetica), bijvoorbeeld met morfine
In de eerste zes uur na de aanval krijgt u mogelijk ook trombolytica om het bloedstolsel dat de kransslagader afsluit, op te lossen. Ook kan de arts onmiddellijk tot dotteren (Dotteren (behandeling)) besluiten om de slagader open te maken. Als de bloedstroom naar de beschadigde hartspier binnen zes uur kan worden hersteld, is er een redelijke kans op volledig herstel.
Op de hartbewakingseenheid wordt uw hartslag in de gaten gehouden en grijpt de arts in als er een hartritmestoornis of hartfalen optreedt. Als het herstel goed verloopt, mag u na 24 tot 48 uur even het bed uit. Kort daarna kunt u aan een programma voor hartrevalidatie deelnemen, waarbij u langzaamaan steeds langere perioden uit bed mag.
Als u eenmaal bent hersteld van het hartinfarct, wordt de toestand van uw kransslagaders en hartspier bekeken. Aan de hand van testen zoals inspannings-ECG (zie Inspanningstest) en echocardiografie wordt bepaald hoe de behandeling wordt voortgezet. Als het hart bijvoorbeeld niet voldoende pompt, krijgt u ACE-remmers en/of plaspillen. Als een van de kransslagaders vernauwd is, kan tot een omleidings- of bypassoperatie worden besloten. Als uit de onderzoeken blijkt dat u steeds een te trage hartslag hebt, kan er een pacemaker worden ingebracht (zie Pacemaker).
Sommige medicijnen die u blijvend moet slikken, verminderen de kans op een herhaald hartinfarct; u krijgt daarom mogelijk bètablokkers, ACE-remmers en aspirine. De arts zal u, behalve een dieet met weinig vet, tevens cholesterolverlagende middelen (Lipidenverlagende geneesmiddelen) voorschrijven om het cholesterolgehalte te verminderen. Deze medicijnen hebben een gunstige uitwerking na een hartaanval, zelfs als het cholesterolgehalte van uw bloed goed is.
Volg de adviezen van uw arts op over hoe snel u uw normale activiteiten weer kunt aanvangen. De meeste patiënten zullen zich zorgen maken over hun gezondheid, en een lichte depressie komt vaak voor. Het is echter belangrijk u niet te veel te laten leiden door de angst voor een nieuwe hartaanval. Veel ziekenhuizen bieden een doorlopend revalidatieprogramma aan voor patiënten die uit het ziekenhuis zijn ontslagen, om hun de mogelijkheid te geven weer vertrouwen te krijgen en hun ervaringen met anderen te delen.
Als het uw eerste hartinfarct was, u snel werd behandeld en er geen complicaties zijn opgetreden, zijn de vooruitzichten goed. Na twee weken is het risico van een nieuwe hartaanval aanzienlijk verminderd en hebt u een goede kans om nog minstens tien jaar te leven. De vooruitzichten worden nog beter als u stopt met roken, regelmatig beweging neemt en gezond eet.
Als u al eerder een hartinfarct had, hangen de vooruitzichten af van hoe veel hartspier is beschadigd en van eventuele complicaties zie Acuut en Chronisch hartfalen, Acuut hartfalen). Veel mensen die een operatie hebben ondergaan of zijn gedotterd, leven nog langer dan tien jaar.
- Leeftijd
- Meer kans met toenemende leeftijd
- Geslacht
- Komt tot 60 jaar bij mannen vaker voor, daarna gelijke kans
- Erfelijkheid
- Zit vaak in de familie
- Leefwijze
- Roken, vet eten, te weinig beweging en overgewicht zijn risicofactoren