Wat geneesmiddelen doen in het lichaam en de mogelijke gevolgen daarvan
Een geneesmiddel kan meer dingen doen in het lichaam dan datgene waarvoor het bedoeld is. Daaronder vallen de bijwerkingen, gewenning en afhankelijkheid. Ook kan er sprake zijn van interactie: het verschijnsel dat twee of meer geneesmiddelen die door dezelfde patiënt worden genomen, elkaars werking versterken of verminderen.
De werking van een geneesmiddel kan per persoon verschillen. Vooral bij kleine kinderen en ouderen kan het effect bij dezelfde dosering veel sterker zijn.
Bijna alle systemische middelen (middelen die in het hele lichaam werken) hebben bijwerkingen, de term die we gebruiken voor de ongewenste neveneffecten van een normale dosering van een geneesmiddel. Bijwerkingen ontstaan doordat het geneesmiddel niet alleen aangrijpt op de cellen waarvoor het bedoeld is, maar ook elders in het lichaam. Zo worden bètablokkers wel gebruikt bij de behandeling van hoge bloeddruk. Door hun werking op het hart veroorzaken ze echter vaak moeheid.
Sommige bijwerkingen zijn voorspelbaar, zoals een droge mond door antihistaminica. Bijwerkingen kunnen echter ook onvoorspelbaar zijn, zoals bij een allergie voor een bepaald middel. In principe kan ieder geneesmiddel, inclusief penicilline Antibiotica een allergische reactie veroorzaken, variërend van een beetje jeuk of huiduitslag tot ernstige ademhalingsproblemen. Andere onverwachte bijwerkingen kunnen een gevolg zijn van iemands genetische aanleg, waardoor hij bijvoorbeeld de geneesmiddelen op een andere manier afbreekt dan normaal. Zo heeft een deel van de mensen uit mediterrane, Afrikaanse en Zuidoost-Aziatische landen een erfelijk tekort aan het enzym G6PD, waardoor hun rode bloedlichaampjes afwijkend zijn. Als die mensen bepaalde geneesmiddelen slikken, zoals sulfonamiden (antibiotica), kunnen ze een hemolytische anemie ontwikkelen, waarbij rode bloedlichaampjes te snel worden afgebroken. Het bloed kan vervolgens niet genoeg zuurstof door het hele lichaam afleveren.
Er zijn echter middelen, vooral voor ernstige aandoeningen, die zware en mogelijk fatale bijwerkingen hebben. Zo werken bepaalde cytotoxische middelen tegen kanker (zie Geneesmiddelen tegen kanker) ook toxisch op het hart, waardoor hartfalen kan ontstaan. Bij een medische beslissing over het gebruik van een bepaald middel is de overweging altijd of de voordelen van het middel opwegen tegen de mogelijke bijwerkingen.
Wie een middel gedurende langere tijd slikt, kan merken dat zijn lichaam zich aanpast, hetgeen we gewenning (tolerantie) noemen. Bij sommige middelen is dat gunstig, omdat de bijwerkingen verdwijnen terwijl het gewenste effect blijft. Zo ondervinden veel mensen die antidepressiva (Antidepressiva) slikken, dat na verloop van tijd bijwerkingen zoals een droge mond verdwijnen, terwijl de gunstige werking op hun stemming blijft. Maar bij andere middelen kan het optreden van gewenning betekenen dat de dosis moet worden verhoogd om het gewenste effect te behouden. Hierdoor kunnen de bijwerkingen toenemen in aantal en ernst. Afhankelijkheid wil zeggen dat de patiënt niet meer zonder het middel kan. De afhankelijkheid kan psychologisch zijn, hetgeen wil zeggen dat de patiënt ervan overtuigd is dat hij niet normaal kan functioneren zonder het geneesmiddel. Het kan ook lichamelijk zijn. Zo kan langdurig gebruik van laxerende middelen ertoe leiden dat de darmen niet meer functioneren zonder die middelen. Bij sommige geneesmiddelen, zoals benzodiazepinen (Angstreducerende geneesmiddelen), ontstaat de afhankelijkheid doordat het lichaam gewenning ontwikkelt. Stoppen met het geneesmiddel kan dan onprettige bijwerkingen geven (ontwenningsverschijnselen), die zelfs gevaarlijk kunnen zijn. Afhankelijkheid kan ook ontstaan bij chronisch gebruik van middelen die geen geneesmiddel zijn, zoals alcohol (zie Alcoholverslaving, Alcoholverslaving) en nicotine (roken).
De werking van een geneesmiddel kan per persoon verschillen, bijvoorbeeld doordat de een het middel sneller absorbeert en uitscheidt dan de ander. Ook geeft een gelijke dosis bij verschillende mensen een andere concentratie van het middel in het bloed of het weefsel, afhankelijk van factoren zoals lichaamsgrootte en het functioneren van de lever. Bepaalde groepen lopen meer risico op het optreden van bijwerkingen: ongeboren kinderen, baby's (vooral tijdens de borstvoeding als de moeder bepaalde middelen gebruikt), kinderen, mensen met nier- of leveraandoeningen en ouderen.
De meeste geneesmiddelen passeren bij een zwangerschap de placenta en bereiken zo de foetus. Veel van die geneesmiddelen kunnen schade berokkenen, vooral in de eerste twaalf weken als de organen nog in aanleg zijn. Wie dus in verwachting is of denkt dat ze dat kan zijn, moet een arts of apotheker raadplegen voordat geneesmiddelen worden gebruikt. Vrouwen die regelmatig geneesmiddelen gebruiken, bijvoorbeeld vanwege een chronische aandoening zoals diabetes mellitus (Diabetes mellitus) of epilepsie epilepsie kunnen het beste al met hun arts gaan overleggen bij het bestaan van kinderwens. Soms is het risico voor zowel moeder als kind juist groter wanneer een aandoening (zoals epilepsie) niet wordt behandeld dan wanneer dat wel gebeurt.
Bij een vrouw die borstvoeding geeft en gelijktijdig geneesmiddelen gebruikt, kunnen die in de borstvoeding terechtkomen. Sommige geneesmiddelen zijn slecht voor het kind. Zo kunnen angstreducerende middelen een baby loom maken, zodat hij niet meer goed drinkt. Wie borstvoeding geeft, dient dus een arts of apotheker te raadplegen vóórdat een geneesmiddel wordt gebruikt.
Bij baby's en kleine kinderen moet voorzichtig worden omgegaan met geneesmiddelen. De dosering is vaak lager dan bij volwassenen en gebaseerd op de leeftijd en het gewicht van het kind. Een juiste dosering is van groot belang bij kinderen. Een geneesmiddel dat is voorgeschreven voor gebruik door een volwassene, mag nooit zomaar aan een kind worden gegeven.
Als de nieren of de lever niet goed werken, kunnen ongewenste bouwstoffen of het geneesmiddel zelf zich opstapelen in het bloed tot concentraties die de kans op bijwerkingen verhogen. Daarom kan een aangepaste dosering noodzakelijk zijn.
Ouderen hebben een verhoogde kans op bijwerkingen, vaak doordat organen zoals de lever en de nier met de stijgende leeftijd minder goed gaan functioneren. Ook gebruiken ouderen vaker diverse middelen voor verschillende aandoeningen of klachten tegelijk, zodat het risico van interacties tussen geneesmiddelen groter is.