Het meten van stoffen die door de endocriene klieren worden aangemaakt
Hormonen zijn stoffen die worden aangemaakt door de klieren van het endocriene systeem, zoals de hypofyse, de schildklier, de bijnieren, eilandjes in de alvleesklier, de eierstokken en de testikels. Hormoontesten meten de concentraties van deze stoffen waaruit kan worden afgeleid of de klier normaal werkt. De concentraties in het bloed kunnen zeer laag zijn. De analyses worden uitgevoerd bij bepaalde symptomen of combinaties daarvan, zoals vermoeidheid, een onverwachte verandering van het gewicht of problemen met de menstruatie, die het gevolg zouden kunnen zijn van een hormonale stoornis. Dat geldt ook voor onvruchtbaarheid, abnormale groei bij kinderen of vroege of vertraagde puberteit. De meest gebruikte hormoontest is de zwangerschapstest.
De meeste hormonen worden bepaald in een bloedmonster en soms in een monster van 24 uursurine. Het meten van de hormoonspiegel gebeurt in het laboratorium met behulp van geavanceerde apparatuur met gevoelige detectiemethoden (zie Analyse van bloed en urine). Een zwangerschapstest (zie TECHNIEK: Zwangerschapstest) kan ook thuis worden gedaan met een bij drogist en apotheek verkrijgbare set.
In sommige gevallen kan men een diagnose stellen op grond van een enkele test waarbij de concentratie hormoon dat door een klier wordt aangemaakt, wordt gemeten. Als een enkele meting echter niet voldoende is om de diagnose te stellen, heeft u mogelijk een hormoonstimulerende of -remmende test nodig. Met deze testen kan worden vastgesteld of uw stoornis wordt veroorzaakt door een verkeerde aansturing van de klier of door een afwijking in de klier zelf.
Een veelgebruikte hormoonbepaling is die van het menselijk choriongonadotrofine (HCG), dat alleen bij zwangerschap wordt aangemaakt. De aanwezigheid ervan is voldoende om zwangerschap aan te tonen. De productie van hormonen door een klier wordt echter vaak aangestuurd door hormonen die door de hypofyse of door de hypothalamus (De Hypofyse (structuur en functie)) in de hersenen worden aangemaakt. In sommige gevallen moet dan ook de spiegel van die hormonen worden gemeten. Om een schildklierstoornis te onderzoeken wordt de concentratie schildklierhormoon of thyroxine gemeten en tevens de concentratie schildklierstimulerend hormoon (TSH), het hormoon dat door de hypofyse wordt aangemaakt en dat de schildklier aanzet tot het maken van thyroxine. Dit geeft de arts extra informatie over de oorzaak van een afwijkende concentratie thyroxine en kan helpen bij het kiezen van de juiste behandeling. Voor vruchtbaarheidsonderzoek meet men het oestradiol (uit het ovarium) of testosteron (testikels) en de twee hormonen uit de hypofyse die de gonaden (geslachtsklieren)stimuleren: LH en FSH (De Hypofyse (structuur en functie)).
Deze testen gebruikt men om de diagnose te stellen als bekend is dat de hormoonproductie afwijkt, maar de oorzaak daarvan nog moet worden opgespoord. Als bijvoorbeeld lage concentraties van zowel thyroxine als TSH worden gevonden, kan de hypofyse hiervoor verantwoordelijk zijn. Om te bepalen of dat inderdaad zo is, kan een medicijn worden voorgeschreven dat een gezonde hypofyse ertoe aanzet TSH te produceren. Als dan echter nog geen TSH wordt aangemaakt, weet de arts dat de hypofyse een stoornis vertoont die verantwoordelijk is voor de lage concentratie thyroxine.
Om te onderzoeken of er hormonen worden geproduceerd door tumoren in de klieren die niet onder de gebruikelijke regulatie staan, kan men proberen de hormoonproductie te remmen. Om te testen of iemand met een te hoge productie van groeihormoon in de hypofyse een tumor heeft of niet (zie Acromegalie, Acromegalie), wordt door het geven van 75 gram glucose de rembaarheid van de groeihormoonproductie bekeken: bij acromegalie is de remming onvoldoende. De werking van de pil (orale anticonceptie)berust ook op een remming van de hypofysehormonen LH en FSH door de oestrogenen in de pil.