Kanker en behandeling

Medische encyclopedie

De verschillende oorzaken van kanker en hoe te behandelen

In de meeste westerse landen is kanker, na hart- en vaatziekten, de meest voorkomende doodsoorzaak. Hoewel ruim één op de drie mensen op een gegeven moment kanker krijgt, genezen tegenwoordig veel mensen dankzij de vooruitgang op het gebied van diagnose en behandeling.

Veel typen kanker vormen een gezwel in een orgaan, bijvoorbeeld de borsten, darmen of blaas. Wanneer een dergelijk gezwel onopgemerkt blijft en niet wordt behandeld, kan het zich naar andere weefsels uitzaaien. Andere typen kanker zijn vanaf het begin door het lichaam verspreid, zoals kanker van de lymfklieren (zie Lymfoedeem) en kanker van het bloedcellenproducerende beenmerg (zie Leukemie).

De oorzaken

Kanker ontstaat door beschadigingen in bepaalde genen, spontaan of door invloeden van buitenaf, zoals: chemische stoffen (vooral tabaksrook), virussen, ultraviolet licht en andere vormen van straling. Soms erft men een afwijkend gen van een van de ouders. De belangrijkste oorzaken van kanker variëren per leeftijdsgroep. Kinderen en volwassenen met een verminderde weerstand, bijvoorbeeld door aids (Hiv-infectie en aids), en mensen die immunosuppressiva (immuniteitonderdrukkende medicijnen) gebruiken, lopen een verhoogd risico op bepaalde vormen van kanker. Bij deze mensen zullen invloeden van buitenaf, bijvoorbeeld virussen, eerder kanker veroorzaken.

Kanker bij kinderen

Kanker komt zelden voor bij kinderen. (In Nederland zijn van de in totaal 65.000 nieuwe kankergevallen per jaar ongeveer zeshonderd kinderen jonger dan achttien.) De meest voorkomende typen jeugdkanker zijn leukemie en gezwellen in de hersenen of het ruggenmerg (Tumoren in hersenen en ruggenmerg bij kinderen). Van de meeste vormen van jeugdkanker is de oorzaak onbekend. Een aantal kindertumoren ontwikkelt zich uit weefsel dat normaal al in de embryonale fase van ontwikkeling verdwijnt. Een voorbeeld is het neuroblastoom. Deze vorm van kanker komt hoofdzakelijk bij kleine kinderen voor. Andere vormen van jeugdkanker, zoals botkanker, komen vooral voor bij oudere kinderen.

Soms wordt kanker veroorzaakt door een of meer abnormale genen. Ongeveer 50 procent van een bepaalde vorm van oogkanker (zie Retinoblastoom) en sommige vormen van nierkanker (zie Wilms-tumor) hebben een genetische oorsprong. In dat geval kunnen meer familieleden dezelfde vorm van kanker krijgen. Sommige erfelijke ziekten vergroten de kans op kanker. Kinderen met het Down-syndroom hebben bijvoorbeeld een tien tot twintig keer zo grote kans op leukemie als andere kinderen.

Kanker bij kinderen
In Nederland krijgen jaarlijks ongeveer zeshonderd kinderen jonger dan achttien jaar kanker; de meest voorkomende vorm is leukemie.
Kanker bij kinderen
  1. Oogkanker 3,5%
  2. Nierkanker 6,5%
  3. Bot en weke delen tumoren 12%
  4. Tumoren van het zenuwstelsel 27%
  5. Leukemie en lymfklierkanker 41%

Kanker bij volwassenen

Kanker komt veel vaker voor bij volwassenen dan bij kinderen. In Nederland krijgen bijna vier op de tien mannen en drie op de tien vrouwen te maken met kanker. De meest voorkomende vormen van kanker bij volwassenen zijn huidkanker, longkanker, borstkanker, prostaatkanker en kanker van de dikke darm.

Bij volwassenen boven de vijftig verdubbelt het totaal aantal nieuwe diagnosen van kanker gemiddeld per tien levensjaren. Iemand van tachtig heeft dus een achtmaal zo grote kans op kanker als iemand van vijftig. Sommige vormen van huid- en prostaatkanker komen op hogere leeftijd vaak voor, maar veroorzaken in veel gevallen weinig problemen.

De symptomen

Soms wordt kanker al ontdekt voordat zich klachten voordoen, bijvoorbeeld tijdens een routineonderzoek. Meestal wordt het echter ontdekt doordat iemand klachten krijgt die een bezoek aan de huisarts rechtvaardigen. Tot de symptomen kunnen behoren:

  • een stevig, maar niet pijnlijk knobbeltje, in of vlak onder de huid;
  • veranderingen in het uiterlijk van een moedervlek;
  • een wondje dat niet geneest;
  • bloed in de urine of opgehoest slijm;
  • veranderingen in de stoelgang;
  • bloedige afscheiding uit anus of vagina;
  • heesheid en veranderingen in de stem;
  • slikproblemen.

Veel vormen van kanker gaan bovendien gepaard met algemenere symptomen, zoals:

  • gewichtsverlies;
  • vermoeidheid;
  • misselijkheid en gebrek aan eetlust.

Vaak is er bij deze klachten geen sprake van kanker. Om zekerheid te krijgen is het verstandig uw huisarts te bezoeken wanneer u een of meer van deze symptomen hebt.

De diagnose

Kanker wordt door preventief onderzoek steeds vaker in een vroeg stadium, voordat zich symptomen voordoen, ontdekt. Een voorbeeld hiervan is het onderzoek van de dikke darm door coloscopie of rectaal onderzoek op aanwezigheid van gezwellen in de dikke darm. Andere bekende onderzoeksmethoden zijn bij vrouwen het mammogram om te controleren op borstkanker en het uitstrijkje om te controleren op baarmoederhalskanker en bij mannen rectaal onderzoek van de prostaat en bepaling van het PSA-gehalte in het bloed. De diagnose wordt echter ook vaak gesteld na onderzoek van specifieke klachten. Tot deze methoden behoren technieken om het inwendige lichaam zichtbaar te maken, zoals röntgenfoto’s, echogram, CT-scan en MRI . Soms wordt het bloed onderzocht, bijvoorbeeld op de aanwezigheid van eiwitten die een indicatie zijn van bepaalde gezwellen (zie Tumormarkeronderzoek). Een weefselbiopsie is altijd noodzakelijk om de uiteindelijke diagnose met zekerheid te stellen. Daarbij wordt een beetje weefsel weggenomen dat op de aanwezigheid van kankercellen wordt onderzocht (zie Cel- en weefselonderzoek). Na de eerste diagnose kan vervolgonderzoek uitwijzen welk type cel in het weefsel is gaan woekeren Bovendien onderzoekt men of het oorspronkelijke gezwel zich al heeft uitgezaaid (zie TEST: De stadia van kanker). De behandeling wordt hierop gebaseerd.

De behandeling

Hoewel kanker op een groot aantal plaatsen in het lichaam kan ontstaan, zijn de algemene principes van de therapieën en behandelmethoden gelijk. De kans dat kanker kan worden genezen is het grootst als de ziekte in een vroeg stadium wordt ontdekt, voordat ernstige symptomen ontstaan. De drie belangrijkste behandelmethoden zijn operatieve verwijdering van het gezwel (chirurgie), behandeling met geneesmiddelen (chemotherapie) of bestraling (radiotherapie).

Afhankelijk van het type en het stadium van de kanker kan de behandeling gericht zijn op genezing (curatieve behandeling), of op vertraging van de groei van de gezwellen en verlichting van de symptomen (palliatieve behandeling). Bij een curatieve behandeling wordt het gezwel meestal operatief verwijderd. Bij sommige vormen van kanker kan genezing worden bereikt met chemotherapie alleen (bijvoorbeeld bij leukemie, kanker van de lymfklieren (lymfoom), zaadbalkanker en sommige kindertumoren), of radiotherapie alleen (keelkanker, prostaatkanker, huidkanker en baarmoederhalskanker). Als een kankergezwel chirurgisch is verwijderd, wordt vaak na de operatie chemotherapie en/of radiotherapie (bestraling) gegeven om te voorkomen dat eventueel achtergebleven kankercellen opnieuw actief worden. Soms worden chemotherapie en radiotherapie gelijktijdig gegeven om elkaars effect te versterken. Deze behandelmethoden worden ook toegepast als een operatie niet of niet meer mogelijk is of als men de ziekte vooral wil afremmen. Palliatieve zorg kan de symptomen van kanker onder controle houden en erop gericht zijn de kwaliteit van leven te verbeteren.

De behandeling wordt, na gesprekken tussen arts en patiënt over de prognose en de mogelijkheden, afgestemd op het type en de mate van verspreiding van de kankergezwellen, de leeftijd, de algehele conditie en de wensen van de patiënt.

Operatief ingrijpen

Gezwellen die in een vroeg stadium worden ontdekt, kunnen meestal operatief worden verwijderd. Daarbij neemt men ook wat van het omliggende weefsel weg, om de kans dat er kankercellen in het lichaam achterblijven zo veel mogelijk te beperken. Soms worden de lymfklieren in de omgeving van het gezwel weggenomen, omdat kankercellen zich vaak via deze klieren verspreiden. Uitgezaaide gezwellen in andere delen van het lichaam worden meestal niet operatief verwijderd.

Sommige gezwellen kan men echter niet operatief verwijderen. Een operatie om bijvoorbeeld een gezwel diep in de hersenen weg te nemen kan het gezonde hersenweefsel ernstig beschadigen. Een operatie is ook minder zinvol als zich elders in het lichaam al uitzaaiingen hebben ontwikkeld. Dan kiest men voor andere behandelmethoden, zoals chemotherapie of bestraling.

In bepaalde gevallen kan operatief ingrijpen deel uitmaken van een palliatieve behandeling (zie Palliatieve operaties bij kanker). Men kan bijvoorbeeld gezwellen verwijderen die de darmen of de galgangen blokkeren, of botbreuken als gevolg van botkanker (Primaire botkanker) operatief behandelen.

Chemotherapie

Chemotherapie (zie BEHANDELING: Chemotherapie) is een behandeling waarbij cytostatica worden gebruikt om kankercellen te doden. Gezien de verschillende aangrijpingspunten in het delingsmechanisme van de cel en het feit dat kankercellen verschillen in gevoeligheid voor cytostatica, worden ze vaak gecombineerd toegepast. Daarmee kan dan een beter effect worden bereikt. Het is de belangrijkste behandeling in geval van leukemie en andere niet-gelokaliseerde vormen van kanker. Ook wordt deze therapie toegepast om eventuele nog niet aantoonbare uitzaaiingen te vernietigen. Vaak lukt het met chemotherapie om de kanker een tijd te onderdrukken, maar meestal treedt na langere of kortere tijd opnieuw ongeremde groei op en krijgt de behandeling die met curatieve intentie was begonnen toch een pallatief karakter.

De behandeling heeft vaak bijwerkingen, zoals misselijkheid en braken, haaruitval, verstopping, diarree, vermoeidheid of (zelden)beschadiging van de nieren en bloedarmoede (zie Anemie).

Tevens kan chemotherapie de vorming van witte bloedcellen (belangrijk voor de afweer tegen infecties) en bloedplaatjes (belangrijk voor de bloedstelping)remmen, waardoor een verhoogde vatbaarheid voor infecties en bloedingsneiging kunnen ontstaan. Een aantal bijwerkingen kan worden bestreden: bijvoorbeeld misselijkheid en braken met antibraakmiddelen en bloedarmoede met bloedtransfusies (zie BEHANDELING: Bloedtransfusie). De duur van de behandeling hangt af van het type kanker en het beoogde doel.

Radiotherapie (bestraling)

Bij radiotherapie probeert men met een zorgvuldig gerichte straling kankerweefsel te vernietigen of de groei te remmen. Net zoals operatief ingrijpen en chemotherapie kan radiotherapie gericht zijn op genezing of palliatief worden toegepast. Op allerlei wijzen probeert men de behandeling zo veel mogelijk te richten op de tumor om daarbij zo min mogelijk gezond weefsel te beschadigen. Inwendige bestraling met radioactief implantatie materiaal is een van die methoden. De bijwerkingen zijn afhankelijk van het gebied dat wordt bestraald en verschillen per individu. Voorbeelden zijn: een rode of pijnlijke huid op de bestraalde plek, slechte eetlust, misselijkheid, braken en vermoeidheid. Als de behaarde hoofdhuid in het bestralingsveld ligt, kan haaruitval optreden, tijdelijk of soms blijvend (zie Alopecia). Indien mond en/of slokdarm in het bestralingsveld liggen, kunnen een pijnlijke droge mond en slikklachten ontstaan. Bestraling van de dikke darm kan ontstekingsverschijnselen en langdurige diarree veroorzaken. De meeste bijwerkingen kunnen met medicijnen worden verlicht en verdwijnen als de behandeling is afgelopen.

Hormoontherapie

Hormoonherapie is een behandeling bij kanker waarbij gebruik wordt gemaakt van hormonen die de celgroei en de verspreiding van bepaalde vormen van kanker beïnvloeden. Het vrouwelijke geslachtshormoon oestrogeen stimuleert bijvoorbeeld de groei van de meeste typen borstkanker en onderdrukt de groei van prostaatkanker. Deze vorm van kanker wordt dan ook veel met hormoontherapie (of hormoonblokkerende medicijnen) behandeld.

Hormoontherapie bestaat uit medicijnen die de aanmaak van bepaalde hormonen remmen of de effecten hiervan tegengaan. In geval van borstkanker zijn dat anti-oestrogenen en in geval van prostaatkanker antitestosteronhormonen. Ook kan men het orgaan weghalen dat verantwoordelijk is voor de productie van het hormoon. Bijvoorbeeld de eierstokken bij een vrouw met borstkanker die nog niet in de overgang is, of de teelballen (castratie) bij een man met prostaatkanker. De bijwerkingen van hormoonbehandelingen lopen uiteen, afhankelijk van de toegepaste methode. Vaak zijn ze van hormonale aard, zoals opvliegers, hoofdpijn en gevoelige borsten (ook bij mannen).

Biologische behandeling

Biologische behandeling, ook wel immunotherapie genoemd, is een behandeling bij kanker waarbij op de een of andere manier het immuunapparaat (afweerapparaat) wordt gestimuleerd. Deze behandeling wordt nog maar bij weinig vormen van kanker toegepast.

Er zijn verschillende aangrijpingspunten. Een van de mogelijkheden is dat men met bepaalde eiwitten de eigen immunologische afweer stimuleert. Dit zijn eiwitten die normaal in het lichaam voorkomen en die nu in het laboratorium worden gemaakt, zoals interferonen en interleukinen. Dit gebeurt onder andere bij melanoom en nierkanker.

Een andere mogelijkheid is dat men antistoffen tegen kankercellen maakt. Deze antistoffen worden per infuus toegediend. Bepaalde vormen van borstkanker, lymfomen en leukemie worden inmiddels met antistoffen, meestal in combinatie met chemotherapie behandeld. Aan deze antistoffen kunnen ook weer bepaalde cytostatica worden gekoppeld, waardoor ter plaatse van het gezwel hoge concentraties hiervan kunnen worden bereikt.

Nog experimenteel zijn de zogenoemde kankervaccinaties. Hierbij wordt een aantal eigen afweercellen uit het bloed van de patiënt gehaald. Vervolgens krijgen die cellen een deeltje van de vorm van kanker waaraan de patiënt lijdt. Daarna worden de cellen weer toegediend. Het immuunsysteem zal de veranderde cellen dan aanzien voor lichaamsvreemde cellen die bestreden moeten worden. De methode werkt volgens hetzelfde basisprincipe als ieder vaccin: wek een reactie op van het immuunsysteem met een verzwakte (niet schadelijke) ziekteverwekker.

Met nieuwe biotechnologietechnieken is het ook mogelijk kleine moleculen te maken die specifiek de werking van bepaalde ontregelde genen (oncogenen) en eiwitten in de kankercel blokkeren. Oncogenen zijn stukjes van het erfelijke materiaal in een cel die ervoor zorgen dat een cel zich als een kankercel gedraagt. In tegenstelling tot chemotherapie is hier sprake van een zeer specifieke antikankerbehandeling met veel minder bijwerkingen op gezond weefsel.

Andere experimentele therapieën zijn gentherapie en afremming van angiogenese. Gentherapie houdt in dat men in een beschadigd of ziekmakend stukje van het erfelijk materiaal van bepaalde cellen een nieuw gen introduceert. Het nieuwe gen moet een stof produceren die helpt de kankercellen te vernietigen. Uit dierproeven is gebleken dat kleine gezwellen hierdoor kunnen verdwijnen. Klinische toepassing is echter nog uitermate experimenteel. Afremming van angiogenese wil zeggen dat men medicijnen toedient die de groei van de voor het gezwel noodzakelijke nieuwe bloedvaten tegengaan. Het gezwel verschrompelt dan door onvoldoende zuurstof en voeding.

Ondersteunende (palliatieve) zorg

Voor bepaalde klachten bij kanker kan uw arts ondersteunende zorg (palliatieve behandeling) aanbieden. Deze zorg is bedoeld om u een zo normaal mogelijk leven te laten leiden. Daarbij speelt de kwaliteit van uw leven een belangrijke rol. Met een palliatieve behandeling kan geen genezing worden bereikt. De symptomen van kanker, zoals pijn, worden verlicht, evenals bijwerkingen van de behandeling, zoals braken. Ook vinden veel mensen het prettig te praten met andere mensen die vergelijkbare ervaringen hebben doorgemaakt (lotgenotencontact). U kunt u aansluiten bij een gespreksgroep voor kankerpatiënten en hun familieleden. KWF kankerbestrijding kan u hierbij van dienst zijn.

De prognose

Hoe eerder kanker wordt ontdekt, des te groter is de kans dat de behandeling slaagt en dat de ziekte wordt genezen. De prognose wordt meestal uitgedrukt in het percentage van de patiënten die vijf jaar na de diagnose nog in leven zijn. De prognose is de laatste decennia aanzienlijk verbeterd. Tegenwoordig zijn zeven van de tien kinderen en één op de twee volwassenen vijf jaar na de ontdekking van kanker nog in leven (zie kanker overleven). Zelfs wanneer de kanker ongeneeslijk is, is er een redelijke kans dat de patiënt nog vele jaren een kwalitatief aanvaardbaar leven voor zich heeft. Helaas gaat een succesvolle behandeling vaak gepaard met hinderlijke bijverschijnselen en complicaties. Chemotherapie en radiotherapie beschadigen niet alleen de kankercellen, maar ook de gezonde cellen in het lichaam. Kanker krijgt daardoor steeds meer het karakter van een chronische ziekte.

Risicofactoren

Leeftijd
Risicofactoren afhankelijk van het type
Risicofactoren afhankelijk van het type
Risicofactoren afhankelijk van het type
Geslacht
Risicofactoren afhankelijk van het type
Erfelijkheid
Risicofactoren afhankelijk van het type
Leefwijze
Risicofactoren afhankelijk van het type

Andere gerelateerde onderwerpen

U bevindt zich hier:

U gebruikt een verouderde webbrowser, wij raden u aan over te schakelen naar een van onderstaande moderne internetbrowsers.