Het kenmerk van normale weefselgroei is een nauwkeurig gecontroleerde balans tussen celgroei (celdeling) en celdood (apoptose). In een kankerproces is de controle over de celdeling verloren gegaan en het vermogen om tot apoptose over te gaan afgenomen. Kankercellen groeien tussen normale cellen door en verspreiden zich via bloed- en lymfvaten naar andere lichaamsdelen. Kankercellen zijn onregelmatig van vorm en grootte en vertonen meestal weinig overeenkomst met de oorspronkelijke cellen.
- Migrerende cellen
- Op deze vergroting zijn zich verplaatsende kankercellen te zien, die zich hebben losgemaakt van een gezwel. Sommige vinden een nieuwe plaats, waar ze uitzaaiingen kunnen vormen.


- NORMALE CEL: Tussen de kankercellen blijven banden van normale cellen zichtbaar
- DELENDE CEL: Kankercellen delen zich vaker dan normale cellen
- KANKERCEL: Kankercellen hebben een grote kern en lijken niet op de oorspronkelijke cel
- CALCIUMAFZETTING: In sommige gezwellen ontstaan kalkafzettingen die op röntgenfoto’s zichtbaar zijn
- DOOD WEEFSEL: Kankercellen binnen in het gezwel sterven af door te geringe doorbloeding
- BLOEDING: In het gezwel ontstaan bloedingen doordat de sneldelende kankercellen de vaatwanden beschadigen
- EPITHEEL: Gezwellen vormen zich vaak in het epitheel, de bovenste laag van huid en slijmvliezen
- ZWEERTJE: Het gezwel kan het epitheel volledig eroderen
- LYMFVAT: De lymfvaten in het kankergezwel maken verspreiding van kankercellen naar lymfklieren mogelijk
- UITLOPER: De kankercellen vormen uitlopers die het omliggende weefsel binnendringen
- BLOEDVAT: Bloedvaten in de gezwellen maken uitzaaiing van kankercellen mogelijk
- ZENUWVEZEL: De druk van kankercellen op zenuwvezels veroorzaakt pijn