Slecht zien met een oog, waaraan verder niets mankeert
Men spreekt van een lui oog als de gezichtsscherpte van dat oog is verminderd zonder dat het oog een aantoonbare afwijking heeft en het niet met de juiste brilsterkte is te corrigeren. Een lui oog doet zich voor bij jonge kinderen als de twee ogen verschillende beelden naar de hersenen sturen. Dat kan alleen ontstaan in de periode dat het scherp zien nog in ontwikkeling is. Het gezichtsvermogen ontwikkelt zich tot het kind vijf jaar is; hiervoor moeten de hersenen de beelden uit beide ogen leren combineren. Als de ogen gedurende deze periode een verschillend beeld doorgeven, reageren de hersenen hierop door een van de beelden te onderdrukken, waardoor het gezichtsvermogen zich niet normaal kan ontwikkelen. Als een lui oog niet wordt behandeld voordat het kind tien jaar is, zijn latere pogingen zinloos.
Elke aandoening waarbij de twee ogen verschillende beelden naar de hersenen sturen, kan tot een lui oog leiden. Scheelzien is de meest voorkomende oorzaak. Andere oorzaken zijn gezichtsstoornissen aan één oog, die met een bril kunnen worden gecorrigeerd. Bijvoorbeeld astigmatisme, verziendheid en bijziendheid. Of een organische afwijking, zoals aangeboren staar of een hangend bovenooglid.
Bij alle vormen van een lui oog is de gezichtsscherpte verminderd. Als het lui oog het gevolg is van scheelzien is ook de ruimtelijke oriëntatie gestoord bij het kijken met het luie oog.
Als u denkt dat uw kind niet goed ziet, is het raadzaam meteen naar de huisarts te gaan om het risico op blijvende schade te beperken. Uw kind zal naar een oogarts worden verwezen, die een oogonderzoek doet.
In Nederland wordt het onderzoek en de behandeling van een lui oog door orthoptisten uitgevoerd. De oogarts wordt ingeschakeld om bij het eerste consult de gezondheid van het oog te checken door middel van oogspiegelen. De orthoptist kan met een penlight de symmetrie van de reflexbeeldjes van het hoornvlies onderzoeken. Vanaf de leeftijd van enkele maanden kan met een prisma worden onderzocht of een van de ogen door het andere oog wordt onderdrukt. Daarbij moet worden bedacht dat een baby tot de leeftijd van 5 maanden nog zeer korte momenten “mag” scheelkijken (babyloenzen). Permanent of frequent scheelzien is echter direct vanaf de geboorte een reden voor verwijzing en verder onderzoek. De diagnose wordt pas gesteld als er geen andere afwijkingen zijn die de verlaagde gezichtsscherpte verklaren.
In het algemeen geldt: hoe jonger het kind, hoe succesvoller de behandeling. In samenwerking met een orthoptist volgt een behandeling. Het soort behandeling hangt af van de oorzaak. Als uw kind een gezichtsstoornis heeft, zoals verziendheid, kan die eenvoudigweg worden gecorrigeerd met een bril. Als één oog minder goed ziet, dwingt men door een pleister voor het goede oog te dragen, de hersenen om de visuele informatie van het zwakkere oog te verwerken, ongeacht de oorzaak. Of een oog gedurende een aantal uren per dag of de hele dag moet worden afgeplakt, is onder meer afhankelijk van de leeftijd van het kind en de mate van het luie oog. Als uw kind zo’n pleister moet dragen, moet u het steunen en aanmoedigen, vooral als het met het zwakke oog slecht ziet.
Na de amblyopiebehandeling volgt vaak een behandeling voor het scheelzien (strabismusoperatie).
De prognose voor kinderen met lui oog hangt af van de leeftijd waarop de behandeling is begonnen. Lui oog is bij kinderen jonger dan tien jaar in veel gevallen te corrigeren. Oudere kinderen zullen er blijvend in meer of mindere mate hinder van blijven ondervinden.
- Leeftijd
- Treedt meestal op voordat het kind 5 jaar is
- Geen factoren van betekenis
- Geen factoren van betekenis
- Erfelijkheid
- Zit soms in de familie
- Geslacht
- Geen factoren van betekenis
- Leefwijze
- Geen factoren van betekenis