Een zeldzame aandoening waarbij een woekering van placentaweefsel bestaat
Bij ongeveer één op de tweeduizend zwangerschappen ontwikkelt de placenta zich tot een mola hydatidiformis, een tumor die eruitziet als een trosje druiven. Hoewel dit gezwel goedaardig is, is kwaadaardige verandering in zeldzame situaties mogelijk. Bij een molazwangerschap maakt het placentaweefsel meer humaan chorionigonadotropine (HCG) dan in een normale zwangerschap. Bij een molazwangerschap is er bijna nooit een foetus aanwezig.
Bij ongeveer één op de tien molazwangerschappen blijven er cellen (trofoblastcellen) in de baarmoeder achter. Men spreekt dan van persisterende trofoblast. Bij ongeveer 3 procent vindt kwaadaardige verandering plaats (zie Choriocarcinoom) waarbij verspreiding door het lichaam mogelijk is. Molazwangerschappen komen vaker voor bij vrouwen ouder dan 35 en bij Aziatische vrouwen, al is de reden hiervoor onbekend.
Een molazwangerschap geeft soms sterkere zwangerschapsklachten dan normaal, zoals extreme vermoeidheid of misselijkheid en braken (zie Hyperemesis, Hyperemesis). Een andere klacht kan zijn: vaginale bloeding, soms met stukjes weefsel die eruitzien als blaasjes, druiven.
Een molazwangerschap groeit sneller dan een normale zwangerschap, waardoor de baarmoeder groter is dan voor dat tijdstip normaal in de zwangerschap. Meestal is bloedverlies het eerste teken dat er iets niet goed is. Dit is reden voor verder onderzoek.
Een molazwangerschap wordt bij echoscopisch onderzoek gevonden, soms bij toeval en soms bij onderzoek wegens klachten zoals bloedverlies of extreme misselijkheid. Uit de echo (Echoscopie bij zwangerschap (test)) blijkt meestal al vrij zeker dat het een molazwangerschap betreft.
De diagnose wordt bevestigd door onderzoek van het materiaal dat met een vacuümcurettage uit de baarmoeder wordt verwijderd. Voorafgaand en na afloop van de ingreep controleert met het HCG in het bloed.
Het herstel van een molazwangerschap wordt gecontroleerd aan de hand van de HCG-spiegel. Deze daalt meestal binnen een halfjaar tot normale waarden. Verdere behandeling is dan niet nodig. Daalt het HCG onvoldoende, dan kan dat een teken zijn dat zich een choriocarcinoom ontwikkelt. Behandeling met chemotherapie is dan geboden (Chemotherapie (behandeling)).
Vrouwen worden na een molazwangerschap gecontroleerd door bepaling van de HCG-spiegels in het bloed. Een nieuwe zwangerschap wordt pas geadviseerd een halfjaar na het normaal worden van de HCG-spiegel. Bij een volgende zwangerschap is vroeg echoscopisch onderzoek wenselijk in verband met een iets verhoogde kans op een nieuwe molazwangerschap. Zes weken na een volgende zwangerschap wordt het HCG-gehalte opnieuw gecontroleerd.
- Leeftijd
- Komt vooral voor boven 35 jaar
- Geen factor van betekenis
- Erfelijkheid
- Komt vooral bij Aziatische vrouwen voor
- Leefwijze
- Geen factor van betekenis