Calculus renalis: afzetting van kristallen van uiteenlopend formaat die zich in de nieren vormt
Afvalstoffen van het lichaam worden met water door de nieren geloosd. Nierstenen ontstaan als de urine verzadigd is van afvalstoffen die dan kunnen kristalliseren. Het kan jaren duren voordat nierstenen tot klachten leiden.
Als de stenen klein zijn, kunnen zij de nier verlaten en eventueel via de urinewegen op natuurlijke wijze worden uitgescheiden (via het plassen). Grotere stenen blijven in de nier zitten, maar kunnen ook wel eens in de urineleider (de buis tussen de nieren en de blaas) terechtkomen. Als een steen in de urineleider vast komt te zitten, kan deze erge pijn veroorzaken. Een (grote) steen in de nier doet gewoonlijk geen pijn, maar geeft een risico op ontsteking.
De kans dat zich stenen in de nieren vormen is het grootst als er een grote concentratie opgeloste stoffen in de urine zit. Onvoldoende drinken vergroot het risico op nierstenen. Als er weinig water in het lichaam aanwezig is, houden de nieren zo veel mogelijk water vast. Ten gevolge daarvan is de urine die zij wel maken erg geconcentreerd. Mensen die in een warmere omgeving zijn of zich veel inspannen, moeten dus méér drinken om het vochtverlies door transpiratie te compenseren en de concentratie van de urine laag (lichtgele urine) te houden.
Er kunnen zich, afhankelijk van de afvalstoffen die kristalliseren, verschillende soorten nierstenen vormen. De meeste bestaan uit calcium en kunnen in verband worden gebracht met een dieet dat rijk is aan calcium of aan oxaalzuur. Ook kunnen zij worden gevormd als uw lichaam te veel bijschildklierhormoon (zie Hyperparathyreoïdie) aanmaakt, een proces waarbij zich grote hoeveelheden calcium in het bloed ophopen. Een klein deel van de nierstenen bevat urinezuur; zij kunnen voorkomen bij mensen met jicht.
Nierstenen kunnen ook het gevolg zijn van infecties in het urinestelsel en de vorm krijgen van een koraal die een heel nierbekken vult, een ‘koraalsteen’. Heel soms worden ze gevormd van cystine, een stof die in abnormaal grote hoeveelheden aanwezig is bij mensen met de erfelijke afwijking cystinurie. Ook worden nierstenen in verband gebracht met sommige medicijnen, zoals indinavir, dat wordt gebruikt bij de behandeling van een hiv-infectie (zie Middelen bij seropositiviteit en aids).
- Koraalniersteen
- Deze steen is in de loop der jaren zo groot geworden dat hij het hele nierbekken vult.

- Koraalniersteen
- Normaal nierweefsel
- Ureter
Kleine nierstenen kunnen ongemerkt met de urine worden uitgeplast. Grotere stenen of scherpe stukken van stenen in de urineleider kunnen pijnkrampen veroorzaken. De symptomen verschijnen dan meestal plotseling:
- koliek: hevige aanvalsgewijze pijn in de rug uitstralend naar buik en lies;
- misselijkheid en overgeven;
- frequent en pijnlijk urineren;
- bloed in de urine.
Als een niersteen met de urine wordt uitgescheiden, gaat de pijn snel over. Als de steen echter in de urineleider vast komt te zitten, kan de urine niet meer wegstromen. Dit leidt tot het opzwellen van de nier (zie Hydronefrose). Een grote steen in de nier doet gewoonlijk geen pijn, maar verhoogt de kans op een infectie.
Bij vermoeden van een niersteen zal de huisarts eerst een urinemonster nemen om naar bloed, kristallen of tekenen van een infectie te zoeken. Er kan een gewone röntgenfoto van de buik worden gemaakt om naar calciumstenen te zoeken; andere stenen kunnen worden opgespoord met speciale röntgenfoto’s van het urinestelsel (zie Intraveneuze urografie) of met behulp van echoscopie (Echografie (echoscopie)). Stenen die met de urine zijn uitgescheiden, kunnen eventueel in het laboratorium worden geanalyseerd om de samenstelling te bepalen.
Als de stenen klein zijn en in de nier blijven, kunt u advies krijgen een pijnstiller te slikken en veel te drinken om daarmee de stenen te helpen zich met de urine uit te laten scheiden. Soms kunnen stenen die vast zijn komen te zitten, worden verwijderd tijdens een cystoscopie (Cystoscopie (test en behandeling)). Bij deze procedure wordt een kijkinstrument via de urinebuis en de blaas in de urineleider gebracht. Dan wordt een pincet door de buis naar de stenen gebracht die ze kapotmaakt of verwijdert.
Als een steen in de urinebuis terechtkomt, veroorzaakt dat gewoonlijk zeer hevige pijn die uren kan duren. Om de pijn te bestrijden krijgt u een NSAID toegediend als injectie in een spier of als zetpil. Soms is zelfs morfine nodig. De meest gebruikte behandeling van nierstenen is niersteenvergruizing, waarbij schokgolven de stenen verpulveren; de stukjes gruis kunnen dan worden uitgeplast. Operatief verwijderen van nierstenen is alleen nodig als ze erg groot zijn. In zeer zeldzame gevallen moet dan de hele nier worden verwijderd.
Na een niersteenaanval zal uw huisarts de urine controleren om te kijken of er nog bloed in zit. Uw huisarts zal u aanraden om minimaal twee tot drie liter vocht per dag te drinken en voedsel te mijden dat de vorming van stenen bevordert (zie Voorkomen van nierstenen).
Meer dan de helft van de mensen die voor een niersteen behandeld zijn, krijgt er binnen zeven jaar weer een. De zelfhulpmaatregelen (zie ZELFHULP: Voorkomen van nierstenen) kunnen het risico op terugkeer verkleinen. Nierstenen kunnen blijvende schade aan de nieren veroorzaken. Als dit beide kanten treft, ontstaat chronische nierinsufficiëntie.
- Leeftijd
- Komt meestal voor tussen 30 en 50
- In sommige gevallen is de aandoening erfelijk
- Bepaalde diëten, te weinig drinken en wonen in een warm klimaat zijn risicofactoren
- Geslacht
- Komt meer voor bij mannen
- Erfelijkheid
- In sommige gevallen is de aandoening erfelijk
- Leefwijze
- Bepaalde diëten, te weinig drinken en wonen in een warm klimaat zijn risicofactoren