Ogen en gezichtsvermogen

Medische encyclopedie

Ons gezichtsvermogen is een van de meest verfijnde van alle levende wezens. We kunnen snelheid en afstand goed genoeg inschatten om een bal te vangen. Van dichtbij kunnen we ongelooflijk veel details zien, waardoor we een draad door een naald kunnen rijgen of kleine letters kunnen lezen. We kunnen veel kleuren zien, en wanneer we snel van een nabij voorwerp naar een voorwerp dat veraf is kijken of van fel naar zwak licht gaan, passen onze ogen zich vanzelf aan. Oogleden en tranen, die vuil en vreemde voorwerpen wegspoelen, beschermen de ogen.

Voor de meeste mensen wordt de bewuste waarneming vanaf de geboorte gedomineerd door het gezichtsvermogen. In samenwerking met onze andere zintuigen, geeft ons gezichtsvermogen ons enorme hoeveelheden informatie over onze omgeving en stelt ons in staat daarmee en met de mensen om ons heen te communiceren.

Het oog werkt als een verfijnde biologische videocamera, die het licht van alles om ons heen bundelt om een scherp beeld te vormen op een lichtgevoelige laag, het netvlies, achter in het oog. Cellen in dat netvlies zetten deze beelden om in elektrische signalen, die via de oogzenuw naar de hersenen worden geleid.

Visuele waarneming is niet alleen afhankelijk van het oog, maar ook van complexe processen in de hersenen. De signalen worden in delen van de hersenschors (de buitenste laag van de hersenen)samengevoegd tot een driedimensionaal beeld. In de hersenen worden ook signalen van de ogen gecombineerd met andere informatie, zoals herinneringen en zenuwimpulsen van andere zintuigen, om de zichtbare wereld betekenis en structuur te geven.

Detail van de iris
De kleur van de iris hangt af van de hoeveelheid pigment erin.
Detail van de iris

Beeldvorming

Willen we duidelijk kunnen zien, dan moeten de lichtstralen die het oog binnendringen exact bij elkaar komen op het netvlies. Het hoornvlies, de transparante laag aan de voorkant van het oog, is het eerste onderdeel van het oog dat verantwoordelijk is voor dit scherpstellen. De ooglens bundelt de lichtstralen automatisch om heldere en scherpe beelden te vormen van dingen veraf of dichtbij. Het beeld op het netvlies staat ondersteboven, maar de hersenen interpreteren dit beeld zodanig dat we de wereld zien.

Wanneer er licht op het netvlies valt, wekken lichtgevoelige cellen, de zogenoemde staafjes en kegeltjes, zwakke elektrische impulsen op in een patroon dat overeenkomt met het beeld. Elk kegeltje reageert op een van de primaire kleuren (rood, groen of blauw) en samen stellen ze ons in staat een groot aantal kleuren te zien.

De hoeveelheid details die we kunnen zien (de gezichtsscherpte), wordt bepaald door de dichtheid van de lichtgevoelige cellen in het netvlies. Vergeleken met de meeste dieren is onze gezichtsscherpte erg goed, maar roofvogels hebben veel meer staafjes en kegeltjes, zodat zij nog veel scherper zien. Een arend kan een voorwerp dat wij met moeite op duizend meter kunnen zien, op vijfduizend meter waarnemen.

De elektrische impulsen van alle cellen in het netvlies vormen het visuele signaal, dat via de oogzenuw naar de hersenen wordt geleid. Impulsen van beide ogen worden naar een deel achter in de hersenen gestuurd, de zogenoemde occipitale of visuele hersenschors. Hier worden de visuele signalen geïntegreerd, zodat ze een compleet beeld geven van het gezichtsveld.

Naar buiten kijken
Dit sterk vergrote beeld laat de fijne vezels zien die de elastische lens van het oog ondersteunen.
Naar buiten kijken

De bescherming van de ogen

De oogleden en tranen beschermen de ogen. De oogleden kunnen zich sluiten om te voorkomen dat schadelijke stoffen de ogen binnendringen, en tranen gaan infecties tegen door mogelijk gevaarlijke stoffen die het oog zouden kunnen beschadigen weg te spoelen. Tranen bevatten ook een ontsmettingsmiddel.

Andere gerelateerde onderwerpen

U bevindt zich hier:

U gebruikt een verouderde webbrowser, wij raden u aan over te schakelen naar een van onderstaande moderne internetbrowsers.