Problemen tijdens de uitdrijving

Medische encyclopedie

Alle problemen waardoor de tweede fase van de bevalling langer duurt of een normale uitdrijving niet mogelijk is

De uitdrijving van de baby, ook wel de tweede fase genoemd, begint zodra de baarmoederhals van de moeder 10cm ontsluiting heeft, en eindigt met de geboorte van het kind. Bij ongeveer twee op de tien zwangeren wordt de baby met behulp van een kunstverlossing geboren. De redenen daarvoor zijn of aanwijzingen dat de baby het niet meer goed maakt (zie Foetale nood) of het niet vorderen van de uitdrijving terwijl de conditie van het kind op zich goed is. In alle gevallen zult u door de huisarts of verloskundige worden verwezen naar de gynaecoloog. Een kunstverlossing kan zijn een verlossing met vacuümpomp of tang, of een keizersnede (zie BEHANDELING: Keizersnede).

De oorzaken

De problemen die voor een verlengde eerste fase zorgen, kunnen een normale uitdrijving onmogelijk maken. Echter, ook als de eerste fase zonder problemen verlopen is, kan zich een probleem in de tweede fase voordoen.

Zwakke of niet-effectieve weeën kunnen de uitdrijving vertragen. Pijnbestrijding, zoals een ruggenprik (zie BEHANDELING: Ruggenprik bij de bevalling), kan de weeën ook verzwakken. Als de moeder ten gevolge van een langdurige eerste fase of anderszins erg uitgeput is, kan de uitdrijvende kracht zwak zijn en de uitdrijving moeilijker verlopen.

Als de baby niet in de goede positie ligt (zie Abnormale ligging), vooral als er sprake is van een verkeerde spildraai of een kruinligging, kan de uitdrijving lastiger zijn. Een uitdrijving bij een gewone achterhoofdsligging kan moeilijk verlopen als de baby relatief groot is.

De diagnose

Wanneer u volledige ontsluiting hebt en de tweede fase van de bevalling begint, zal uw verloskundige of arts door middel van inwendig onderzoek goed in de gaten houden hoe de uitdrijving vordert, en, om te beoordelen hoe het kind het maakt, het hartje van de foetus blijven controleren met behulp van een CTG (zie TEST: CTG-registratie) of door na elke wee te luisteren.

De behandeling

Als uw weeën te zwak zijn, kan uw arts u een infuus met oxytocine geven, het hormoon dat de weeën opwekt (zie De bevalling inleiden). Als de baby voldoende is ingedaald, maar de bevalling schiet toch niet op, dan kan de gynaecoloog de geboorte met behulp van een vacuümpomp of tang bespoedigen. Bij een dergelijke ingreep wordt er soms, maar niet altijd, ingeknipt (zie Episiotomie). Zo’n knip of episiotomie is een knip vanuit de vaginaopening richting anus. In elk land wordt de ingreep op eigen wijze uitgevoerd, maar in ons land gebeurt het meestal schuin naar links of rechts achter. Hierdoor kan het hoofdje van de baby gemakkelijker geboren worden, en mogelijk is er dan bij een kunstverlossing minder kans op een totale ruptuur (een grote inscheuring waarbij ook de kringspier van de anus beschadigd wordt). Soms, als het hoofd al bijna geboren is en uw verloskundige of arts wil de baby snel geboren laten worden omdat de hartslag minder goed wordt, is alleen een episiotomie voldoende.

Een keizersnede is nodig als de baby niet voldoende is ingedaald om met behulp van een tang of vacuüm geboren te kunnen worden.

De prognose

Als bij de eerste bevalling een vacuüm of tang nodig was, is dat bij een eventuele volgende bevalling bijna nooit nodig. Ook na een keizersnede kunt u vaak een volgende keer langs natuurlijke weg bevallen. Wel hebt u in dat geval een primair medische indicatie voor specialistische begeleiding tijdens zwangerschap en baring en moet u in het ziekenhuis bevallen.

Risicofactoren

Leeftijd
Geen factoren van betekenis
Geen factoren van betekenis
Erfelijkheid
Geen factoren van betekenis
Leefwijze
Geen factoren van betekenis

Andere gerelateerde onderwerpen

U bevindt zich hier:

U gebruikt een verouderde webbrowser, wij raden u aan over te schakelen naar een van onderstaande moderne internetbrowsers.