Stofwisseling (proces)

Medische encyclopedie

Er vinden talloze chemische reacties en omzettingen in de cellen plaats om het lichaam levend en gezond te houden en energie op te wekken. Stofwisseling of metabolisme is de algemene term voor al deze processen. De grondstoffen voor de stofwisseling worden geleverd door de voedingsstoffen die tijdens de spijsvertering tot eenvoudige moleculen worden afgebroken. Deze worden tot nieuwe complexe moleculen opgebouwd, die kunnen worden gebruikt voor herstel of om nieuwe cellen te maken (anabolisme), of nog verder afgebroken om energie vrij te maken (katabolisme).

Anabolisme en katabolisme

Bij anabole processen worden cellen opgebouwd en gerepareerd, of er worden complexe moleculen gemaakt van eenvoudige. Bij katabole processen worden complexe moleculen afgebroken tot eenvoudige, zoals glucose en aminozuren, en deze moleculen worden afgebroken om de cel te voorzien van energie en materiaal om celstructuren te vernieuwen.

Metabolisme
Anabole en katabole processen vinden in de cellen van het hele lichaam tegelijkertijd plaats om complexe moleculen te vormen en energie te leveren.
Metabolisme
  1. Eenvoudige moleculen uit verteerd voedsel
  2. KATABOOL PROCES: Moleculen worden afgebroken om de energie te leveren voor de lichaamsfuncties
  3. ANABOOL PROCES: Eenvoudige moleculen worden gebruikt als bouwstenen voor complexe moleculen
  4. Energie
  5. Complexe moleculen

Basaal metabolisme

De hoeveelheid energie die iemand gebruikt voor de essentiële functies, zoals op temperatuur blijven, ademhaling en hartslag, is het basaal metabolisme. Deze neemt met de leeftijd af, maar kan korte tijd sterk stijgen door factoren, zoals ziekte, zwangerschap, borstvoeding en menstruatie. Alle vormen van lichaamsbeweging doen het energiegebruik van het lichaam stijgen tot boven het basaal metabolisme.

Basaal metabolisme
Na de leeftijd van ongeveer tien jaar neemt het basaal metabolisme af; bij vrouwen is dit over het algemeen lager dan bij mannen. Het basaal metabolisme wordt gemeten in rust en meestal uitgedrukt in kilojoule per vierkante meter lichaamsoppervlak per uur (1 kilojoule is ongeveer 4 kilocalorieën).
Basaal metabolisme

Hoe het lichaam voedsel gebruikt

Iedere lichaamscel is afhankelijk van essentiële voedingsstoffen in het eten. Koolhydraten, eiwitten en vetten worden door de spijsvertering omgezet in respectievelijk glucose, aminozuren en vetzuren. Deze moleculen komen, direct of indirect via het lymfatisch stelsel, in de bloedbaan terecht en worden in de lever en in alle lichaamscellen omgezet in een bruikbare vorm (metabolisme). Glucose wordt gebruikt voor energie, net als vetzuren als er te weinig glucose is. Aminozuren vormen de complexe eiwitten die nodig zijn om cellen te maken of te repareren.

Leverweefsel
De lever heeft een grote bloedtoevoer. Op deze vergroting zien we een bloedvat omgeven door grote levercellen (hepatocyten).
Leverweefsel
  1. Bloedvat
  2. Hepatocyt
Mitochondrion
Iedere lichaamscel bevat vele mitochondriën. Op deze sterke vergroting van een mitochondrion, de ‘krachtcentrale’ van een cel, zien we de plooien (cristae) waar de reacties plaatsvinden.
Mitochondrion
  1. Crista
  2. Buitenmembraan
Laagje vetcellen
Vetten worden opgeslagen in ovale cellen, de vetcellen. Deze cellen, ook adipocyten genoemd, vormen een laag van variërende dikte onder de huid om het lichaam te isoleren. Een dunne laag vetweefsel ligt om het hart, de nieren en andere inwendige organen.
Laagje vetcellen
Energieproductie
Het voedsel dat we eten wordt vooral gebruikt als bron van energie. De afbraak van glucose is de door het lichaam geprefereerde energiebron, maar als er geen glucose beschikbaar is, kunnen ook vetzuren worden omgezet in energie. In extreme gevallen kunnen zelfs aminozuren als energie worden gebruikt.
Energieproductie
  1. Lichaamscellen
  2. Lever
  3. Koolhydraten
  4. Vetten
  5. Maag
  6. Vetzuren en glycerol
  7. Aminozuren
  8. Glucose
  9. Delende cel
  10. Vetcel
  11. Spiercel
  12. Leverweefsel
  13. Eiwitten
  14. Glycogeenopslag
  15. Vetopslag
  16. OPSLAG VAN GRONDSTOFFEN: Overtollige glucose wordt als glycogeen opgeslagen in de lever en spiercellen. Deze stof kan worden afgebroken in glucose en direct worden gebruikt voor energie. Een teveel van vetten wordt opgeslagen als triglyceriden in vetcellen. Overtollige aminozuren kunnen niet worden opgeslagen, maar ze worden omgezet in vetzuren en opgeslagen in vetcellen. Als de glycogeenopslagplaatsen vol zijn, wordt ook een teveel van glucose omgezet in vetzuren en opgeslagen.
  17. HOE GRONDSTOFFEN GEBRUIKT WORDEN: Glucose levert de energie voor de groei en reparatie van cellen. Vetten worden vooral gebruikt om celwanden mee te bouwen. Aminozuren worden omgezet in complexe eiwitten die worden gebruikt bij de celdeling en het herstel van beschadigde cellen.
  18. SPIJSVERTERING: Bij de spijsvertering worden complexe koolhydraten omgezet in eenvoudige suikers zoals glucose; vetten worden afgebroken tot vetzuren en glycerol, en eiwitten tot aminozuren. De bloedstroom vervoert deze voedingsstoffen naar de lever, de belangrijkste plek in het lichaam waar stofwisseling plaatsvindt, en vandaar naar alle lichaamscellen.

Andere gerelateerde onderwerpen

U bevindt zich hier:

U gebruikt een verouderde webbrowser, wij raden u aan over te schakelen naar een van onderstaande moderne internetbrowsers.