Een techniek waarbij een radioactieve stof in het lichaam wordt gebracht om structuur en functioneren van weefsels te onderzoeken
Radionuclidescanning is een techniek waarbij een radioactieve stof in het lichaam wordt gebracht om de structuur en het functioneren van weefsels te onderzoeken. Bij deze techniek worden beelden gemaakt met de straling die door een stof in het lichaam wordt uitgezonden. De radioactieve stof, een zogenoemde radionuclide, wordt in het lichaam gebracht en opgenomen door het orgaan of het weefsel dat moet worden onderzocht. Een scanner buiten het lichaam vangt de straling op die door de radionuclide wordt uitgezonden en stuurt de informatie naar een computer. Deze zet de gegevens om in beelden. Radionuclidescanning kan worden gebruikt om een bepaald orgaan af te beelden en in het bijzonder om te bepalen hoe dat orgaan functioneert. SPECT-scanning en PET-scanning zijn speciale vormen van radionuclidescanning.
Gewoonlijk worden radionucliden in het lichaam gebracht door een injectie. Ze worden dan met het bloed naar de weefsels getransporteerd. Het kan ook worden ingeademd. Dit gebeurt bij Xenon, een bijzonder soort radionuclidegas. Verschillende weefsels nemen verschillende radionucliden op. Voor een scan wordt een bepaalde radionuclide gekozen die zich speciaal ophoopt in het weefsel dat moet worden onderzocht. Voor een scan van de schildklier wordt bijvoorbeeld radioactief jodium in een ader geïnjecteerd, omdat jodium wordt opgenomen door de schildklier.
Een radionuclide zendt gammastraling uit die lijkt op röntgenstraling. Gammastraling (?-straling) is onzichtbare elektromagnetische straling met een hogere energie dan ultraviolet licht en röntgenstraling. De straling worden buiten het lichaam opgevangen met een gammacamera. In de camera zit speciale apparatuur (detectoren) die de informatie over hoeveelheid en plaats verwerken tot een vorm die door een computer kan worden geanalyseerd. De computer bouwt hiermee een beeld op en stuurt dat naar een monitor. Ieder weergegeven beeldpunt staat voor een bepaalde hoeveelheid straling.
Op radionuclidescans zijn delen van het lichaam te zien als verschillende kleurschakeringen. Gebieden met een intense kleur noemt men hot spots; op die plaats worden veel radionucliden opgenomen. In gebieden met een minder intense kleur worden minder radionucliden opgenomen. Hoe actiever het weefsel, des te meer radionucliden worden opgenomen.
Een belangrijk resultaat van radionuclidescanning is dat hiermee een ‘kaart’ kan worden gemaakt van een orgaan gebaseerd op de activiteit van het weefsel. Daarmee wordt informatie gegeven over het functioneren van dat orgaan of weefsel. Deze afbeeldingstechniek kan worden gebruikt om verhoogde activiteit te ontdekken vanwege tumoren in organen zoals de schildklier en de nieren. Ook een radionuclidescan van bot zal gebieden met verhoogde activiteit laten zien. Daarmee kunnen aandoeningen zoals de ziekte van Paget en botkanker worden opgespoord.
Veranderingen in het functioneren van een weefsel of orgaan ontwikkelen zich vaak eerder dan dat structurele veranderingen zichtbaar zijn, en met radionuclidescanning kunnen sommige aandoeningen veel eerder worden opgespoord dan met andere afbeeldingstechnieken. Zo kan met een radionuclidescan een ontsteking in botweefsel (osteomyelitis) weken eerder worden vastgesteld dan met een gewone röntgenfoto.
Radionuclide-scans zijn vooral bruikbaar om te bepalen hoe goed een behandeling heeft gewerkt. De scans kunnen voor en na een bepaalde behandeling worden gemaakt om het functioneren van het orgaan voor en na de behandeling te kunnen vergelijken.
Radionuclide-scanning brengt vrijwel geen direct risico met zich mee, maar net als alle technieken waarbij straling wordt gebruikt, kan ook deze lichaamscellen beschadigen en het risico op kanker op latere leeftijd doen toenemen. Radionucliden worden echter altijd in zeer kleine hoeveelheden toegediend en worden meestal in het lichaam snel afgebroken.