Een chronische aandoening van vooral de kleine hand- en voetgewrichten waarbij de gewrichten pijnlijk, gezwollen, stijf en misvormd raken
Bij reumatoïde artritis – vaak RA genoemd – worden de aangedane gewrichten stijf en gezwollen als gevolg van een ontsteking van de synoviale membraan die alle gewrichtsholten bekleedt. Langzaam tast de ontsteking ook de uiteinden van de botten en het kraakbeen aan. De pezen en banden die stevigheid moeten geven, verliezen kracht en houvast en de gewrichten raken misvormd.
Gewoonlijk manifesteert de ziekte zich het eerst in de kleinere gewrichten. Over het algemeen komt reumatoïde artritis in dezelfde gewrichten aan beide zijden van het lichaam voor. Ook kan de ontsteking andere weefsels treffen, zoals ogen, longen, hart en bloedvaten.
Het is een chronische ziekte die gewoonlijk in terugkerende episoden optreedt. Tussen die episoden heeft men naar verhouding veel minder klachten. Ongeveer één op de honderd mensen krijgt de ziekte, vrouwen drie keer zo vaak als mannen. Een soortgelijke, maar aparte vorm van artritis komt voor bij kinderen (zie Juveniele chronische artritis).
Reumatoïde artritis is een auto-immuunziekte waarbij het lichaam bepaalde antilichamen maakt tegen onderdelen van het eigen lichaam. Er is sprake van een erfelijke aanleg.
Reumatoïde artritis ontstaat meestal langzaam, al kan de ziekte zich plotseling manifesteren. Algemene klachten van de ziekte zijn vermoeidheid, lichte koorts en een slechte eetlust met vermagering. Meer specifieke klachten zijn:
- stijve, pijnlijke en gezwollen gewrichten;
- in een later stadium pijnloze kleine knobbels (noduli) op plaatsen waar druk ontstaat, zoals onder de ellebogen.
Bij vrouwen kunnen de symptomen verbetering vertonen tijdens de zwangerschap.
- Zwelling bij reumatoïde artritis
- De gezwollen knokkels van deze hand zijn het gevolg van reumatoïde artritis, een aandoening waarbij de gewrichten zijn ontstoken en beschadigd kunnen raken.

Op den duur kunnen de beenderen in de buurt van de aangedane gewrichten als gevolg van de ontsteking en de verminderde beweeglijkheid dichtheid en structuur verliezen. Ter plaatse rond de gewrichten ontstaat lokaal botontkalking (zie Osteoporose). Als gevolg van verminderde beweeglijkheid en medicatie kan later algemene osteoporose ontstaan. De botten worden brozer en breken gemakkelijker.
De algemene verschijnselen bij reumatoïde artritis zijn deels het gevolg van de bloedarmoede door een overmatig verbruik van ijzer, dat nodig is voor de aanmaak van nieuwe rode bloedcellen. Verder kan bursitis ontstaan, waarbij een of meer slijmbeursjes rond een gewricht ontstoken raken. Als door zwelling van het polsgewricht de zenuw die daar loopt (nervus medianus) in het gedrang raakt, kan dat tintelingen en pijn in de vingers geven (zie Carpaletunnelsyndroom). Door verhoogde spanning van de spieren in de wanden van de bloedvaten naar vingers en tenen kunnen die aders vernauwd raken, waarbij de vingers en tenen bleek en pijnlijk worden bij blootstelling aan kou (fenomeen van Raynaud).
De diagnose wordt gewoonlijk gesteld als vier van de zeven volgende kenmerken ten minste zes weken aanwezig zijn:
- ochtendstijfheid gedurende minimaal één uur;ochtendstijfheid gedurende minimaal één uur;ochtendstijfheid gedurende minimaal één uur;ochtendstijfheid gedurende minimaal één uur;
- artritis gelijktijdig aanwezig in drie of meer ‘gewrichtsgroepen’ (links of rechts PIP’s, MCP’s, pols, elleboog, knie, enkel, MTP’s);
- artritis van ten minste één handgewricht: pols, MCP of PIP;
- symmetrische artritis;
- aanwezigheid van reumanoduli;
- positieve reumatesten in het bloed;
- afwijkingen passend bij RA op de röntgenfoto.
Bloedonderzoek naar de reumafactor en antinucleaire factor kan bijdragen aan het stellen van de diagnose, maar is niet bewijzend. De bepaling van anti-CCP in het bloed is een nieuwe ontwikkeling, die een goede indicator is voor de ernst van de ontsteking en de schade die hierdoor wordt aangericht.
Röntgenfoto’s kunnen de mate van bot- en gewrichtsbeschadigingen tonen.
Voor reumatoïde artritis bestaat geen genezing. Doel van de behandeling is de voortschrijdende beschadiging van de gewrichten zo veel mogelijk voorkomen. Er zijn verschillende geneesmiddelen beschikbaar waaruit de reumatoloog een keuze maakt op basis van de ernst en de progressie van de ziekte, evenals de leeftijd en de algehele gezondheidsstatus van de patiënt.
Reumatoïde artritis wordt van meet af aan behandeld met een
NSAID’s
. Als de aandoening binnen enkele weken niet tot rust komt met NSAID’s, worden patiënten gewoonlijk verwezen naar de reumatoloog voor behandeling met zogenoemde disease modifying antirheumatic drugs (DMARD’s). DMARD’s remmen het ziekteproces en vertragen het optreden van gewrichtsschade, al duurt het weken tot maanden voordat een dergelijk middel effectief wordt. Als de symptomen blijven, kan de arts andere antirheumatica, zoals TNF-alfablokkerende middelen (Antireumatica), of combinaties van middelen voorschrijven. Vanwege de mogelijke ernstige bijwerkingen van deze middelen zal de arts de gezondheidsstatus van de patiënt nauwkeurig blijven volgen.
Een spalk of draagband kan helpen bij een zeer pijnlijk gewricht. Regelmatig lichte Revalidatiegeneeskundige behandeling kunnen helpen de gewrichten soepel te houden en spierzwakte te voorkomen. De pijn kan ook worden verlicht door hydrotherapie en behandeling met ijs.
In een zeer pijnlijk gewricht kan een injectie met corticosteroïden worden toegediend (Lokaal werkende corticosteroïden). Ernstig beschadigde gewrichten kunnen chirurgisch worden vervangen door een kunstgewricht (zie Kunstgewrichten).
Veel mensen met reumatoïde artritis zijn in staat een normaal leven te leiden (zie Leven met een gewrichtsaandoening), al moeten ze levenslang geneesmiddelen gebruiken. Ongeveer één op de tien patiënten raakt ernstig geïnvalideerd door de steeds terugkerende gewrichtsontstekingen. De gemiddelde levensduur van mensen met reumatoïde artritis is wel korter dan bij gezonde mensen. Om de voortgang van de ziekte en de reactie op geneesmiddelen te bewaken, wordt regelmatig bloedonderzoek gedaan. Soms nemen de oplevingen geleidelijk af en ‘dooft de ziekte uit’, zoals dat wordt genoemd. Daarbij kan een bepaalde mate van invaliditeit blijven bestaan.
- Leeftijd
- Meest frequent in de leeftijdsgroep van 50 tot 70 jaar, maar er zijn ook jonge mensen die het kunnen krijgen
- De aandoening is familiair en de oorzaak multifactorieel, dat wil zeggen meerdere factoren spelen een rol, waaronder erfelijke
- Onduidelijk
- Geslacht
- Driemaal zo frequent bij vrouwen
- Erfelijkheid
- De aandoening is familiair en de oorzaak multifactorieel, dat wil zeggen meerdere factoren spelen een rol, waaronder erfelijke
- Leefwijze
- Onduidelijk