Inzicht krijgen in de algehele geestelijke en lichamelijke conditie van de patiënt om een revalidatieprogramma vast te kunnen stellen
De revalidatiegeneeskundige behandeling begint met een bezoek van de patiënt aan het spreekuur van de revalidatiearts in een ziekenhuis of revalidatiecentrum of met een consult door de revalidatiearts op een verpleegafdeling in een ziekenhuis. De revalidatiearts wordt bij zo’n consult door de eerste behandelaar van de patiënt (meestal een neuroloog, internist, chirurg of orthopeed) gevraagd om de patiënt mee te beoordelen op de specifieke revalidatiegeneeskundige aspecten. Hierbij kan de ontslagbestemming, dat wil zeggen waar gaat de patiënt naar toe als hij uit het ziekenhuis wordt ontslagen, een belangrijke rol spelen.
Bij zo’n eerste consult krijgt de revalidatiearts niet alleen te maken met de boven al genoemde ziektebeelden, maar ook met klachten van pijn en bewegingsbeperking in tal van gewrichten en spieren, bijvoorbeeld nekklachten, rugklachten, schouderklachten, heupklachten en knieklachten, maar ook bijvoorbeeld tenniselleboog, enkelverstuiking en pols-, hand- en voetklachten. Na het afnemen van de revalidatieanamnese, waarin naast het ziektebeeld ook de zelfverzorging, de woonomstandigheden, het gezin, het werk, het vervoer en het psychisch welbevinden aan de orde komen, volgt een uitgebreid lichamelijk onderzoek. Hierbij ligt de nadruk op de beweeglijkheid van de gewrichten en de werking van de spieren, pezen en zenuwen. Dit onderzoek kan worden aangevuld met bloedonderzoek en met het maken van röntgenfoto’s of het gebruik van andere beeldvormende technieken (echografie, CT-scan, MRI). Ook kan gebruik worden gemaakt van andere specifieke onderzoeken, zoals EEG en EMG.
De revalidatiearts kan met al deze gegevens inzicht krijgen in de problemen van de patiënt en in zijn of haar mate van functioneren, zowel fysiek, psychisch als maatschappelijk.
De revalidatiearts, die de problemen van de patiënt in kaart heeft gebracht en een indruk heeft gekregen van zijn fysiek, psychisch en maatschappelijk functioneren, gaat, samen met de patiënt, de revalidatiedoelen opstellen. Daarbij speelt de uitgangswaarde – dat wil zeggen hoe de patiënt voor de ziekte of het ongeval functioneerde – een belangrijke rol. Natuurlijk wordt ook rekening gehouden met eventuele wensen van de patiënt over veranderingen die zullen optreden omdat hij door de opgelopen beperkingen niet meer zo kan functioneren als voorheen.
Omdat de revalidatiedoelen de totale patiënt betreffen, zijn er revalidatiedoelen mogelijk op het gebied van het lichamelijk functioneren, de zelfverzorging, de communicatie, het maatschappelijk en het psychisch functioneren. Aan de hand van de revalidatiedoelen wordt het revalidatieprogramma opgesteld. Eigenlijk is dat programma een voortdurend antwoord op de steeds terugkerende vraag: op welke manier en met behulp van welke soort therapie kan het behandeldoel worden bereikt? Zo ontstaat een programma waarin de revalidatiearts aangeeft welke therapeutische discipline moet worden ingeschakeld bij de revalidatiegeneeskundige behandeling van de patiënt en wat de betreffende therapeut moet doen.
De revalidatiegeneeskundige behandeling is dus geen solistische bezigheid van een revalidatiearts, maar het werk van een revalidatieteam. Zo’n revalidatieteam kan, naast de revalidatiearts, bestaan uit verpleegkundigen en diverse therapeuten, zoals arbeidstherapeuten, bezigheidstherapeuten, ergotherapeuten, fysiotherapeuten, logopedisten, maatschappelijk werkenden, psychologen/orthopedagogen en sporttherapeuten. Aan de hand van het revalidatieprogramma wordt per patiënt vastgesteld welke disciplines in zijn behandelteam nodig zijn.