Bij strabisme of scheelzien is sprake van een abnormale gerichtheid van de blik van een van de ogen, ook wel loensen genoemd
Bij scheelzien lijkt het ene oog niet naar hetzelfde voorwerp te kijken als het andere. Dit wordt ook wel loensen genoemd. Scheelzien is een veel voorkomende aandoening. Zo’n 4% van de Nederlanders kijkt scheel. Door de abnormale gerichtheid van de ogen ontvangen de hersenen strijdige beelden, waardoor er een dubbel beeld ontstaat. Kinderen onder de acht jaar hebben het vermogen om dit beeld van het scheelstaande oog te onderdrukken. Er ontstaat geen dubbelzien. Als steeds het beeld van hetzelfde oog onderdrukt wordt, verdwijnt de prikkel tot ontwikkeling van gezichtsscherpte voor dat oog. Dit heeft als gevolg dat dit oog steeds minder ziet en een lui oog wordt.
Scheelzien kan door allerlei oogaandoeningen komen, zoals verziendheid of bijziendheid, en zit soms in de familie, wat een erfelijke factor doet vermoeden. De aandoening kan ook komen door een structureel verschil tussen de spieren die de oogbewegingen regelen. In een heel enkel geval is scheelzien het gevolg van kanker in het oog (zie Retinoblastoom) of door verlamming van de spieren aan één oog, veroorzaakt door een ernstige ziekte, zoals een hersentumor (zie Tumoren aan hersenen en ruggenmerg bij kinderen).
Baby’s lijken vaak scheel door een brede neusrug. Dit verdwijnt bij het ouder worden en heeft niets met scheelzien te maken.
Als het een licht geval is, treden de symptomen alleen op als het kind moe is. Bij een ernstig geval zijn ze voortdurend aanwezig. Deze kunnen zijn:
- de ogen kijken niet dezelfde kant op;
- slecht gezichtsvermogen van een van de ogen doordat dit niet of te weinig wordt gebruikt.
Een kind bedekt het betreffende oog soms of doet het dicht om goed te zien, of houdt het hoofd schuin. Als er niets aan wordt gedaan, kan scheelzien een lui oog veroorzaken, waarbij de gezichtsscherpte onvolledig tot ontwikkeling komt. Ontstaat scheelzien na het achtste levensjaar dan is het vermogen van de hersenen om het dubbele beeld te onderdrukken verloren gegaan en ontstaat er dubbelzien.
Als u denkt dat uw kind niet goed ziet, is het raadzaam meteen naar de huisarts te gaan om het risico op blijvende schade te beperken. Uw kind zal naar een oogarts worden verwezen, die een oogonderzoek doet. In Nederland wordt het onderzoek en de behandeling van scheelzien door orthoptisten uitgevoerd. De oogarts wordt ingeschakeld om bij het eerste consult de gezondheid van het oog te checken door middel van oogspiegelen.De orthoptist kan met een penlight de symmetrie van de reflexbeeldjes van het hoornvlies onderzoeken. Vanaf de leeftijd van enkele maanden kan met een prisma worden onderzocht of een van de ogen door het andere oog wordt onderdrukt. Daarbij moet worden bedacht dat een baby tot de leeftijd van 5 maanden nog zeer korte momenten “mag” scheelkijken (babyloenzen). Permanent of frequent scheelzien is echter direct vanaf de geboorte een reden voor verwijzing en verder onderzoek.
Afhankelijk van de oorzaak van het scheelzien bepaalt de orthoptist welke behandeling het meest geschikt is. Dit kan bestaan uit het voorschrijven van een bril, oefeningen en/of het voorstellen van een scheelziensoperatie.
De behandeling is erop gericht het schele oog te corrigeren. Als uw kind bijvoorbeeld ook verziend is, zal het een bril moeten dragen, waardoor het scheelzien meteen wordt gecorrigeerd. Het kan ook zijn dat uw kind gedurende enige tijd een afdekpleister voor het goede oog moet dragen ter behandeling van een lui oog. Dit dwingt het kind het zwakkere oog te gebruiken, wat van essentieel belang is voor de normale ontwikkeling van het gezichtsvermogen. Uw kind moet waarschijnlijk elke drie tot zes maanden op controle komen, tot het scheelzien is verdwenen. De behandeling van een lui oog is meestal succesvol, maar scheelzien kan wel blijvend zijn. Dan is een operatie aan de oogspieren geboden. Een afwijkende oogstand kan worden gecorrigeerd door het verplaatsen of het inkorten van de uitwendige oogspieren van één of beide ogen. Is er sprake van een andere oorzaak, zoals een tumor, dan wordt die behandeld.
Meestal kan door oogspierchirurgie een sterke cosmetische verbetering van de oogstand worden bereikt, maar niet zelden is een tweede operatie noodzakelijk. In een minderheid van de gevallen kan het dieptezien worden behouden.
- Leeftijd
- Treedt meestal in de eerste levensjaren op
- Geen factoren van betekenis
- Geen factoren van betekenis
- Erfelijkheid
- Zit soms in de familie
- Geslacht
- Geen factoren van betekenis
- Leefwijze
- Geen factoren van betekenis