Een langzame of abnormale ontwikkeling van de taal qua begrip en uitdrukkingsvermogen
De leeftijd waarop kinderen gaan praten en de taal leren beheersen, loopt sterk uiteen, maar de meeste kinderen kunnen vóór hun derde verjaardag al goed verbaal communiceren. Veel kinderen hebben in de eerste jaren een of andere vorm van een spraak- of taalprobleem, zoals bijvoorbeeld slissen, wat met het ouder worden snel verbetert.
Een veelvoorkomende oorzaak van achtergebleven spraak- en taalontwikkeling is een gehoorstoornis (zie Chronische middenoorontsteking of slijmoor, Lijmoor (glue ear) , en Aangeboren doofheid). Kinderen met een spastische verlamming en kinderen met een gespleten lip of verhemelte kunnen de bewegingen van mond en tong soms moeilijk coördineren. Traag leren spreken of een trage taalontwikkeling kan het gevolg zijn van onderstimulatie of een verstandelijke handicap. Problemen met vloeiend spreken, zoals stotteren, komen bij één op de honderd kinderen voor, met name jongens, en komen vaak in families voor.
Een spraak- of taalprobleem zal in de eerste plaats door de ouders of leerkrachten of bij een controle worden opgemerkt. Hierna zal men de algehele ontwikkeling en het gehoor van het kind testen.
Een kind met een spraak- of taalprobleem haalt de achterstand met de juiste begeleiding vaak weer in. Slechthorendheid wordt zo mogelijk behandeld. Stotteren wordt vaak met spraakles wel beter.
Zodra de onderliggende oorzaak is te behandelen, gaat het met de meeste problemen beter. Als er sprake is van een onbehandelbare oorzaak, zoals een spastische verlamming, is de prognose minder goed en kunnen de spraak- of taalproblemen van blijvende aard zijn.
- Leeftijd
- Komt meestal in de eerste levensjaren al tot ontwikkeling
- De risicofactoren hangen samen met het type
- De risicofactoren hangen samen met het type
- Geslacht
- De risicofactoren hangen samen met het type
- Erfelijkheid
- De risicofactoren hangen samen met het type
- Leefwijze
- De risicofactoren hangen samen met het type