Het lichaam van een kind groeit en verandert vanaf de geboorte tot aan de volwassenheid. Deze processen worden grotendeels door hormonen gestuurd. De meest ingrijpende veranderingen vinden plaats tijdens de babytijd, met een heel snelle groei, en tijdens de puberteit, wanneer het lichaam geslachtsrijp wordt. Sommige delen van het lichaam kunnen zich op een bepaald moment sneller ontwikkelen dan andere; hierdoor veranderen de proporties ook steeds. Als het kind tien is, zijn de hersenen al bijna volgroeid; de rest van het lichaam blijft daarbij vergeleken achter.
Bij de geboorte is het hoofdje van de baby net zo breed als de schouders en oogt vrij groot in verhouding tot het lichaam. Het hoofd blijft snel groeien, en als het kind twee is, hebben de hersenen al drievierde van de omvang van die van een volwassene. Naarmate het kind ouder wordt, groeit het hoofd minder hard in vergelijking met de rest van het lichaam. Vanaf ongeveer achttien jaar stopt de groei.
- Hoe veranderen de proporties?
- Het hoofd van een pasgeborene beslaat ongeveer een kwart van de hele lichaamslengte, en de benen drie achtste. Met achttien jaar zijn de proporties veranderd: het hoofd is een achtste van de totale lichaamslengte en de benen de helft.

De vorming van hard bot (verkalking) begint voor de geboorte al op plekken in de botschacht die de primaire verbeningscentra worden genoemd. Bij een pasgeborene zijn alleen de schachten (diafysen) verkalkt. De uiteinden van die botten (epifysen) bestaan uit kraakbeen, dat geleidelijk wordt vervangen door bot uit de secundaire verbeningscentra. Tussen de schacht en de uiteinden ligt de groeischijf, vanwaaruit de groei plaatsvindt.
- Pijpbeen van een pasgeborene
- De schacht (diafyse) bestaat voornamelijk uit bot. De uiteinden (epifysen) bestaan uit kraakbeen dat geleidelijk verkalkt.

- EPIFYSE: Het botuiteinde bestaat uit kraakbeen
- Groeischijf
- Bloedvat
- Diafyse (schacht)
- Beenmergholte
- Pijpbeen van een kind
- De epifysen bevatten secundaire verbeningscentra, waaruit het bot zich vormt. De groeischijf bij de uiteinden produceert nieuw kraakbeen.

- Secundair verbeningscentrum
- Epifyse
- GROEISCHIJF: Deze schijf is de belangrijkste plaats in het bot waar de groei plaatsvindt
- Beenmergholte
- BLOEDVAT: Er ontstaan nieuwe vertakkingen van bloedvaten om het groeiende weefsel te voeden
- Pijpbeen van een volwassene
- De botgroei is voltooid met achttien jaar. De schachten, groeischijven en epifysen zijn dan verkalkt en tot één bot samengesmolten.

- GEWRICHTSKRAAKBEEN: Dit gladde weefsel beschermt het uiteinde van een pijpbeen
- Verkalkte groeiplaat
- Beenmergholte
- Groei van hand
- Met twee jaar zien de nog kraakbenige middenhandsbeentjes in de hand er op een röntgenfoto ondoorzichtig uit. Het groeiende kraakbeen is doorzichtig. Met achttien jaar zijn alle botten verkalkt.

- 2 JAAR
- 18 JAAR
Bij de geboorte bevatten de hersenen reeds alle miljarden zenuwcellen (neuronen) die via de zenuwvezels (axonen) signalen doorgeven en ontvangen. Deze netwerken, aanvankelijk nog deels ontwikkeld, breiden zich in de eerste zes jaar snel uit, en de hersenen groeien hard, zodat kinderen nieuwe vaardigheden kunnen leren. De schedel zet uit om deze groei mogelijk te maken. Na zes jaar ontwikkelen de zenuwbanen zich langzamer.
- De groei van hersenen en schedel
- Tijdens het eerste jaar groeit het deel van de schedel rond de hersenen (cranium) snel bij de naden (suturen) en fontanellen tussen de botplaten. Met zes jaar zijn de hersenen bijna volgroeid.

- CRANIUM: Het cranium lijkt groot in vergelijking tot de nog niet volgroeide gezichtbeenderen
- Fontanel
- Zenuwnetwerk
- Sutuur
- Hersenen
- Bij geboorte

- SUTUUR (NAAD): De schedelplaten zitten vast bij de schedelnaden, en de fontanellen zijn dicht. De groei gaat nu langzamer
- HERSENEN: De groei van de hersenen gaat langzamer als ze bijna volgroeid zijn
- Zenuwnetwerk
- Bij 6 jaar

- HERSENEN: Met achttien jaar zijn de hersenen volgroeid
- Zenuwnetwerk
- CRANIUM: Het cranium stopt met groeien wanneer de hersenen volgroeid zijn
- Bij 18 jaar
- AANGEZICHTSSKELET: De gezichtsbeenderen zijn nu volgroeid
- Zenuwnetwerk
- Op deze sterke uitvergroting van volwassen hersenen ziet u de neuronen in een complex netwerk van zenuwbanen.

- Axon (zenuwvezel)
- Neuron
Bij een pasgeborene zitten de meeste zenuwvezels (axonen) gewikkeld in isolerende schachten van myeline. Deze isolatie zorgt ervoor dat de zenuwtransmissie honderd keer sneller verloopt en is heel belangrijk voor normale groei en werking van het lichaam.

- Schacht van myeline
- Axon (zenuwvezel)
- 1
- Ondersteunende cellen, vooral bestaand uit myeline, wikkelen zich rond een axon en vormen zo een beschermende en isolerende schacht.

- Ondersteunende cel
- Axon
- Kern van ondersteunende cel
- 2
- Het axon is in delen van de myelineschacht gewikkeld, van elkaar gescheiden door gaten (de knopen van Ranvier). Zenuwsignalen springen van het ene gat naar het andere.

- Knoop van Ranvier
- Schacht van myeline
De maximale groeipotentie van een kind wordt bepaald door de genen, maar of dit maximum wordt bereikt, hangt van diverse factoren af, zoals voeding en gezondheid. Meisjes en jongens hebben hetzelfde jaarlijkse groeipatroon (onder). De groeispurt in de puberteit wordt veroorzaakt door geslachtshormonen, die ook de versmelting van groeischijven in het bot bespoedigen. Meisjes zijn rond vijftien jaar volgroeid en jongens rond achttien jaar.
- Waarom jongens langer worden
- Jongens komen later in de puberteit dan meisjes, waardoor ze in hun kinderjaren meer tijd hebben om door te groeien voor ze hun laatste spurt maken. De groeisnelheid is hoger en ze groeien langer door.
