Het spijsverteringskanaal (structuur en functie)

Medische encyclopedie

Het spijsverteringskanaal bestaat uit een serie holle organen – mond, slokdarm, maag, dunne en dikke darm, endeldarm en anus – die samen een lange buis vormen. De wanden hebben spieren die het voedsel ritmisch verder stuwen (zie Peristaltiek), afbreken en mengen met spijsverteringssappen. Een netwerk van zenuwen van mond tot anus regelt de spierbewegingen. Diverse spierkleppen regelen de voedselpassage en voorkomen dat het voedsel terug kan stromen.

Mond

Tong, tanden en speeksel zorgen ervoor dat het eten kan worden doorgeslikt. Het gebit hakt en maalt het eten fijn en vergroot zo het voedseloppervlak waarop de speekselenzymen hun werk doen. Speeksel maakt het eten ook zachter.

In de mond
Drie paar speekselklieren produceren speeksel, wat helpt bij proeven, kauwen en slikken van voedsel.
In de mond
  1. Oorspeekselklier
  2. Speekselafvoergang
  3. Tanden
  4. Tong
  5. Onder de tong speekselklier
  6. Onderkaakspeekselklier

Slokdarm en maag

De keel komt uit in de slokdarm, een gespierde buis waardoor het voedsel naar de maag wordt geduwd. In de maag blijft vast voedsel tot vijf uur lang en wordt het vermengd met maagsap tot het een zogenaamde chijm of spijsbrij is. Daarna wordt het voedsel afgevoerd naar de twaalfvingerige darm. Vloeistoffen doen over dit traject maar enkele minuten.

Dwarsdoorsnede van de slokdarm
De binnenwand van de slokdarm kan uitrekken om voedsel door te laten.
Dwarsdoorsnede van de slokdarm
  1. Ligging
  2. SLOKDARM: Voedsel passeert binnen 2 tot 3 seconden deze buis
  3. Geplooide binnenwand
  4. Spierlaag
  5. SPIERLAGEN: Door de spierbewegingen van de maagwand wordt voedsel tot spijsbrij geroerd
  6. MAAGPLOOI: Een lege maag is in plooien gevouwen, waardoor hij kan uitzetten
  7. Maagslijmvlies
  8. Bindweefsellaag
  9. Twaalfvingerige darm
  10. PYLORUS (MAAGUITGANG): Deze klepspier houdt de spijsmassa in de maag totdat het roerproces voltooid is
  11. ONDERSTE SLOKDARMSLUITSPIER (SFINCTER): Deze sluitspier ontspant zich om voedsel de maag binnen te laten en spant zich om teruglopen te voorkomen
Doorsnede van het maagslijmvlies
Aan de binnenkant van de maag zit het maagslijmvlies, dat slijm produceert om te voorkomen dat de maag zichzelf verteert.
Doorsnede van het maagslijmvlies
  1. MAAGPUT: Onder in deze putjes bevinden zich de maagsapklieren
  2. Slijmproducerende cellen
  3. MAAGSAPKLIER: In iedere plooi bevinden zich talloze klieren die zuur en enzymen afscheiden, die samen het maagsap vormen
  4. Zuurproducerende cellen
  5. Enzymenproducerende cellen

Dunne en dikke darm

Met ongeveer 6,5 m in lengte vormen de darmen het grootste deel van het spijsverteringskanaal. In de dunne darm (twaalfvingerige darm, nuchtere darm en kronkeldarm) wordt voedsel gemengd met darmsappen en worden voedingsstoffen en water in het bloed opgenomen. In de dikke darm (blinde darm en de dikke darm) wordt de ontlasting gevormd.

Overgang tussen de darmen
De dunne darm heeft een geplooid slijmvlies; het slijmvlies van de dikke darm is gladder.
Overgang tussen de darmen
  1. Slijmvlies van de dunne darm
  2. Slijmvlies van de dikke darm
Doorsnede van de dikke darm
De dikke darm is breder en de darmwand heeft minder ontwikkelde spierlagen dan de dunne darm
Darmvlokken in de dunne darm
Het slijmvlies, de binnenste laag van de dunne darm, is bedekt met miljoenen haardunne uitstulpingen die zijn bedekt met nog kleinere microvilli. Deze vormen samen een enorm oppervlak om voedingsstoffen op te nemen.
Doorsnede van de dikke darm
  1. TWAALFVINGERIGE DARM: In dit stuk darm wordt de spijsbrij gemengd met de sappen uit galblaas en alvleesklier
  2. NUCHTERE DARM (JEJUNUM): De twaalfvingerige darm komt uit in deze darm en vormt spijsverteringssappen
  3. ENDELDARM: Als ontlasting in de endeldarm terechtkomt, veroorzaakt dit de aandrang om zich te ontlasten; deze aandrang kan worden genegeerd
  4. ANUS: Ontlasting verlaat het spijsverteringskanaal via de anus; een kringspier beheerst deze ‘stoelgang’
  5. Slijmvlies
  6. Bindweefsellaag
  7. SPIERLAGEN: De ontlasting wordt door deze spierlaag gemengd en voortgestuwd
  8. Buikvlies
  9. MESENTERIUM: Door deze membraan bereiken bloedvaten en zenuwen de darm
  10. Appendix
  11. KRONKELDARM (ILEUM): Het laatste deel van de dunne darm is rijk voorzien van bloed- en lymfvaten om voedingsstoffen op te kunnen nemen
  12. BLINDE DARM: Deze korte zakvormige structuur bezit een klep die opengaat om darminhoud uit de kronkeldarm binnen te laten
  13. DIKKE DARM: De wanden van de dikke darm onttrekken water aan de ontlasting en bacteriën breken het grootste deel van de vezels die in de ontlasting zitten, af; dit kan zo’n twee dagen duren
  14. Mesenterium
  15. SLIJMVLIES: Voedselopname vindt plaats in de darmvlokken van het slijmvlies
  16. BINDWEEFSEL: Deze laag bevat zenuwen, bloedvaten en lymfvaten
  17. BUIKVLIES: Het buikvlies of serosa is een dun beschermend vlies
  18. Spierlagen
  19. Doorsnede van de dunne darm
Darmvlokken in de dunne darm
  1. ENZYMENPRODUCERENDE CEL: Deze cellen liggen op de darmvlokken van de nuchtere darm
  2. DARMVLOK: Iedere darmvlok of villus is bedekt met honderden uitsteekseltjes, de microvilli
  3. Slijmproducerende cel
  4. LYMFVAT: Deze vaten transporteren de producten van de vetvertering
  5. Slagader
  6. ADER: Opgenomen voedingsstoffen worden door dit vat afgevoerd
  7. Het slijmvlies van de dunne darm

Andere gerelateerde onderwerpen

U bevindt zich hier:

U gebruikt een verouderde webbrowser, wij raden u aan over te schakelen naar een van onderstaande moderne internetbrowsers.