Virussen (structuur en functies)

Medische encyclopedie

Virussen zijn de kleinste ziekteverwekkende organismen. Ze zijn zo klein dat één menselijke cel plaats biedt aan miljoenen exemplaren. Een virus kan zich alleen vermenigvuldigen door binnen te dringen in een levende cel, die ‘gastheercel’ wordt genoemd. Een virus is niet veel meer dan een enkele of dubbele streng genetisch materiaal, omgeven door een eiwitmantel. Sommige virussen hebben echter een beschermende envelop.

STRUCTUUR EN FUNCTIES: Virussen
  1. Schaal
  2. CAPSOMEREN: De eiwitmantel (capside) is opgebouwd uit kleinere eenheden (capsomeren)
  3. EIWITMANTEL: Dit laagje, dat capside wordt genoemd, omringt het genetisch materiaal van het virus. Capsiden hebben een geometrische vorm
  4. GENETISCH MATERIAAL: De kern van RNA of DNA bevat voldoende genetische informatie voor vermenigvuldiging van het virus
  5. EIWITTEN AAN DE BUITENKANT (STEKELS): Stekelvormige eiwitten aan de buitenkant hechten zich aan specifieke receptoren van de gastheer. Ook virussen zonder beschermende envelop hebben deze eiwitten
  6. ENVELOP: Sommige virussen hebben een beschermende buitenlaag of envelop, opgebouwd uit membraan van de geïnfecteerde cellen

Veranderingen in een virus

Het immuunsysteem herkent virussen van eerdere infecties aan de eiwitten op de buitenkant (antigenen). Als een virus zich vermenigvuldigt, kunnen er kleine veranderingen optreden in de antigenen (antigene variatie), waardoor het immuunsysteem ze niet meer herkent. Hierdoor kan bijvoorbeeld influenzavirus jaarlijks een epidemie geven. Het griepvaccin moet daarom jaarlijks worden aangepast.

Antigene drift en shift
Een kleine verandering noemt men antigene variatie; een grote verandering zoals mogelijk is bij influenzavirus antigene shift.
Antigene drift en shift
  1. Oorspronkelijk virus
  2. Oorspronkelijke eiwitten
  3. Gemuteerd eiwit
  4. Virus na antigene drift
  5. Gemuteerd eiwit
  6. Na antigene shift
  7. Oorspronkelijk eiwit

Voortplanting

Om te overleven moet een virus zich in een levende cel voortplanten. Het genetisch materiaal van het virus dringt de gastheercel binnen om miljoenen nieuwe virusdeeltjes te produceren. De nieuwgevormde virussen verlaten de gastheercel door de cel kapot te maken of door de membraan uit te stulpen.

1
Eiwitten op het virus hechten zich aan receptoren op het oppervlak van de gastheer. Het virus dringt binnen door zich door de celmembraan te laten omsluiten of door hiermee te versmelten.
1
  1. Genetisch materiaal
  2. Virus
  3. Kern
  4. Gastheer
  5. Receptor
2
Eenmaal in de cel legt het virus zijn eiwitmantel af. Het genetisch materiaal van het virus wordt gekopieerd met behulp van stoffen uit de cel.
2
  1. Genetisch materiaal
3
Elke nieuwe kopie van het genetisch materiaal programmeert de vorming van een nieuwe eiwitmantel. Als die zich heeft gevormd, is het nieuwe virus compleet.
3
  1. Nieuw virus
4
De virussen verlaten de cel door de celmembraan open te scheuren, waardoor de gastheercel sterft, of door uit het oppervlak van de celmembraan te stulpen.
4
  1. Stervende gastheer
  2. Scheur
Uitstulpende virussen
Als nieuwe virussen uit hun gastheer stulpen, hullen ze zich in de celmembraan van de gastheer.
Uitstulpende virussen
  1. Uitstulpend virus
  2. Celmembraan gastheer

Andere gerelateerde onderwerpen

U bevindt zich hier:

U gebruikt een verouderde webbrowser, wij raden u aan over te schakelen naar een van onderstaande moderne internetbrowsers.