Genen zijn opgebouwd uit DNA, dat de vorm heeft van een wenteltrap waarvan de treden bestaan uit telkens twee moleculen die nucleotidebasen worden genoemd. Deze in specifieke paren gerangschikte basen van het DNA geven de cel instructies voor het aanmaken van eiwitten. Het DNA is strak opgerold tot staafvormige ketens, de chromosomen, en bevindt zich in de celkern. Elke celkern heeft 22 chromosoomparen en twee geslachtschromosomen (totaal 23 paren).

- STRAK OPGEROLD DNA : Voordat een cel zich deelt, rollen de chromosomen zich strak op, zodat ze korter en dikker worden
- CELKERN: De kern bevat vrijwel al het erfelijke materiaal
- CYTOPLASMA: Deze substantie in de cel bevat structuren die een rol spelen in de celfunctie
- MITOCHONDRIËN: Deze eenheden, de energiecentrales van de cel, bevatten ook een beetje DNA
- CHROMOSOOM: Een chromosoom is meestal staafvormig. Voordat een cel zich deelt, wordt het chromosoom gekopieerd tot twee strengen, die de kenmerkende X vormen
- CENTROMEER: In dit deel van het chromosoom komen de twee strengen samen; als de cel zich deelt, worden ze hier gescheiden
- GEN: In dit deel van het chromosoom bevinden zich de instructies voor het aanmaken van een bepaald eiwit. Genen variëren in lengte
- RUGGENGRAAT VAN HET DNA : Twee glucosefosfaatmoleculen vormen de ruggengraat van het DNA
- DNA-SPIRAAL: DNA bestaat uit twee in elkaar gedraaide strengen die samen een dubbele spiraal of helix vormen
- NUCLEOTIDEBASEN: Er zijn vier soorten basen: guanine (G), cytosine (C), adenine (A) en thymine (T). De basenparen vormen zich altijd op een specifieke manier: AT en CG
- Cytosine
- Guanine
- Thymine
- ADENINE-THYMINE: Deze twee nucleotidebasen vormen in het DNA altijd samen een paar
- GUANINE-CYTOSINE: Deze twee nucleotidebasen vormen altijd samen een paar
- VRIJE NUCLEOTIDEBASE: Uit vrije basen in de kern worden nieuwe DNA-ketens gemaakt
- Adenine