Voor kinderen zijn ogentests ontworpen die speciaal zijn aangepast op hun leeftijd en vaardigheden. Afwijkingen van het gezichtsvermogen komen bij 2 tot 6 % van de kinderen voor. Stoornissen van het gezichtsvermogen kunnen gevolgen hebben voor de ontwikkeling en het functioneren van een kind.
Om een aangeboren oogafwijking op te kunnen sporen worden bij pasgeborenen de ogen geïnspecteerd, eventueel aangevuld met behulp van een oogspiegel. Tot drie jaar is de methode van Vroegtijdige onderkenning van Visuele stoornissen (VOV) de standaardopsporingsmethode. Vanaf drie jaar en 6 maanden wordt door de Jeugdgezondheidszorg de Landolt-C-kaart gebruikt. Als het kind nog niet begrijpt wat er wordt verwacht, gebruikt men de APK-TOV-kaart ( Amsterdamse Plaatjeskaart). Voor sommige kinderen wordt de LH-kaart met het LH Crowded Symbol Book gebruikt.
Het VOV-oogonderzoek bestaat uit de inspectie van het oog, het beoordelen van de doorgankelijkheid (met behulp van een oogspiegel), het bepalen van de oogstand en het beoordelen van de volgbewegingen.

Deze kaart is bedoeld voor peuters. Eventueel kan geoefend worden met plaatjes op een aparte kaart of uit het groeiboekje. Het kind zit op schoot. Dek een oog af met een afdekbril (bij voorkeur de Leidse afdekbril).Eerst wordt het linkeroog afgedekt, daarna het rechter. De kaart wordt op 3 tot 5 meter omhoog gehouden. Het kind moet de aangewezen plaatjes benoemen.
Deze kaart is ontwikkeld voor gebruik op 5 meter afstand en wordt op ooghoogte van het kind opgehangen. Ook hier wordt een afdekbril gebruikt. Het kind moet de kant van de opening in de C aanwijzen. Dit kan eventueel met een los C-symbool.
Dit onderzoek wordt gebruikt bij kinderen met een verstandelijke beperking die de landolt-C-kaart niet begrijpen. Ook hier wordt gebruik gemaakt van de afdekbril. Het kind moet de symbolen benoemen of kan deze op de kaart aanwijzen.